Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1674

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
15/810380-15 en 15/810270-15 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot inbraak in een school; medeplegen. Vrijspraak voor inbraak in een bedrijfsbus. Poging tot diefstal van een geldbedrag door middel van pinnen met een valse pinpas.

Het verweer van de raadsman dat er sprake is van een ondeugdelijke poging wordt verworpen. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van 180 dagen, waarvan 85 voorwaardelijk.

Ook moet verdachte een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken alsnog ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/810380-15 en 15/810270-15 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 25 februari 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 februari 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel, locatie Het Schouw te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. van Oosten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. O.P. Kuit, advocaat te Waddinxveen, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

primair

hij op of omstreeks 22 november 2015 in de gemeente Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een school gelegen aan de [straatnaam 1] nr. 9 heeft weggenomen een sleutel en/of een of meer andere goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [basisschool], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel;

subsidiair

hij op of omstreeks 22 november 2015 in de gemeente Haarlem, ter uitvoering van het door hem en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [basisschool], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), en/of dat (die) weg te nemen goed(eren) onder zijn (hun) bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of (een) valse sleutel(s), opzettelijk met zijn mededader(s), althans alleen, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) het volgende gedaan:

- ( met een breekijzer) een raam van die school ontzet, en/of

- ( nadat verdachte en/of zijn mededader(s) die school zijn binnengegaan) de computers in die school aangezet en/of kasten doorzocht,

zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

feit 2

hij op of omstreeks 26 augustus 2015 en/of 27 augustus 2015 in de gemeente Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfsbus (Opel Vivaro, kleur wit, kenteken [kenteken]) heeft weggenomen een portemonnee (bevattende bankpassen en/of een geldbedrag van ongeveer 650 euro) en/of een hoeveelheid gereedschap, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel;

feit 3

hij op of omstreeks 27 augustus 2015 te Santpoort-Noord, gemeente Velsen, ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of dat (die) weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, opzettelijk het volgende heeft gedaan: met een of meer gestolen pinpas(sen) geprobeerd te pinnen bij de pinautomaat gelegen aan de [straatnaam 2] zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Vrijspraak feit 1 primair

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft bekend dat hij op 22 november 2015 in het gebouw van basisschool [basisschool] te Haarlem heeft ingebroken. Hij heeft hierbij niets weggenomen, zo verklaart verdachte. Aangever doet op 23 november 2015 aangifte en verklaart dat de sleutel van de achteringang van de school ontbreekt. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat de betreffende sleutel onder of bij verdachte is aangetroffen, noch blijkt op andere wijze dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het wegnemen van deze sleutel. De enkele omstandigheid dat op de dag na een inbraak wordt geconstateerd dat een sleutel is verdwenen acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring van een voltooide diefstal te komen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 1 primair ten laste is gelegd.

3.4.

Vrijspraak feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op 26 augustus 2015, omstreeks 22.15 uur, parkeert [slachtoffer 1] zijn bedrijfsbus voor zijn woning en sluit hij deze af. Omstreeks 6.45 uur de volgende ochtend constateert hij dat zijn portemonnee met bankpassen, contant geld en rijbewijs en tevens al zijn gereedschappen uit zijn bus zijn weggenomen. Die nacht, op 27 augustus 2015 omstreeks 1.50 uur, probeert verdachte met de bankpassen van [slachtoffer 1] geld te pinnen bij een pinautomaat. Verdachte verklaart dat hij de betreffende pinpassen van iemand anders heeft gekregen. Verdachte ontkent de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal uit de bedrijfsbus te hebben gepleegd.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de tijd die tussen het tijdstip van parkeren en afsluiten van de bus en het moment waarop verdachte probeert te pinnen, dusdanig lang is dat de mogelijkheid dat verdachte op andere wijze in het bezit van de pinpassen is gekomen dan door deze zelf uit de bus weg te nemen, niet kan worden uitgesloten. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de bankpassen dan wel andere goederen uit de bedrijfsbus van [slachtoffer 1] heeft gestolen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van feit 2.

3.5.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 1 subsidiair

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] namens [basisschool] d.d. 23 november 2015 (dossierpagina’s 1 - 3).

3.6.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 3 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

In de nacht van 26 op 27 augustus is er geprobeerd te pinnen met de gestolen bankpassen van [slachtoffer 1] bij de Rabobank aan de [straatnaam 2] te Santpoort-Noord.2 Op 27 augustus 2015 omstreeks 1.50 uur probeert verdachte te pinnen bij de geldautomaat aan de [straatnaam 2] te Santpoort-Noord, gemeente Velsen.3

3.7.

