Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1574

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
15-179725-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuldigverklaring aan artikel 6 Wegenverkeerswet. Verdachte op weghelft tegenligger terechtgekomen, waarna frontale botsing heeft plaatsgevonden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/179725-15 (P)

Uitspraakdatum: 29 februari 2016

Tegenspraak (art. 279 Sr)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 februari 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.G. Hendriks en van wat haar raadsman, mr. R.M.F.R. Ketwaru, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

zij op of omstreeks 12 juli 2014 in de gemeente Purmerend als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Volkswagen, type Polo, [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Laan der Continenten, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, aldaar op de (in twee rijstroken verdeelde) rijbaan van die weg niet zoveel mogelijk rechts te houden maar (grotendeels) te gaan rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, ten gevolge waarvan zij, met dat door haar bestuurde motorrijtuig, in botsing of aanrijding is gekomen met een haar op dat deel van de weg tegemoetrijdende personenauto (merk Opel, type Meriva, [kenteken] ), waardoor aan de bestuurder van die auto (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, (te weten een gebroken ruggenwervel), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair

zij op of omstreeks 12 juli 2014 in de gemeente Purmerend als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Laan der Continenten, op de (in twee rijstroken verdeelde) rijbaan van die weg niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar (grotendeels) is gaan rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, waarna zij in botsing of aanrijding is gekomen met een haar tegemoet rijdende

personenauto (merk Opel, type Meriva, [kenteken] ), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij zich slechts kan herinneren dat zij bij de kruising Laan der Continenten/Aziëlaan voor het rode stoplicht moest wachten. Toen het licht op groen sprong trok zij op om rechtdoor te rijden en vanaf dat moment is zij kwijt wat er is gebeurd. Zij schrok wakker na de botsing en voelde dat haar hoofd op het stuurwiel lag. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat nu onbekend is gebleven waardoor het ongeluk is veroorzaakt niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 12 juli 2014, omstreeks 09.14 uur, heeft op de Laan der Continenten in Purmerend een verkeersongeluk plaatsgevonden.2 Verdachte reed als bestuurster van een Volkswagen Polo over de rijbaan van de Laan der Continenten in Purmerend, komende uit de richting van de Aziëlaan en gaande in de richting van de Zambezilaan. Het slachtoffer [slachtoffer] kwam haar als bestuurder van een Opel Meriva in tegengestelde richting tegemoet rijden. Verdachte is vervolgens met haar auto naar het weggedeelte bestemd voor het tegemoet komend verkeer gereden en frontaal op de Opel van [slachtoffer] gebotst. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij een Volkwagen Polo opeens zijn kant op zag komen. Hij probeerde nog naar rechts te gaan, maar dat lukt niet en zijn auto werd frontaal geraakt.3 De politie heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval.4 De conclusie luidt dat verdachte door onbekende reden op de rijstrook van het tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen en op de haar tegemoetkomende Opel is gebotst. De behandelend chirurg heeft op 12 juli 2014 bij het slachtoffer onder meer een fractuur van de ruggenwervel geconstateerd, waarbij wordt vermoed dat sprake is van blijvend letsel waarvan het slachtoffer altijd last kan houden.5

3.4.

Bewijsoverwegingen

Verdachte is de flauwe bocht naar links ingegaan, maar heeft daarna aan het einde van de verkeersgeleider niet teruggestuurd naar rechts. Ze is zodoende met haar auto geheel op de verkeerde weghelft terechtgekomen, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer. Dat is een zeer ernstige verkeersfout, want dit creëert een levensgevaarlijke situatie als er tegenliggers op de weg zijn. Dat geldt ook in de situatie zoals hier, binnen de bebouwde kom, waar de maximumsnelheid 50 km/uur was.

Het kan gebeuren dat een bestuurder door een moment van onoplettendheid op de verkeerde weghelft terechtkomt. Een dergelijke verkeersfout levert nog niet automatisch de conclusie op dat ingeval van een verkeersongeval sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). In de onderhavige zaak moet verdachte echter secondenlang de verkeerde manoeuvre hebben gemaakt, gelet op de afstand tussen de bocht en de plaats van botsing. Bovendien heeft zij de tegenligger kennelijk niet eerder gezien dan op het moment van de botsing, gelet op het feit dat er geen remsporen zijn aangetroffen. De rechtbank leidt dat af uit het proces-verbaal Ongevalsanalyse en de daarbij behorende foto’s. Op een van die foto’s (hierboven in het vonnis opgenomen, en de bijbehorende beschrijving) is ook te zien dat de botsing aan de voor verdachte uiterste linkerzijde van de verkeerde weghelft plaatsvond. Dat komt ook overeen met de verklaring van het slachtoffer, dat hij nog zoveel mogelijk naar rechts is uitgeweken.

