Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1534

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4408
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kostendelersnorm van toepassing op aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Eiseres heeft een zorgbehoefte en woont samen met haar zoon. Artikel 22a van de Pw schrijft het SVB dwingendrechtelijk voor om in dat geval uit te gaan van de norm voor gehuwden. De wetgever heeft een situatie als die van eiseres en haar zoon uitdrukkelijk meegewogen en expliciet gekozen voor de invoering van een forfaitaire (vaste) norm. Het SVB heeft dan ook geen ruimte om een andere afweging bij zijn besluit te maken. Het beëindigen van de huurtoeslag van eiseres door de belastingdienst is eveneens een omstandigheid die verweerder niet in aanmerking kan nemen. Dat het gevolg van invoering van deze kostendelersnorm ertoe leidt dat eiseres en haar zoon mogelijk weer apart gaan wonen, wat (mogelijk) tot meer kosten ten laste van de algemene middelen kan leiden, zijn evenmin gevolgen die verweerder bij zijn besluit kan betrekken. Het SVB heeft verder op de juiste wijze de AOW-inkomsten van eiseres bij zijn beoordeling betrokken. Van een verschil met andere bijstandsgerechtigden is geen sprake, omdat bij iedere bijstandsgerechtigde waarbij de kostendelersnorm moet worden toegepast, het inkomen dient te worden meegerekend, ongeacht of dit bestaat uit volledige bijstand of aanvullende bijstand en andere inkomsten. De door eiseres gestelde ongelijke behandeling met AOW-gerechtigden doet zich ook niet voor.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/4408

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: R. Basgiet),

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

(gemachtigde: O.M.F. Vonk).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) van eiseres per 1 juli 2015 beëindigd.

Bij besluit van 27 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. Gemachtigde van eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt sinds juli 2009 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Omdat zij een aantal jaar in Suriname heeft gewoond, ontvangt zij 70% van het volledige pensioen voor een alleenstaande. Naast haar AOW-pensioen ontvangt eiseres een AIO-aanvulling. De zoon van eiseres woont sinds 2014 bij eiseres om haar te verzorgen.

1.2

In december 2014 heeft verweerder eiseres per brief geïnformeerd over de komende invoering van de kostendelersregeling voor de AIO-aanvulling. Deze regeling is per 1 juli 2015 van toepassing op de AIO-aanvulling van eiseres. Bij het primaire besluit heeft verweerder de AIO-aanvulling beëindigd op grond van de kostendelersregeling. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de beëindiging vervolgens ongegrond verklaard.

In deze zaak is de wetgeving zoals deze gold op het moment dat het bestreden besluit is genomen, van belang.

2.1

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Pw voor zover hier van belang, heeft een alleenstaande recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Op grond van het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

Op grond van artikel 47a, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, heeft verweerder tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een AIO-aanvulling aan alleenstaanden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt hier te lande en die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Op grond van artikel 47a, derde lid, van de Pw zijn de artikelen 11 en 19 van de Pw van toepassing op de uitvoering van deze taak door verweerder.

2.2

In het geval van eiseres wordt per 1 juli 2015 de bijstandsnorm vervolgens (mede) bepaald door toepassing van de zogeheten kostendelersnorm opgenomen in artikel 22a van de Pw:

1. Indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:

Hierbij staat:

• A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; en

• B voor de rekennorm.

2. De rekennorm, bedoeld in het eerste lid, is voor de belanghebbende:

(…)

c. die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, de norm voor gehuwden, bedoeld in artikel 22, onderdeel b.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de belanghebbende:

a. die gehuwd is en die niet met een of meer andere meerderjarige personen dan de echtgenoot in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, tenzij die echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft; of

b. die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt.

4. Tot de personen, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend:

a. de persoon die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt,

b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft,

c. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger, en

d. de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering kan bestaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering, de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en de persoon die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt.

5. Op verzoek van het college legt de belanghebbende de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b of onderdeel c, over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.

6. De norm voor gehuwden, op wie het eerste lid van toepassing is, is gelijk aan de som van de normen, bedoeld in dat lid, die voor ieder van de rechthebbende echtgenoten afzonderlijk van toepassing is.

Op grond van artikel 22 van de Pw onder b is de bijstandsnorm per kalendermaand

voor gehuwden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt per 27 augustus 2015, de datum van het hier bestreden besluit, € 1.476,40.

3.1

Eiseres voert – zakelijk weergegeven – tegen de beëindiging van haar AIO-aanvulling aan dat verweerder op basis van onjuiste uitgangspunten en met een onjuiste rekenmethode de kostendelersnorm heeft toegepast. Verweerder heeft ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat eiseres een kostenvoordeel heeft van € 300,- (het bedrag dat zij wordt gekort) door kosten met haar zoon te delen. De belastingdienst heeft vanwege het samenwonen met haar zoon de huurtoeslag reeds verlaagd, zodat op deze wijze al rekening is gehouden met het delen van de woonlasten. Verweerder heeft daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. In bezwaar heeft eiseres met stukken voorgerekend dat haar maximale voordeel € 75,63 per maand is. De zoon van eiseres is inmiddels ook gekort op zijn IOAW-uitkering. Volgens eiseres draagt verweerder de bewijslast voor het door hem gestelde kostenvoordeel. Door meer op de uitkering(en) te korten dan het daadwerkelijk kostenvoordeel bedraagt, pleegt de overheid diefstal.

