Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1426

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1639
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wia, onvoldoende onderzoek naar duurzaamheid. Verweerder in bewijsnood door ontbreken machtiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/1639

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2016 in de zaak tussen

Coöperatieve Handelsvereniging [eiser] U.A., te [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: mr. R.P. Groot),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Alkmaar), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de heer [naam] (hierna: de ex-werknemer) per 1 december 2014 een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA-uitkering) toegekend.

Bij besluit van 2 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De ex-werknemer heeft geen toestemming verleend de medische informatie die zich in het dossier bevindt aan eiseres ter kennis te brengen. De rechtbank heeft vervolgens besloten op deze stukken artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen en deze stukken uitsluitend aan de gemachtigde van de eiseres ter kennis te brengen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2016. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is na voorafgaand bericht niet verschenen.

Overwegingen

1.1.

De ex-werknemer was van 1 december 2010 tot 1 december 2012 in dienst bij eiseres als zinkzetter voor 40 uur per week. Op 3 december 2012 heeft hij zich bij verweerder ziek gemeld.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de ex-werknemer per 1 december 2014 een WGA-uitkering toegekend. Gezien de medische beperkingen van de ex-werknemer zijn er geen functies te duiden en daarom wordt hij door verweerder 100% arbeidsongeschikt geacht.

1.3.

De ex-werknemer heeft de kennisneming van zijn medische gegevens aan eiseres niet toegestaan. Dit betekent dat de rechtbank de uitspraak zo dient te formuleren dat eiseres niet via deze uitspraak wordt geïnformeerd over de gezondheidssituatie van de ex-werknemer. Daarom zal alleen in algemene termen worden verwezen naar de klachten van de ex-werknemer.

2.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat hij, ingevolge artikel 47 van de WIA, met ingang van 1 december 2014 recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.

2.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

2.3.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in de uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

3. Eiseres stelt dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat onvoldoende is gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer niet duurzaam is. De ex-werknemer zal slechts één jaar gebruik maken van de WGA-uitkering alvorens hij een uitkering krijgt op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Omdat de ex-werknemer geen IVA-uitkering toegekend heeft gekregen, zal eiseres geconfronteerd worden met een verhoging van de gedifferentieerde premie.

4.1.

De rechtbank overweegt dat uit de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de primaire verzekeringsarts onduidelijk heeft aangegeven of verbetering van de medische situatie van de ex-werknemer wel of niet mogelijk is. De bezwaarverzekeringsarts acht het zinvol om verder onderzoek naar de (behandel)mogelijkheden te doen. Na telefonisch overleg met de ex-werknemer is haar echter gebleken dat de ex-werknemer weigert een machtiging te tekenen voor het opvragen van medische gegevens. Alhoewel de bezwaarverzekeringsarts haar standpunt niet met feiten kan onderbouwen dat in deze individuele situatie sprake is van een meer dan geringe kans op herstel, moet volgens haar worden aangenomen dat er een meer dan geringe kans op herstel is. Er zijn geen argumenten om aan te nemen dat er geen meer dan geringe kans op verbetering is. Bij het medische beeld van de ex-werknemer zijn er immers behandelmogelijkheden met een meer dan geringe kans op herstel. Dat bij complexe beelden de kans op herstel aanvankelijk als zeer gering moet worden gesteld is een algemeen standpunt dat niet van toepassing hoeft te zijn op de ex-werknemer en al zeker niet zolang er niet meer bekend is over de exacte aard van het ziektebeeld en de behandelmogelijkheden. De bezwaarverzekeringsarts concludeert dan ook dat de ex-werknemer niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dus niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

4.2.

De rechtbank overweegt voorts dat de door de bezwaarverzekeringsarts geuite verwachting niet gebaseerd is op een in 2.3. genoemde afweging. De enkele mededeling dat bij het medische beeld van de ex-werknemer behandelmogelijkheden zijn met een meer dan geringe kans op herstel en dat er geen argumenten zijn om anders aan te nemen, is in het licht van de onder 2.3. genoemde uitspraak geen toereikende onderbouwing. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd wegens strijd met het in artikel 7.12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. De omstandigheid dat, gezien de onduidelijke rapportage van de primaire verzekeringsarts en het ontbreken van een machtiging, de bezwaarverzekeringsarts mogelijk geen concrete en deugdelijke afweging kan maken van de feiten en omstandigheden die bij de ex-werknemer aan de orde zijn, dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van verweerder te komen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder de mogelijkheid om de ex-werknemer (tijdig) nader te (laten) onderzoeken, onbenut heeft gelaten.

5. Het beroep is gegrond. Gelet op het nog door verweerder te verrichten onderzoek bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Gelet op de eventuele onmogelijkheid van het te verrichten onderzoek acht de rechtbank de zaak evenmin geschikt voor toepassing van de bestuurlijke lus. Verweerder zal daarom worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 331,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, rechter, in aanwezigheid van

D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.