Ten slotte wordt in het proces-verbaal aanrijding misdrijf vermeld dat verdachte, zo rijdende, aan het begin/einde van de verkeersgeleider over de doorgetrokken streep moet hebben gereden.

Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW te wijten is.

In dit geval zijn er geen omstandigheden aangevoerd of aannemelijk geworden waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken. Verdachte verklaarde dat zij zich van het moment van het ongeval niets kan herinneren. Uit het onderzoek van de politie blijkt dat er op het moment van het ongeval (9.41 uur in de ochtend) goed zicht was, dat het droog was en de weg ter plaatse in goede conditie was. Ook zijn er geen mankementen aan de auto van verdachte geconstateerd (de auto was twee maanden eerder APK goedgekeurd).

De rechtbank acht daarom het primair ten laste gelegde feit bewezen.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 12 juli 2014 in de gemeente Purmerend als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, merk Volkswagen, type Polo, daarmede rijdende over de weg, de Laan der Continenten, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, aldaar op de in twee rijstroken verdeelde rijbaan van die weg niet zoveel mogelijk rechts te houden maar te gaan rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, ten gevolge waarvan zij, met dat door haar bestuurde motorrijtuig, in botsing is gekomen met een haar op dat deel van de weg tegemoet rijdende personenauto, merk Opel, type Meriva, waardoor aan de bestuurder van die auto, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken ruggenwervel, werd toegebracht.

Hetgeen aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander lichamelijk letsel werd toegebracht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis in voorwaardelijke vorm met een proeftijd van twee jaar en oplegging van de bijzondere voorwaarden conform het reclasseringsadvies. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden gevorderd.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld de gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid disproportioneel te achten. Tegen de oplegging van een taakstraf, zoals gevorderd, met oplegging van bijzondere voorwaarden heeft de verdediging geen bezwaar.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurster van een personenauto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Zoals blijkt uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring heeft het ontstane letsel een enorme impact gehad op het leven van de heer [slachtoffer] en ondervindt hij nog dagelijks de nadelige gevolgen hiervan. Er is sprake van een langdurig revalidatieproces, waarbij het slachtoffer moet leren leven met aanpassingen. De toekomst is nog onzeker, mogelijk dient er nog een operatie plaats te vinden.

Hoewel de rechtbank bij de straftoemeting hier niet ten nadele van verdachte rekening mee zal houden, is te betreuren dat verdachte sinds het ongeval op geen enkele wijze contact heeft gezocht met het slachtoffer, te meer nu uit eerder genoemde slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer dit wel op prijs zou hebben gesteld.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 11 januari 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder met Justitie in aanraking is geweest vanwege overtreding van de Wegenverkeerswet.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 29 januari 2016 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

Uit de rapportage blijkt dat verdachte op allerlei levensgebieden problemen ondervindt, maar tevens dat het moeilijk is een relatie te leggen tussen haar problemen en het tenlastegelegde. Op grond van haar problematiek adviseert de reclassering toezicht met oplegging van bijzondere voorwaarden ter voorkoming van recidive in algemene zin.

6.4.

Hoofdstraf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal daarbij geen bijzondere voorwaarden opleggen, omdat op grond van de thans beschikbare gegevens geen relatie gelegd kan worden tussen het bewezen verklaarde feit en de bij verdachte bestaande problematiek.

6.5.

Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarnaast de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor na te noemen duur.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 90 (negentig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 45 dagen hechtenis, met bevel dat een gedeelte groot 50 (vijftig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 25 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. A. Warmerdam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 februari 2016.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf met nummer PL1100-2014111007-1 van 5 april 2015, p. 3-4.

3 Proces-verbaal van verhoor betrokkene met nummer PL1100-2014111007-3 van 12 juli 2014, p. 26.

4 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse met nummer 2014111007 van 13 augustus 2014, p. 8-19.

5 Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van 1 juni 2015, opgemaakt door [chirurg] , chirurg Waterlandziekenhuis te Purmerend.