Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1286

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
15/872327-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; twee drugstransporten onder de dekmantel van een bloemenhandel. Daarnaast veroordelingen voor de WWM en een vals paspoort. Gebruik van versluierd taalgebruik in de tap-gesprekken en de ping-berichten. Verdachte heeft tevens gebruik gemaakt van een één op één telefoon met de medeverdachte en heeft gebruik gemaakt van een valse naam in dat contact.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/872327-14

Uitspraakdatum: 12 februari 2016

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 januari 2016 en 29 januari 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Colombia),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Visser en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

[ZD C.1: Invoer ca. 5 kilogram cocaïne in een partij rozen]

hij op of omstreeks 07 februari 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 5.101 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2:

[ZD C.2: Invoer ruim 28 kilogram cocaïne in een partij rozen]

hij op of omstreeks 22 september 2014 op de luchthaven Maastricht-Aachen Airport, althans in de gemeente Beek, en/of te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 28.794,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 3:

[ZD C.7: Bezit vals Costaricaans paspoort]

hij in of omstreeks de periode van 07 februari 2015 tot en met 08 februari 2015 te Haarlem in het bezit is geweest van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Costa Rica, ten name van [alias], geboren op [geboortedatum], van welk reisdocument hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het vals of vervalst was;

Feit 4:

[ZD C.6: Voorhanden hebben pistool, munitie en stroomstootwapens in de woning]

hij in of omstreeks de periode van 07 februari 2015 tot en met 08 februari 2015 te Haarlem

- een wapen van categorie III onder 1, te weten een pistool (merk: Makarov) en/of

- munitie van categorie III, te weten 39, althans één of meer, kogelpatronen en/of

- twee, althans één, wapen(s) van categorie II onder 5: te weten: twee, althans één, stroomstootwapen(s)

voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 en feit 2. Ten aanzien van feit 3 en feit 4 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde op grond van het volgende.

Op 7 februari 2015 komt op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een zending rozen binnen. De zending is afkomstig van het bedrijf [rozenbedrijf] uit Ecuador en is bestemd voor het bedrijf [bedrijf van medeverdachte], gevestigd op het adres [adres] te Noordwijk (de rechtbank begrijpt: Haarlem).2 Deze zending bloemen wordt gecontroleerd en er wordt 5.101 gram cocaïne aangetroffen.3 [bedrijf van medeverdachte] betreft een eenmanszaak met het adres [adres] te Haarlem, waarvan medeverdachte [medeverdachte] de eigenaar is.4 Medeverdachte [medeverdachte] heeft deze zending rozen voor verdachte [verdachte] besteld. Verdachte [verdachte] is de persoon die contact houdt met [betrokkene 3] over de zending.5 Verdachte [verdachte] heeft ook op 19 januari 2015 en 30 januari 2015 rozen geïmporteerd vanuit Ecuador via medeverdachte [medeverdachte].6 In deze zendingen zijn geen verdovende middelen aangetroffen.7 Medeverdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] zijn op 20 januari 2015 samen naar de bloemenveiling in Aalsmeer geweest.8

(Onder meer) in de periode 22 januari 2015 tot en met 7 februari 2015 hebben medeverdachte [medeverdachte] ([telefoonnummer) en verdachte [verdachte] ([telefoonnummer]) telefonische contacten.9Dit nummer van verdachte [verdachte] heeft uitsluitend contact met het nummer van medeverdachte [medeverdachte].10

Op 22 januari 2015 stuurt medeverdachte [medeverdachte] aan verdachte [verdachte] het bericht: ‘Vriend dat kom wat voor deze weekend’, waarop verdachte [verdachte] antwoordt: ‘Ja normal’. Op 25 januari 2015 bericht verdachte [verdachte] aan medeverdachte [medeverdachte] dat ‘het kom deze week niet’ maar ‘vanaf aankomende vrijdag wel. Gewoon door.’11

Op 31 januari 2015 om 15.19 uur wordt medeverdachte [medeverdachte] gebeld door Matthijs, medewerker van het bedrijf [naam] Logistik B.V. Matthijs geeft de status door van een zending van 10 dozen: de plaat waar die 10 dozen ook op staan is door de Koninklijke Marechaussee in beslag genomen om te worden gecontroleerd door de Douane, omdat een hond iets geroken schijnt te hebben. Matthijs deelt mee dat dit dus zorgt voor een kleine vertraging maar dat hij hoopt dat hij de zending vanavond of vannacht bij medeverdachte [medeverdachte] kan neerzetten.12

Enkele minuten na dit gesprek, op 31 januari 2015 om 15.25 uur, stuurt medeverdachte [medeverdachte] een sms-bericht naar verdachte [verdachte]: ‘vriend, vraag ze heb niks gedaan.’