3.2

Verder gaat verweerder volgens eiseres ten onrechte uit van de bijstandsnorm voor gehuwden en samenwonenden. Eiseres en haar zoon zijn niet gehuwd en zij hebben geen wettelijke zorgplicht voor elkaar. Verweerder heeft ook ten onrechte het AOW-pensioen van eiseres bij de berekening betrokken. Door de kostendelersnorm op het gehele inkomen toe te passen wordt eiseres 100% gekort op haar AIO-aanvulling, terwijl voor andere bijstandsuitkeringen een korting van 30% van toepassing zou zijn. Voor de AOW is invoering van de kostendelersnorm bovendien uitgesteld, zodat sprake is van rechtsongelijkheid tussen AOW’ers met en zonder een AIO-aanvulling. Tot slot stelt eiseres dat het toepassen van de kostendelersnorm ertoe leidt dat zij en haar zoon gestraft worden voor het samenwonen en dat zij daarom weer apart zullen moeten gaan wonen, zij beiden dan weer huurtoeslag krijgen en eiseres gebruik zal moeten maken van huishoudelijke hulp en thuiszorg van de gemeente. Hiermee zullen de overheidskosten toenemen, aldus eiseres.

4. Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat de wijze van de berekening van de kostendelersnorm in de Pw dwingendrechtelijk aan verweerder is voorgeschreven. Verweerder heeft niet de mogelijkheid om rekening te houden met het werkelijke kostenvoordeel van eiseres, maar dient een vaste norm toe te passen. De wetgever heeft voor een vaste norm gekozen in verband met het betaalbaar houden van het bijstandssysteem. Verweerder dient ook alle inkomsten van eiseres bij de berekening te betrekken, inclusief haar AOW. Omdat de AOW voorts een andere regeling betreft met een ander uitgangspunt, een opbouwverzekering voor een minimum inkomensvoorziening, dan de AIO, een bodemvoorziening, is er ook geen sprake van rechtsongelijkheid tussen AOW’ers met en zonder AIO-aanvulling.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres samen met haar zoon haar hoofdverblijf heeft in dezelfde woning en dat daarmee sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van de Pw. Voorts is geen sprake van één van de uitzonderingen als bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 22a van de Pw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiseres sprake is van kostendelers. Verweerder heeft vervolgens aan de hand van artikel 22a van de Pw het recht op bijstand in de vorm van een AIO-aanvulling op juiste wijze beoordeeld en dit in het bestreden besluit voldoende toegelicht. Artikel 22a van de Pw schrijft verweerder daarbij dwingendrechtelijk voor om, in een geval als dat van eiseres, uit te gaan van de norm voor gehuwden. Dat eiseres en haar zoon niet getrouwd zijn, maakt dat niet anders. Het gaat om het bedrag dat die norm vertegenwoordigt. Het toepassen van deze norm leidt er ook niet toe dat eiseres en haar zoon de juridische status van gehuwden krijgen zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft gesteld. Bij toepassing van de kostendelersnorm heeft verweerder verder geen ruimte om rekening te houden met de daadwerkelijk door eiseres en haar zoon gedeelde kosten. In de Memorie van Toelichting bij de invoering van de kostendelersnorm is verder uitdrukkelijk vermeld dat de kostendelersnorm ook geldt voor ouders die samenwonen met een meerderjarig kind, waarbij bij één van beiden sprake is van een zorgbehoefte (zie Kamerstukken 33801, nr. 3. Vergaderjaar 2013-2014, onder paragraaf 1.4).

5.2

De wetgever heeft aldus uitdrukkelijk situaties zoals die van eiseres en haar zoon meegewogen en voorts ook expliciet gekozen voor de invoering van een forfaitaire (vaste) norm. Verweerder heeft dan ook geen ruimte om een andere afweging bij zijn besluit te maken. Het beëindigen van de huurtoeslag van eiseres door de belastingdienst is eveneens een omstandigheid die verweerder niet in aanmerking kan nemen. Dat het gevolg van invoering van deze kostendelersnorm ertoe leidt dat eiseres en haar zoon zich gestraft voelen en mogelijk weer apart gaan wonen, wat (mogelijk) tot meer kosten ten laste van de algemene middelen kan leiden, zijn evenmin gevolgen die verweerder bij zijn besluit kan betrekken.

6.1

Verweerder heeft verder op de juiste wijze de AOW-inkomsten van eiseres bij zijn beoordeling betrokken. Van een verschil met andere bijstandsgerechtigden is geen sprake, omdat bij iedere bijstandsgerechtigde waarbij de kostendelersnorm moet worden toegepast, het inkomen dient te worden meegerekend, ongeacht of dit bestaat uit volledige bijstand of aanvullende bijstand en andere inkomsten. De door eiseres gestelde ongelijke behandeling met AOW-gerechtigden doet zich ook niet voor, reeds omdat van gelijke gevallen geen sprake is. Een AOW-gerechtigde met een volledig AOW-pensioen is niet gelijk te stellen met een AOW-gerechtigde die, zoals eiseres, wegens een aantal niet verzekerde jaren een gekort AOW-pensioen ontvangt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 23 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3109).

6.2

Eiseres heeft voorts nog betoogd dat de 30% korting op haar AOW-pensioen omdat zij in Suriname woonde onrechtmatig is, omdat Suriname destijds nog tot het Koninkrijk der Nederlanden behoorde. De rechtbank stelt vast dat deze korting wegens niet verzekerde jaren niet in deze zaak aan de orde is omdat verweerder daarover reeds eerder een besluit heeft genomen. Deze stelling kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank wijst eiseres daarbij nog op vaste jurisprudentie van de CRvB waaruit volgt dat het woonachtig zijn in Suriname vóór de onafhankelijkheid, niet meebrengt dat hiermee volledig recht op AOW is ontstaan (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1940 en 24 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2023).

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens , voorzitter, en mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. E.P.W. van de Ven, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. van Wees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.