Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1344

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2226
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

CHW. Verlening omgevingsvergunning voor strijdig gebruik bestemmingsplan.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/2226, 15/2288, 15/2303 en 15/2495

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2016 in de zaken tussen

  1. [eiser 1] , te [woonplaats] , eiser sub 1
    (gemachtigde: mr. J. Hobo)

  2. [eiser 2] en [eiser 3] , te [woonplaats] , eisers sub 2
    (gemachtigde: mr. L. ten Velde)

  3. [eiser 4] en [eiser 5], te [woonplaats] , eisers sub 3

(gemachtigde: mr. N. Bakker)

4. [eiser 6] , te [woonplaats] , eiser sub 4

(gemachtigde: mr. L. Dolfing).

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] B.V., te [woonplaats] .

Als derde-partij heeft aan het geding tevens deelgenomen: de raad van de gemeente Heerhugowaard.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2015 heeft verweerder aan [derde belanghebbende] B.V. omgevingsvergunning verleend (het bestreden besluit) voor de activiteit het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van appartementen en commerciële ruimte op de locatie Acacialaan/Beukenlaan in Heerhugowaard.

Eisers hebben bij afzonderlijke brieven tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Namens eisers zijn verschenen [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 4] en [eiser 5] en [eiser 6] , bijgestaan door hun gemachtigden. [eiser 6] is bijgestaan door mr. L.I. Boes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door dr. [naam 1] , M.J. Ippel en mr. G.E. Oude Kotte. Dr. [naam 1] heeft ter zitting tevens de raad van de gemeente Heerhugowaard vertegenwoordigd. Namens derde-partij [derde belanghebbende] B.V. zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1. Op deze procedure is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing.

2.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in samenhang met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo.

2.2

Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), voor zover thans van belang, wordt, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

2.3

De rechtbank stelt vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Heerhugowaard Oost” de gronden waarop het bouwplan is beoogd zijn bestemd voor “Horeca”, “Verkeer” en “Maatschappelijk”.

2.4

De rechtbank stelt verder vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat het project in strijd is met het bestemmingsplan op het punt van de met het plan beoogde functies, te weten wonen en dienstverlening. De rechtbank volgt eiser sub 4 niet in zijn stelling dat niet helemaal duidelijk is of het plan zal voldoen aan de in het bestemmingsplan opgenomen hoogtematen dan wel of de omgevingsvergunning ook voorziet in een afwijking van die maten. Verweerder heeft in dat verband, onder verwijzing naar de aanvraag, de daarbij behorende tekeningen, de ruimtelijke onderbouwing alsmede de nota van beantwoording op de zienswijzen, afdoende gemotiveerd dat het bouwplan voorziet in een bouwwerk in een L-vorm met een lengte van 22,5 meter, een diepte van 20 meter, een oppervlakte van 2430 m² en een hoogte van maximaal drie bouwlagen, hetgeen onder de werking van het vigerende Bouwbesluit betekent dat het gebouw 11,5 meter hoog zal zijn. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een dergelijk bouwwerk niet met het bestemmingsplan in overeenstemming is; de onderhavige toestemming ziet derhalve ook daarop.

2.5

Nu het plan strijdig is met het bestemmingsplan, heeft verweerder, teneinde het plan niettemin mogelijk te maken, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo voor het project een omgevingsvergunning verleend.

2.6

Voor dit project is door de raad van de gemeente Heerhugowaard op 24 maart 2015 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Ter zitting hebben partijen desgevraagd bevestigd dat de door de gemeenteraad afgegeven verklaring van geen bedenkingen door hen niet wordt betwist. De rechtbank stelt dan ook vast dat aan het vereiste, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor is voldaan.

3.1

De ruimtelijke onderbouwing die aan de onderhavige toestemming ten grondslag ligt wordt gevormd door het rapport “Ruimtelijke onderbouwing Acacialaan Gemeente Heerhugowaard t.b.v. afwijking bestemmingsplan” van april 2014, opgesteld door DSO&A, Diepenmaat stedenbouwkundig ontwerp en advies. Van de ruimtelijke onderbouwing maken de bij het rapport behorende stukken, de nota van beantwoording zienswijzen, het bestreden besluit alsmede de door de raad van de gemeente Heerhugowaard afgegeven verklaring van geen bedenkingen tevens deel uit. In de ruimtelijke onderbouwing zijn de beleidsuitgangspunten voor planontwikkeling besproken, die zijn neergelegd in de “Ruimtelijke Visie Beukenlaan 2007” (hierna: Visie 2007). Verder is in de ruimtelijke onderbouwing beoordeeld of het plan past binnen het landelijk, provinciaal- en gemeentelijk beleid en is aandacht besteed aan stedenbouwkundige aspecten, verkeer en vervoer, groeninrichting, milieu- en omgevingsaspecten alsmede de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan.