Om 15.58 uur belt verdachte [verdachte] ([verdachte]) naar medeverdachte [medeverdachte] ([medeverdachte]) en het volgende wordt in het gesprek gezegd:
[verdachte]: Ja wat is er
[medeverdachte]: Zij heb, vragen he zij heb niks, niks gedaan he toch?
[verdachte]: Eeh nee? waarom?
[medeverdachte]: Nou het is toch nou nu al bij de douane he, ja.
[verdachte]: Ja. Hmm. Nee maar volgens, volgens mij niet, ik heb ze gewoon duidelijk gezegd. Het is gewoon, het is gewoon misschien eehja, vervelend doen.
[medeverdachte]: oke
[verdachte]: Maar eeh, nou je hoeft niet dik, druk te maken hoor want eeh ik ben heel duidelijk geweest.
[medeverdachte]: Hmm hmm.
[verdachte]: Ik ben al aan eh aan het schrijven. Laten we gewoon even. Ja.
[medeverdachte]: Ja ja die eeh jongens, die jongens bel mij. Maar zeggen nou dat is eeh
[verdachte]: Ja
[medeverdachte]: Dat is bij de eeh heb ik net gezegd.
[verdachte]: Ja. oke nou ik eh ik eh bel en ik ga even kijken en ik laat je zometeen even weten oke13

Na het telefoongesprek stuurt medeverdachte [medeverdachte] naar verdachte [verdachte] om 16.33 uur het volgende bericht: ‘Vriend je weet of niet met of zonde’. Verdachte [verdachte] stuurt de volgende berichten terug: ‘Ik kan ze niet bereiken maar, ik zei zonder. ’t moet zonder’ (om 16.34 uur) en (om 17.01 uur) ‘Zonder. Maak je niet druk.’

Om 17.32 uur wordt medeverdachte [medeverdachte] gebeld door Matthijs, medewerker van het bedrijf [naam] Logistik B.V., dat de 10 dozen zijn vrijgegeven.

Om 17.35 uur stuurt medeverdachte [medeverdachte] aan verdachte [verdachte] het volgende bericht: ‘Vriend dat is goed je kom morgen voor 11 uur ok’. Om 17.49 uur ontvangt medeverdachte [medeverdachte] het volgende bericht van verdachte [verdachte]: ‘Oke tot morgen.’

Op 1 februari 2015 stuurt verdachte [verdachte] aan medeverdachte [medeverdachte] het volgende bericht om 10.44 uur: ‘Ik ben om 11 uur precies bij je auto aan het wachten. Tot zo.’ Hierop antwoordt medeverdachte [medeverdachte] met ‘ok’.

Op 1 februari 2015 stuurt verdachte [verdachte] aan medeverdachte [medeverdachte] het bericht: ‘tien dubbel’.

Op 6 februari 2015 om 12.15 uur stuurt medeverdachte [medeverdachte] het volgende bericht naar verdachte [verdachte]: ‘Vriend alles goed ik heb nog niks gezien van de vlucht’. Verdachte [verdachte] stuurt medeverdachte [medeverdachte] om 13.15 uur het volgende bericht terug: ‘Het komt goed. Later in de dag zeker’. Medeverdachte [medeverdachte] stuurt dan weer om 15.48 uur het volgende bericht terug: ‘Vriend, wet je wat’. Verdachte [verdachte] stuurt om 15.50 uur het volgende antwoord: ‘Maak je niet druk. Het word vaandag maar ik weet niet hoe laat. Denk ik na vijf uur’. En om 19.12 uur stuurt [verdachte] medeverdachte [medeverdachte] het volgende bericht: ‘Goeie avond vriend. Alles is orde’.

Op 7 februari 2015 stuurt verdachte [verdachte] om 12.42 uur het volgende bericht naar medeverdachte [medeverdachte]: ‘Goeie dag vriend. Om hoe laat weten we iets? Laat me weten aub’. Medeverdachte [medeverdachte] stuurt om 12.45 uur het volgende antwoord: ‘Voor 6 uur vanmiddag’. Om 16.29 uur stuurt verdachte [verdachte] het volgende bericht: ‘Nog geen nieuws?’. Medeverdachte [medeverdachte] antwoordt om 16.44 uur het volgende: ‘Geen nieuws dus goed nieuws wij moet nog wachten ik hoor niks dat is goed dus morgen 11 uur’.14

Op een telefoon van verdachte [verdachte] – een Blackberry met nummer [telefoonnummer], die tijdens zijn aanhouding d.d. 7 februari 2015 in de woning op de [adres] te Haarlem is aangetroffen - staat een verwijderd ping-gesprek in de periode 19 januari 2015 tot en met 7 februari 2015 tussen Real Madrid en Arte(cuadorsa), welk gesprek door verbalisanten is hersteld.15 Real Madrid is de pingnaam van verdachte [verdachte] en [betrokkene 3] en Arte zijn dezelfde persoon.16

Arte pingt op 25 januari 2015 aan verdachte [verdachte]: ‘Ik wilde dat deze week gelijk doen vriend maar jij stond erop dat het niet kon dat het komende week moet en anders moet je ernaar kijken…lees het gesprek nog eens want voor mij is het beter om in één keer met alles te gaan (alles te doen) maar kijk, de dagen gaan voorbij en de investering is moeilijk/zwaar.