Bewijsoverweging feit 3

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een ondeugdelijke poging. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte weliswaar beschikte over de pinpassen van [slachtoffer 1], maar dat hij niet de pincodes wist. Zonder de bijbehorende pincodes is de kans uiterst klein dat er gelden van de bankrekening opgenomen kunnen worden. Hiermee heeft verdachte niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat er geld weggenomen zou worden, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hiertoe het volgende.

Verdachte heeft geprobeerd geld te pinnen van een bankrekening van iemand anders. Verdachte heeft hierbij gebruik gemaakt van pinpassen waarvan hij wist dat deze hem niet toebehoorden. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op het voltooien van het feit, namelijk diefstal en daartoe ook zijn geëigend. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad doet de omstandigheid dat verdachte de bijbehorende pincode niet wist hier niet aan af.4 De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal door middel van een valse sleutel.

3.8.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1 subsidiair

hij op 22 november 2015 in de gemeente Haarlem, ter uitvoering van het door hem en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel toebehorende

aan [basisschool], en/of dat (die) weg te nemen goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van braak, opzettelijk met zijn mededader, het volgende heeft gedaan: een raam van die school ontzet, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

feit 3

hij op 27 augustus 2015 te Santpoort-Noord, gemeente Velsen, ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een geldbedrag, geheel toebehorende aan [slachtoffer 1], en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, opzettelijk het volgende heeft gedaan: met gestolen pinpassen geprobeerd te pinnen bij de pinautomaat

gelegen aan de [straatnaam 2] zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 3

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hiernaast kan aan verdachte eventueel een werkstraf opgelegd worden, aldus de raadsman.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met iemand anders schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een school. Daarnaast heeft verdachte een poging gedaan om met behulp van gestolen bankpassen geld weg te nemen van de bankrekening van iemand anders. Dit zijn ernstige feiten, die overlast en schade voor de betreffende benadeelden tot gevolg hebben. Ook brengen dergelijke feiten in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid met zich mee. Verdachte heeft kennelijk gehandeld met slechts zijn eigen financieel gewin op het oog en heeft hierbij geen rekening gehouden met het nadeel dat zijn handelen tot gevolg zou hebben voor anderen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 januari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 8 februari 2016 van K. de Kwaasteniet, als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Inforsa JVz Amsterdam. Dit rapport houdt onder meer het advies in om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en om aan het voorwaardelijk strafdeel onder meer een meldplicht en behandelverplichting te verbinden als bijzondere voorwaarden. De rechtbank kan zich met dit advies verenigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met GGZ Reclassering Palier en behandeling door de Forensische Polikliniek van Palier noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

7 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 5 oktober 2015 in de zaak met parketnummer 15/810270-15 heeft de politierechter te Haarlem verdachte ter zake van opzetheling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 28 oktober 2015 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 20 oktober 2015 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.8. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van HONDERDTACHTIG (180) DAGEN;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijfentachtig (85) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie (3) jaren;

stelt daarbij als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich meldt bij GGZ Reclassering Palier op het adres Zijlweg 148c te Haarlem. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht en zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

  • -

    meewerkt aan de intakefase bij de Forensische Polikliniek van Palier of soortgelijke instelling. Veroordeelde dient mee te werken aan diagnostisch onderzoek en het hieruit voortvloeiende en geïndiceerde behandelaanbod, ook indien dit inhoudt dat veroordeelde kortdurend (ten hoogste zeven weken) klinisch wordt opgenomen ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, zulks wanneer de reclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelde dient zich tevens te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    meewerkt aan de aanmelding en verdere begeleiding door de Materieel Juridische Dienstverlening, of soortgelijke instelling;

  • -

    meewerkt aan steekproefsgewijs uit te voeren urinecontroles, zulks zolang de reclassering dit nodig acht;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Palier om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/810270-15 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van vier (4) weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter d.d. 5 oktober 2015.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.J.G. Leeuw, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. I.A.M. Tel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 februari 2016.

Mr. Leeuw is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 5 september 2015 (dossierpagina 2-midden) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 september 2015 (dossierpagina 28-boven).

3 Eigen verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 11 februari 2016 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2015 (dossierpagina 17).

4 HR 7 oktober 2003, NJ 2004/63.