3.2.1

Ten behoeve van de herontwikkeling van de onderhavige locatie heeft de raad van de gemeente Heerhugowaard op 27 november 2007 de Visie 2007 vastgesteld. De Visie 2007 bevat onder meer de uitgangspunten voor de ontwikkeling van de locatie Beukenlaan. In het document is de beoogde bebouwing ingetekend. Daarbij is aangegeven dat een maximale bebouwing van ongeveer 5280 m² is toegestaan.

3.2.2

Eisers sub 2, 3 en 4 stellen dat de verleende vergunning niet in overeenstemming is met de in de Visie 2007 opgenomen maximale bouwoppervlakte van ongeveer 5280 m². Deze oppervlaktebepaling moet zo worden uitgelegd dat 5280 m² de som vormt van de oppervlakte van de ter plaatse toegestane verdiepingen, aldus eisers.

3.2.3

De rechtbank volgt eisers niet. In de aan de verklaring van geen bedenkingen ten grondslag liggende stukken is expliciet ingegaan op de uitleg die eisers geven aan de in de Visie 2007 opgenomen maximaal toegestane bebouwing. Aangegeven is dat eisers niet kunnen worden gevolgd in hun uitleg en dat met de maximaal toegestane bebouwing van 5280 m² is gedoeld op de oppervlakte van de bebouwing die in 2007 reeds in het plangebied aanwezig was (de voormalige brandweerkazerne en de vier vrijstaande woningen) opgeteld bij de oppervlakte van de bebouwing die in de zogenaamde visievlek is ingetekend. Nog daargelaten dat naar het oordeel van de rechtbank voor de juistheid van de door eisers voorgestane uitleg in de Visie 2007 geen direct aanknopingspunt is te vinden, heeft de raad van de gemeente Heerhugowaard door het afgeven van de verklaring van geen bedenkingen expliciet de aanvaardbaarheid van het plan zoals dat is ingediend beoordeeld, dit in overeenstemming met de Visie 2007 geacht en – nog los daarvan – geoordeeld dat tegen het plan zoals dat is ingediend geen bedenkingen bestaan. Het betoog van eisers faalt derhalve.

3.3.1

Eiser sub 1 stelt dat ten onrechte omgevingsvergunning is verleend voor het bouwplan omdat voor een gebouw met drie bouwlagen onvoldoende draagvlak bestaat. Hij wijst er in dat verband op dat de burgemeester heeft toegezegd dat er draagvlak voor het plan moet bestaan. Er is verder een te beperkte uitleg gegeven aan de term draagvlak; de omstandigheid dat de raad van de gemeente Heerhugowaard de Visie 2007 heeft vastgesteld betekent immers niet dat deze ook met het onderhavige – concrete – bouwplan heeft ingestemd.

3.3.2

Aan het door eiser gestelde komt niet die betekenis toe die hij daaraan hecht. Daartoe is redengevend dat het bestreden besluit is genomen door het daartoe bevoegde orgaan. De opmerking van de burgemeester, die van het bevoegd orgaan onderdeel uitmaakt maar op zichzelf tot besluitvorming als de onderhavige niet bevoegd is, kan daaraan niet afdoen. Voorts kan niet worden gezegd dat de enkele omstandigheid dat de bewoners van de Acacialaan - zoals door eiser gesteld - van het plan geen voorstander zijn, maakt dat voor het plan geen draagvlak bestaat (in de gemeenschap). Niet is gebleken dat anderen dan de in deze procedure betrokken partijen tegen het besluit zijn opgekomen. De rechtbank overweegt voorts dat de raad van de gemeente Heerhugowaard niet alleen heeft ingestemd met de Visie 2007, maar, zoals ook volgt uit hetgeen hiervoor onder 3.2.3 is besproken, ook expliciet de aanvaardbaarheid van het onderhavige project heeft beoordeeld, hetgeen heeft geleid tot de bij besluit van 24 maart 2015 afgegeven verklaring van geen bedenkingen.