Verdachte [verdachte] antwoordt: ‘Ja vriend, twee zonder, maar het is het beste vriend’, waarop Arte antwoordt: ‘Het is het veiligste’.

Op 28 januari 2015 pingt Arte naar verdachte [verdachte]: ‘Heeft de Mr (sr = senor) de dozen ontvangen en wat vond hij van de kwaliteit? Het is goed als ik commentaar kan krijgen behalve het nieuws dat er was.’

Verdachte [verdachte] antwoordt: ‘Goed ik zeg hem dat hij jou/hem morgen moet schrijven, maar alles zag (er) goed uit, hij heeft het niet over klachten met mij gehad.’

Op 1 februari 2015 stuurt Arte verdachte [verdachte] het volgende bericht: ‘Ok vriend laat me zo snel mogelijk weten want ik moet de middelen vandaag voor negen uur afgeven (achter laten) voor deze, wel zo'n belangrijke week’. Later die dag stuurt verdachte [verdachte] hem het volgende bericht: ‘Vriend voor de ped (? Pedido=bestelling) van volgende week hoeveel moet ik in de mail zetten’. Arte antwoordt hem het volgende: ‘Er zullen gaan 10 vol.’17

Later op 1 februari 2015 pingt verdachte [verdachte] aan Arte: ‘Dat het deze keer alleen door de tv is gegaan, ze hebben niets opengemaakt zoals vorige keer’.

Op 6 februari 2015 stuurt Arte naar verdachte [verdachte] het volgende bericht: ‘Dit is de belangrijkste dag van alles. Als het vandaag oke is dan is alles oke.’ Verdachte [verdachte] antwoordt het volgende: ‘Ja mr, ik ben ---niet te vertalen---- (ik hou het nog net vol/ik kan het nog net aan) hahahahaha’. Om 15.57 uur ontvangt verdachte [verdachte] het volgende bericht van Arte: ‘Er zijn veel dozen vriend deze dagen zijn vreselijk.’ Verdachte [verdachte] vraagt Arte of hij ‘Al de e-mail naar de mr heeft verstuurd’, waarop Arte bevestigend antwoordt. Om 19.11 uur stuurt Arte het volgende ping-bericht naar verdachte [verdachte]: ‘Ik weet om zes uur of hij/zij/het vertrokken is’ en om 19.13 uur ‘vingers kruisen. Verdachte [verdachte] stuurt daarop het volgende bericht: ‘Vriend, vingers, handen voeten kont.18 Later op de avond stuurt Arte het volgende bericht naar verdachte [verdachte]: ‘Hij/zij zal de opti checken om te weten hoeveel en andere gegevens (informatie) denk eraan dat de kinderen vijf zijn.’ Verdachte [verdachte] antwoordt het volgende: ‘Ja Mr’ en ‘Heb je nu iets nieuws voor mij achtergelaten’. Op 7 februari 2015 stuurt Arte het volgende bericht naar verdachte [verdachte]: ‘Ik laat jou over 5 weten of de vogel (pajaro) al hier (in de buurt) is’.19

Op 9 februari 2015 stuurt [betrokkene 3] het volgende bericht aan verdachte [verdachte]: Wat droevig dat Real verloren heeft?20

3.3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde op grond van het volgende.

Op 22 september 2014 komt op de luchthaven Maastricht-Aachen Airport een zending bloemen binnen. De zending is afkomstig van het bedrijf [rozenbedrijf] uit Colombia en bestemd voor het bedrijf [bedrijf van medeverdachte], gevestigd op het adres [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres]) te Haarlem.21 Deze zending bloemen wordt gecontroleerd en er wordt 28.794,50 gram cocaïne aangetroffen.22 [bedrijf van medeverdachte] betreft een eenmanszaak, waarvan medeverdachte [medeverdachte] de eigenaar is.23 Op 15 september 2014 wordt er € 6.000,- gestort op de zakelijke rekening van [bedrijf van medeverdachte]. De volgende dag wordt € 6.000,- overgemaakt naar [eigenaar rozenbedrijf].24

In de periode 10 juni 2014 tot 25 september 2014, met uitzondering van de periode 8 juli 2014 tot met 29 juli 2014, is er meerdere keren per week contact tussen de telefoon van medeverdachte [medeverdachte]25 en het nummer [telefoonnummer].26 Dit nummer behoort toe aan verdachte [verdachte] en dit nummer wordt door verdachte uitsluitend gebruikt voor contact met het nummer van medeverdachte [medeverdachte].27

Op 6 september 2014 stuurt verdachte [verdachte] een bericht naar medeverdachte [medeverdachte] met de volgende tekst: ‘Ja alles gaat de goeie kant. Ik heb een detail om te regelen en dan zijn we klaar te gaan. Ik ben hard bezig’.

Op 14 september 2014 stuurt verdachte [verdachte] aan medeverdachte [medeverdachte] het volgende bericht: ‘Ze zeiden eind van de week begin van de andere. Het kan op elk moment zijn.’

Op 18 september 2014 stuurt medeverdachte [medeverdachte] aan verdachte [verdachte] het volgende bericht: ‘Hey vriend ik hoor niks van jou dat is een probleme thx’. De volgende dag stuurt hij wederom een bericht naar verdachte [verdachte] met de tekst: ‘Vriend jij wil nog ja of ne thx’. Op 20 september antwoordt verdachte [verdachte] het volgende: ‘Hoi. Hij is alle laste details aan het regelen zei hij gisteren. Ze moesten iets veranderen op laste moment. Sorry het is bijna het moment’.

Op 25 september 2014 stuurt medeverdachte [medeverdachte] naar verdachte [verdachte] het volgende bericht: ‘Hallo vriend geen nieuws’. Verdachte [verdachte] antwoordt als volgt: ‘Raar. Hij zei deze week. Laten we nog even wachten tot morgen. Anders bel ik weer om te vragen’.

Het eerstvolgende sms-contact is weer op 14 oktober 2014. Dan stuurt verdachte [verdachte] medeverdachte [medeverdachte] het volgende: ‘Ik schaam me zo erg. Ik begrijp de mensen niet. Hij zegt om geduld te hebben maar ik weet niet wat te doen. Sorry voor de lange wacht’. Op 27 oktober 2014 stuurt hij hem weer een bericht met de volgende tekst: ‘Hallo vriend. Ik weet dat het heeft heel lang geduurd dat deze wacht is heel vervelend maar geloof me het is voor echte reden, ik ben niet onserieus. We moeten zeker zijn en alles is moeilijk daar geworden. Ze vragen om geduld te hebben.lk ga je belonen als je op me wilt wachten. Kan of niet? dank je voor alles’. Op 12 november 2014 stuurt verdachte [verdachte] medeverdachte [medeverdachte] het volgende bericht: ‘Hallo vriend. De dingen gaan wel better ik hoop jou snel blij maken. Geduld aub.’ Op 7 december 2014 stuurt verdachte [verdachte] het volgende aan medeverdachte [medeverdachte]: ‘Goeie avond vriend. sorry voor de tijdstip. Jou info was niet compleet, zou je aub nog een keer checken en de restant door geven aub.’ De volgende dag schrijft medeverdachte [medeverdachte] het volgende aan verdachte [verdachte]: ‘Vriend alles is weg’.28

Op een telefoon van verdachte [verdachte] – een Blackberry met [telefoonnummer] die tijdens de aanhouding van verdachte [verdachte] d.d. 7 februari 2015 in zijn woning op de [adres] te Haarlem is aangetroffen - staat een verwijderd ping-gesprek in de periode 21 augustus 2014 tot en met 1 oktober 2014 tussen Real Madrid en [betrokkene 3], die door verbalisanten is hersteld.29 Real Madrid is de pingnaam van verdachte [verdachte].30 Onder meer de volgende berichten zijn gedurende dit pinggesprek gestuurd:

Op 31 augustus 2014 stuurt verdachte [verdachte] (Real Madrid) een bericht naar [betrokkene 3]: ‘Goedendag vriendje Hoe gaat het?? Hoe gat het met alles? Geef me nieuws vriendje, vertel me want de schooolvriend heeft mij gebeld om mij te vragen of wij al iets weten.’

Op 2 september 2014 stuurt verdachte [verdachte] wederom een bericht naar hem: ‘Wat is er gebeurd vriendje....ik heb op jou zitten wachten Vertel mij iets? Vriend, ik moet weten of het ja is, voor wanneer, de schoolvriend van hier wordt moe van het wachten en ik kan geen excuses (redenen) meer verzinnen. Wat moet ik hem zeggen?’ Op dezelfde dag schrijft [betrokkene 3] het volgende: ‘Zeg hem ja vriend…maar de waarheid is dat er wat dingen tussen zitten die hij/jij oa (?) duidelijk moet maken. Naast al datgene wat wij al besproken hebben? Dat van de verplichtingen (aan de afspraken houden)? We moeten wat dat betreft serieus zijn vriend .... bovendien kan je de middelen niet meer aan de tantes meegeven. ... dat is heel hot geworden ... je moet een bedrijf zoeken die mij tot daarginder brengt (mij helpt om tot daarginder te komen) .... als het moet naar de hoofdstad (al is het maar naar de hoofdstad) We zijn daar best wel ongerust over want waarom doe je zoveel moeite en dat het dan daar stil blijft staan’. Later die dag stuurt [betrokkene 3] nog het volgende bericht: ‘(…) Drie van de tantes zijn gevallen en hebben mij in gevaar gebracht (risico's voor mij gebracht). En dat is niet alles mijn vriend, daar waar jij bent doen zich verschillende problemen voor… en dat is niet uit te houden vriend want wij willen geen problemen.’ Op 2 september 2014 antwoordt verdachte [verdachte]: ‘Ik zal daarvoor een oplossing voor je zoeken. Deze dingen overkomen jou altijd als je met andere mensen dingen doet, zie je nu wel? Ik heb weleens lang erover gedaan maar ik heb jou nooit problemen bezorgd.’