3.4.1

Eisers stellen verder dat het plan niet voorziet in de minimale behoefte aan parkeerplaatsen. Verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat 50 parkeerplaatsen in de omgeving beschikbaar zijn. Of de parkeerplaatsen op het terrein van Aldi beschikbaar blijven is immers maar de vraag en de ongeveer 15 parkeerplaatsen op het terrein van De Brink en de Ontmoetingskerk, zijn bij deze instanties frequent in gebruik. De aanvraag is derhalve niet in het belang van een goede ruimtelijke ordening, aldus eisers.

3.4.2

In de voor het gebied opgestelde parkeerbalans, waarin ook rekening is gehouden met de parkeerbehoefte van andere voorzieningen (de vier woningen aan de Acacialaan, de woningen en bedrijven aan de Middenweg en het Centrum voor Jeugd en Gezin aan de Taxuslaan) in het plangebied dan de onderhavige beoogde appartementen en commerciële ruimte, is de totale gemiddelde parkeerbehoefte berekend op 134 parkeerplaatsen, te weten minimaal 107 en maximaal 160 parkeerplaatsen. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat het plan voorziet in 77 parkeerplaatsen, waarvan 31 op eigen terrein en 46 in openbaar gebied langs de ontsluitingswegen. Ter zitting is bovendien aangegeven dat er binnen de grenzen van het plangebied zelf nog zes extra parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Daarnaast zijn in de omgeving in de avonduren bij Aldi aan de Genestetlaan 30 plaatsen beschikbaar en in de Taxuslaan 20 parkeerplaatsen. Dit betekent dat in het plangebied en in de omgeving 133 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Nu daarmee wordt voorzien in de minimale parkeerbehoefte en tevens nagenoeg aan de totaal gemiddelde parkeerbehoefte, ziet de rechtbank geen grond om aan de uitvoerbaarheid van het onderhavige plan te twijfelen. Met toekomstige gebeurtenissen als een mogelijke verhuizing van Aldi naar elders – eisers sub 3 refereren hieraan - behoefde verweerder niet zonder meer rekening te houden. De door eisers overgelegde parkeeronderzoeken, beide uitgevoerd door Rijcurve.nl, doen aan het voorgaande niet af. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. In het onderzoek van 9 september 2014 is gesteld dat het niet logisch is de parkeerplaatsen bij Aldi aan het plan toe te rekenen omdat deze te ver van het onderhavige bouwplan zijn gelegen en Aldi deze plekken tijdens de maatgevende koopavond zelf nodig heeft. De rechtbank ziet met verweerder niet in waarom in redelijkheid niet van dubbelgebruik van de bestaande parkeerplaatsen zou mogen worden uitgegaan. Het onderzoek van 12 augustus 2015 ziet voorts met name op de feitelijke inrichting van parkeervakken en wegen in het gebied rond het onderhavige bouwplan, hetgeen hier niet aan de orde is. Het betoog van eisers slaagt derhalve niet.

3.5.1

Eisers sub 3 stellen verder dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de beleidsnotitie “Inritten Gemeente Heerhugowaard 2009”. Op grond van die notitie zijn nieuwe inritten immers niet toegestaan op het gedeelte van de Beukenlaan, gelegen tussen de Oosttangent en de Middenweg. Eiser sub 4 stelt grote verkeersproblemen te verwachten als de ontsluiting naar de Taxuslaan wordt verplaatst.

3.5.2

Anders dan eisers sub 3 en met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van een nieuwe inrit geen sprake is omdat de bestaande inrit slechts wordt verplaatst. Van strijd met de genoemde beleidsnotitie is derhalve geen sprake. In de door eiser sub 4 geuite verwachting heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de gevraagde vergunning niet te verlenen, reeds omdat deze niet wordt onderbouwd. Tegen eventuele problemen die ontstaan door de uitvoering van de verplaatsing van de inrit zal verweerder, al dan niet handhavend, moeten optreden.

3.6.1

Eisers sub 1 en 3 stellen dat verweerder met het besluit geen rekening heeft gehouden met de belangen van de omwonenden. Eiser sub 1 stelt in dat verband dat hij belang heeft bij een vrij uitzicht en dat dit belang door verweerder ten onrechte niet in de afweging is betrokken. Eisers sub 3 stellen dat het overleg dat omwonenden met de vergunninghouder hebben gehad, niet heeft geleid tot significante aanpassingen van het plan.