Op 4 september 2014 schrijft verdachte [verdachte] het volgende aan [betrokkene 3]: ‘Vriend start de motor maar alvast, bijna.’

Op 8 september 2014 stuurt verdachte [verdachte] dit bericht naar [betrokkene 3]: ‘Vriendje goed, ik heb al iemand gevonden. Het kost 14 (goed 14)’. Diezelfde dag stuurt [betrokkene 3] verdachte [verdachte] het volgende: ‘ OK en hoe zal het zijn’. [verdachte] antwoordt: ‘Zoals jij wilt. Hand in hand (ieder de helft). Ze geven hem/jou daarginder in dat van van daar wel in één keer, dat wel.’ [betrokkene 3] antwoordt: ‘Owww goed daar kan ik in komen. Dus ik ga verder si (als/ja) jou/hem aan de voorwaarden van onze handel te herinneren ... weet je het nog?’ Verdachte [verdachte] schrijft het volgende terug: ‘Ja mr. Alles natuurlijk Jij weet die van mij ook vriend Dat jij zijn/haar toelatingsexamen afneemt en dat ze hele goede cijfers halen. Alles. Iedereen.’

Op 9 september 2014 stuurt verdachte [verdachte] het volgende bericht naar [betrokkene 3]: ‘Nee, ik heb reeds daarvoor gezorgd dat het mij niet nog een keer overkomt, ik heb hem/jou goed uitgelegd, maar het zal niet nog een keer gebeuren. Goed vriend, de bal is nu aan jouw kant? Ik heb jou al het balletje gegeven. Ik ben klaar.’ [betrokkene 3] schrijft het volgende terug: ‘(…). De test in vijftien dagen.’

Op 15 september 2014 stuurt verdachte [verdachte] aan [betrokkene 3] het volgende pingbericht: ‘Vriendje, goedenmiddag. Hoe gaat het??? Vriendje wanneer kan de mr (meneer) de presentatie verwachten ???’
[betrokkene 3]: ‘Hij zal moeten wachten vriend oefen geen druk op mij, ik ben daarmee bezig, blijf kalm want de dingen zijn op de geode weg.’
Verdachte [verdachte]: ‘Het is niet druk uitoefenen vriend, begrijp me niet verkeerd, ik vraag je alleen omdat... jij weet wel dat we alles op tijd en rustig moeten doen om een goed resultaat te krijgen (het goed blijft), je bent twee weken verder voordat die brieven verstuurd en beantwoord worden, en van datgene wat jij mij gezegd hebt is dat jouw schema, twee weken, ik wil alleen alvast alles organiseren. Goed (=bien).

[betrokkene 3] antwoordt: ‘Ok’.

Op 16 september 2014 stuurt [betrokkene 3] het volgende bericht naar verdachte [verdachte]: ‘Ok Het is dat ik niet eens een dienstverlener/leverancier heb vriend’. Verdachte [verdachte] antwoordt: ‘Kut vriend hoezo??? En denk je dat het veel tijd gaat nemen????’

Op 22 september 2014 hebben verdachte [verdachte] en [betrokkene 3] de volgende ping-conversatie.
Verdachte [verdachte]: ‘Goed vriend ik heb heel veel zin hier.’
[betrokkene 3]: ‘Ja vriend we zijn allemaal zo.’
Verdachte [verdachte]: ‘Allen hier in het team van de leraren we hebben echt veel zin om met de cursus te beginnen. Alle gebieden zijn reeds gedekt om alles te versnellen…..iedereen heeft zijn eigen gebied van expertise’.
Verdachte [verdachte]: ‘Ja mr (meneer)… Vriend, kan de meneer van de school deze week een bericht verwachten??? Of zijn we nog niet klaar?? Het is namelijk dat ik hem liet weten ..... bijna zover ... toen jij (u) tegen mij zei dat je het proeftentamen deze week zou maken en hij/jij vraagt mij wat er gebeurd is.’
[betrokkene 3]: ‘Ja deze week stuur ik jou en presentatie brief.’

Verdachte [verdachte] op 25 september 2014 aan [betrokkene 3]: ’Vriend, lukt de brief jou deze week wel?’31

3.3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2015, zaaksdossier C.7, dossierpagina’s 14-15.

3.3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 4 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 31 maart 2015, zaaksdossier C.6, dossierpagina’s 28-29;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 20 maart 2015, zaaksdossier C.6, dossierpagina’s 35-36;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 20 maart 2015, zaaksdossier C.6, dossierpagina’s 44-45;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 2 maart 2015, zaaksdossier C.6, dossierpagina 52.

3.4.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 en feit 2

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit, nu niet bewezen kan worden dat verdachte opzet heeft gehad op de invoer van de cocaïne. De inhoud van de ping-berichten met [betrokkene 3] en de sms-berichten met medeverdachte [medeverdachte] bieden onvoldoende aanknopingspunten om tot het bewijs te komen dat verdachte opzet had. De inhoud van de berichten die [betrokkene 3] heeft gestuurd aan verdachte kan hem niet worden tegengeworpen. Verdachte is niet verantwoordelijk voor de berichten van [betrokkene 3]. Verdachte heeft uitvoerig uitleg gegeven over alle ping- en sms-berichten. Vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsman.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman ook vrijspraak bepleit, omdat verdachte niet betrokken is bij de zending van 22 september 2014. Er is op geen enkele wijze aangetoond en aannemelijk geworden dat de sms-berichten tussen medeverdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] in de periode 13 juni 2014 tot en met 8 december 2014 wijzen en betrekking hebben op de zending rozen van 22 september 2014. De inhoud van de berichten is daar onvoldoende concreet voor. Hetzelfde geldt voor de ping-berichten met [betrokkene 3]. Bovendien klopt de tijdslijn van de berichten niet met het transport van 22 september 2014, ervan uitgaande dat de drugs uiterlijk op 20 september 2014 tussen de rozen moeten zijn verstopt. Derhalve dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

De rechtbank volgt het betoog van de raadsman niet en overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van versluierd taalgebruik. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] / verdachte en [betrokkene 3] hebben de context van de gesprekken en hun taalgebruik op elkaar afgestemd. Zo wordt er in de contacten met zowel medeverdachte [medeverdachte] als met [betrokkene 3] nooit gesproken over bijvoorbeeld ‘bloemen’ of ‘rozen’. Niet valt in te zien waarom de betrokkenen bij een legaal bloementransport gebruik zouden moeten maken van versluierd taalgebruik. Dit oordeel wordt verder ondersteund door de diverse onder feit 1 en feit 2 uitgewerkte bewijsmiddelen. Verdachte heeft zich van versluierd taalgebruik bediend, kennelijk om eventueel ‘meeluisterende’ opsporingsinstanties hierdoor zand in de ogen te strooien.

Daarnaast bevreemdt het de rechtbank dat verdachte voor een naar eigen zeggen zakelijk contact de ping-naam ‘Real Madrid’ heeft. Voorts kent medeverdachte [medeverdachte] verdachte uitsluitend onder een valse naam (te weten: de in het in feit 3 genoemde paspoort voorkomende naam ‘[alias]’). Wanneer het legale handel betreft is er geen enkele reden om het gebruik van echte namen te vermijden.

Opmerkelijk is verder dat verdachte aparte telefoons had om contact te onderhouden met enerzijds medeverdachte [medeverdachte] en anderzijds met [betrokkene 3]. Bovendien is de telefoon die hij gebruikte voor het contact met medeverdachte [medeverdachte] een zogeheten één op één lijn.

Wanneer de contacten van verdachte met medeverdachte [medeverdachte] enerzijds en met [betrokkene 3] anderzijds naast elkaar worden gelegd, is het voorts opmerkelijk dat wanneer medeverdachte [medeverdachte] iets vraagt aan verdachte er in verband daarmee direct daarna contact is met [betrokkene 3]. Zo bericht medeverdachte [medeverdachte] bijvoorbeeld op 25 september 2014 aan verdachte dat er geen nieuws is, waarop verdachte antwoordt met: ‘raar. Hij zei deze week. Laten we nog even wachten tot morgen. Anders bel ik weer om te vragen.’ Vervolgens vraagt verdachte aan [betrokkene 3]: ‘Vriend, lukt de brief jou deze week wel?’ Niet valt in te zien waarom verdachte op deze manier de contacten onderhoudt als er sprake zou zijn van een legale bloemenhandel.