3.6.2

Eisers kunnen in hun betoog niet worden gevolgd. Het bestreden besluit, de ruimtelijke onderbouwing en de stukken die daarvan onderdeel uitmaken, getuigen van een door verweerder gemaakte belangenafweging. Het dossier en het verhandelde ter zitting geven voorts blijk van een lange voorgeschiedenis van het onderhavige bouwplan waarbij veelvuldig overleg, ook met omwonenden, heeft plaatsgevonden. Dat dit niet heeft geleid tot significante aanpassingen van het plan, maakt niet dat een belangenafweging niet heeft plaatsgevonden.

Onder verwijzing voorts naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1819, kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. Verweerder kan, op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat aan een geldend bestemmingsplan blijvende rechten kunnen worden ontleend waardoor niet van het bestemmingsplan mag worden afgeweken. Hieruit volgt ook dat eiser sub 1 geen aanspraak kan maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit zijn woning, ook niet als het geldende bestemmingsplan ter plaatse geen bebouwing of bebouwing van geringere afmetingen toestaat. Het betoog van eisers faalt.

3.7.1

Eisers sub 3 stellen verder dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. In 2007 heeft de raad na een daartoe ingediende zienswijze immers de Visie 2007 verduidelijkt, in die zin dat is aangegeven dat de totale bouwmassa ongeveer 5280 m² bedraagt, te verdelen over drie bouwlagen. Van deze concrete ondubbelzinnige toezegging is verweerder thans geheel afgeweken.

3.7.2

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Zoals ook hiervoor is overwogen onder 3.2.3 heeft de raad van de gemeente Heerhugowaard door het afgeven van de verklaring van geen bedenkingen expliciet de aanvaardbaarheid van het plan zoals dat is ingediend beoordeeld, dit in overeenstemming met de Visie 2007 geacht en – nog los daarvan – geoordeeld dat tegen het plan zoals dat is ingediend geen bedenkingen bestaan. Het staat de raad daarbij vrij om, voor zover dit al het geval zou zijn, af te wijken van een door de raad in 2007 ingenomen standpunt.

3.8.1

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

3.8.2

Ten aanzien van de stelling van eiser sub 1 dat het besluit is genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) omdat niet is gebleken dat de beoogde commerciële ruimtes voorzien in een actuele regionale behoefte, overweegt de rechtbank als volgt.

3.8.3

Verweerder heeft in de ruimtelijke onderbouwing, onder verwijzing naar de Visie 2007, aangegeven dat als uitgangspunt voor de ontwikkeling voor het plangebied heeft te gelden dat de ontwikkeling van publiekgerichte functies gezien de ligging van de locatie ten opzichte van Centrumwaard en de Beukenlaan wordt aangemoedigd. Ook in de aan de verklaring van geen bedenkingen ten grondslag liggende stukken is opgenomen dat de functies wonen (in appartementen) en commerciële dienstverlening vooral zijn gewenst in de bestaande stad en nabij andere voorzieningen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de commerciële ruimtes niet zijn bedoeld voor detailhandel maar alleen voor zelfstandige kantoorruimtes en consument verzorgende bedrijven, welke invulling ook voorziet in de behoefte van de bewoners van de bovengelegen nultredenwoningen, te weten woningen voor senioren en mensen met een lichte lichamelijke functiebeperking(en). Verweerder heeft daar verder aangegeven dat Heerhugowaard een groeigemeente is en dat er van daaruit ook vraag naar commerciële dienstverlening bestaat. Het onderhavige plan ziet verweerder in dat verband als een waardevolle aanvulling. Ook in de praktijk is belangstelling gebleken voor de huur van de commerciële ruimtes; deze zijn geheel verhuurd, althans er zijn opties genomen, aldus verweerder. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd dat het hier bedoelde plan voorziet in een actuele regionale behoefte. Met de enkele stelling van eiser sub 1 dat van een actuele regionale behoefte geen sprake is, heeft hij het standpunt van verweerder onvoldoende weersproken. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding voor een andersluidend oordeel

3.9

Resumerend ziet de rechtbank in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid toestemming heeft kunnen verlenen voor het met het bestemmingsplan strijdig gebruik. De door verweerder verleende omgevingsvergunning blijft derhalve in stand.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. S. Slijkhuis en
mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.