Verdachte geeft voorts geen aannemelijke uitleg over de berichten, in het bijzonder niet over de berichten en het telefoongesprek met medeverdachte [medeverdachte] op 31 januari 2015 inhoudende ‘met of zonder’ met betrekking tot de zending van 31 januari 2015. De bedoelde sms-berichten en het gesprek met medeverdachte [medeverdachte] starten enkele minuten nadat medeverdachte [medeverdachte] van een medewerker van [naam] Logistik heeft gehoord dat de zending gecontroleerd wordt door de douane omdat een hond iets heeft geroken. Deze berichten zouden volgens verdachte gaan over de vraag of de zending rode rozen bevat of niet. Verdachte bericht uiteindelijk aan medeverdachte [medeverdachte]: ‘zonder, maak je niet druk.’ De uitleg van verdachte sluit niet aan bij de werkelijkheid: in het transport zijn wel rode rozen aangetroffen. In dit licht bezien kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de berichten en het gesprek gaan over de aanwezigheid of afwezigheid van verdovende middelen in de zending bloemen van 31 januari 2015.

Evenmin heeft verdachte een aannemelijke uitleg gegeven over het bericht ‘denk eraan dat de kinderen vijf zijn’ (afkomstig van [betrokkene 3]). Verdachte heeft over dit bericht verklaard dat dit betekent dat er vijf kleine bijzitten. [betrokkene 3] zou hiermee volgens verdachte bedoelen dat er vijf volle dozen rozen met een korte steel in de zending van 7 februari 2015 zitten. Dit blijkt echter niet te kloppen, nu er maar drie dozen rozen met korte steel in deze zending zijn aangetroffen (aanvullend dossier 2, d.p. 72). Wel is in deze zending ongeveer vijf kilo cocaïne aangetroffen. Gezien deze bevindingen, de overige bewijsmiddelen en het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat dit bericht ziet op de vijf kilo cocaïne in de zending van 7 februari 2015.

Voor het overige vinden de verweren hun weerlegging in de bewijsmiddelen genoemd onder 3.3.1 en 3.3.2.

Gelet op het vorenoverwogene kunnen naar het oordeel van de rechtbank feit 1 en feit 2 op de tenlastelegging wettig en overtuigd worden bewezen.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

[ZD C.1:]

hij op 7 februari 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 5.101 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

Feit 2:

[ZD C.2:]

hij op 22 september 2014 op de luchthaven Maastricht-Aachen Airport, gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 28.794,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

Feit 3:

[ZD C.7:]

hij in de periode van 7 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Haarlem in het bezit is geweest van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Costa Rica, ten name van [alias], geboren op [geboortedatum], van welk reisdocument hij wist dat het vervalst was;

Feit 4:

[ZD C.6:]

hij in de periode van 7 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Haarlem

- een wapen van categorie III onder 1, te weten een pistool (merk: Makarov) en

- munitie van categorie III, te weten 39, althans één of meer, kogelpatronen en

- twee wapens van categorie II onder 5: te weten: twee stroomstootwapens

voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3: in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vervalst is;

Feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III én handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie én handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van het voorarrest. Tevens vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring van nummers 24 en 26 op de beslaglijst en de onttrekking aan het verkeer van nummers 2, 5, 13 tot en met 22, 45, 46, 97, 100 en 101.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals ter terechtzitting naar voren gebracht, het feit dat er nog een ontnemingsvordering aanhangig is en de omstandigheid dat er nog een vreemdelingenprocedure zal volgen. De raadsman refereert zich ten aanzien van het beslag, maar verzoekt de teruggave van beide telefoons.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

6.4.

Hoofdstraf

Verdachte heeft zich samen met een ander of anderen onderscheidenlijk schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 5.101 gram en van 28.794,5 gram cocaïne, waarbij gebruik is gemaakt van het bloemenbedrijf van een medeverdachte als dekmantel. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheden zijn van dien aard, dat deze bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Ook is verdachte in het bezit geweest van een vervalst paspoort. Daardoor heeft hij onder meer de met de grensbewaking belaste autoriteiten misleid. Aldus heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de belangen die met een deugdelijke grensbewaking worden gediend.

In het maatschappelijk verkeer, behoort men erop te kunnen vertrouwen, dat ter identificatie gebruikte ambtelijke stukken, zoals legitimatiebewijzen en reisdocumenten, een juiste weergave bevatten van de daarin vermelde gegevens. In dergelijke documenten voorkomende onjuiste persoonsgegevens kunnen daarnaast ook in het handels- en geldverkeer tot aanzienlijke schade leiden.

Daarnaast is verdachte nog in het bezit geweest van een vuurwapen en bijbehorende munitie en twee stroomstootwapens. Ongecontroleerd wapenbezit brengt gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich en verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat het wapen was doorgeladen en in de lus van zijn matras was verstopt en dat hij in het bezit was van veel munitie.

De eis van de officier van justitie is lager dan wanneer de oriëntatiepunten van het LOVS zouden worden gevolgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een straf op te leggen die boven de eis van de officier van justitie uitgaat, maar evenmin om de geëiste straf te matigen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven over de twee drugstransporten alsmede dat de rechtbank de rol van verdachte bij deze twee drugstransporten – anders dan die van zijn medeverdachte – ziet als die van ‘spin in het web’: het is verdachte geweest die enerzijds contact heeft onderhouden met de medeverdachte in Nederland (bij wiens bedrijf de cocaïne zou moeten binnenkomen) en anderzijds met de contactpersoon in Zuid-Amerika.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.5.

Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een Samsung telefoon en een BlackBerry (nummers 24 en 26), dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde feiten met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

7 Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een paspoort van Costa Rica, munitie, 2 patroonhouders met patronen, een wapen met patronen, een holster en twee stroomstootwapens (nummer 5, 16 t/m 22 en 45 en 46), dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder feit 3 en feit 4 bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vacuummachine, twee weegschalen, 15 gram wit poeder, een stuk papier, 113.80 gram wit poeder en 13.50 gram bruin poeder (nummer 2, 13, 14, 15, 97, 100 en 101), dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Die voorwerpen behoren verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten waarvan hij wordt verdacht. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en tevens is het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen in strijd met de wet of het algemeen belang.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 231 van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 2, 10 van de Opiumwet;

artikel 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

24) 1 STK telefoontoestel, kleur zwart, SAMSUNG inclusief oplaadsnoer;

26) 1 STK telefoontoestel, kleur zwart, BLACKBERRY inclusief oplaadsnoer.

Onttrekt aan het verkeer:

2) 1 STK Diverse Henkelman jumbo, betreft een vacuummachine;

5) 1 STK Paspoort Costa Rica;

13) 1 STK weegschaal lijkt op een sigarettendoos;

14) 1 STK weegschaal, zwartkleurig, inclusief zwart hoesje;

15) 15 gram wit poeder;

16) 22 STK munitie in paarskleurig gripzakje;

17) 1 STK patroonhouder inclusief 8 patronen;

18) 16 STK munitie;

19) 1 STK munitie;

20) 1 STK wapen inclusief patroonhouder en 8 munities;

21) 1 STK diverse betreft holster;

22) 1 STK patroonhouder inclusief 8 munities;

45) 1 STK diverse, betreft een taser, lijkend op een iPhone;

46) 1 STK diverse, betreft een taser lijkend op een iPhone 4/4s;

97) 1 STK papier, kantoor;

100) 113.80 gram wit poeder;

101) 13.50 gram bruin poeder.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. Bellaart, voorzitter,

mr. P.H. Lauryssen en mr. R.J.J. Karemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 februari 2016.

Mr. Karemaker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevinding d.d. 7 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 256-257.

3 Proces-verbaal d.d. 11 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 267-270 en een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 25 februari 2015, zaaknummer 2015.02.11.040 (aanvraag 001), zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 414-416.

4 Proces-verbaal van verstrekking gegevens uit het Handelsregister d.d. 2 oktober 2014, zaaksdossier B.1, dossierpagina 366.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 9 februari 2015, zaaksdossier C.1, in het bijzonder dossierpagina 498 en proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 3 augustus 2015, Aanvullend dossier 2, in het bijzonder dossierpagina’s 62-63.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 3 augustus 2015, Aanvullend dossier 2, in het bijzonder dossierpagina’s 62-63.

7 Proces-verbaal d.d. 14 april 2015, zaaksdossier C.1, in het bijzonder dossierpagina’s 10 en 12.

8 Proces-verbaal observeren d.d. 20 januari 2015 d.d. 5 februari 2015, zaaksdossier C.1, in het bijzonder dossierpagina 218.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 232-241.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 432-433.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina 233.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina 237 en pagina’s 246-247.

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 237-238.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina 238-240.

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 223-231.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 juli 2015, Aanvullend dossier 2, dossierpagina 47.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina 226-228.

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina 229-230.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina 231.

20 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina 443.

21 Proces-verbaal van bevinding d.d. 22 september 2014, algemeen dossier A, dossierpagina’s 39-40 met bijlagen, waaronder de air waybill op dossierpagina 48; proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 december 2014, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 65-66.

22 Proces-verbaal Opiumwet d.d. 3 februari 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 86-87 en een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 30 oktober 2014, zaaknummer 2014.10.08.035 (aanvraag 001), zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 99-100.

23 Proces-verbaal van verstrekking gegevens uit het Handelsregister d.d. 2 oktober 2014, zaaksdossier B.1, dossierpagina 366.

24 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2014, zaaksdossier C.2, dossierpagina 258.

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 februari 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina 311.

26 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 197-204.

27 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 279-280.

28 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 215-216.

29 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 205-206, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2015, persoonsdossier B.2, dossierpagina 128 en de verwijderde pingberichten, persoonsdossier B.2, dossierpagina’s 163-180.

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 juli 2015, Aanvullend dossier 2, dossierpagina 47.

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 207-211.