Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1276

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
15/870232-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; twee drugstransporten onder de dekmantel van een bloemenhandel. Daarnaast veroordelingen voor de WWM en de Opiumwet. Het alternatieve scenario is verworpen. Gebruik van versluierd taalgebruik in de tap-gesprekken en de sms-berichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870232-15

Uitspraakdatum: 12 februari 2016

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 januari 2016 en 29 januari 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Frankrijk),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Visser en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.S.S. Overes, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

[ZD C.1: Invoer ca. 5 kilogram cocaïne in een partij rozen]

hij op of omstreeks 07 februari 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet

als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 5.101 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2:

[ZD C.2: Invoer ruim 28 kilogram cocaïne in een partij rozen]

hij op of omstreeks 22 september 2014 op de luchthaven Maastricht-Aachen Airport, althans in de gemeente Beek, en/of te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 28.794,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 3:

[ZD C.4: hennepkwekerij van 55 planten in de woning]

hij in of omstreeks de periode van 07 februari 2015 tot en met 08 februari 2015 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 55 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 4:

[ZD C.4: eerdere oogst in de woning]

hij in of omstreeks de periode van 11 november 2014 tot en met 06 februari 2015 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of aanwezig gehad, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 5:

[ZD C.4: aanwezig hebben plak hasjiesj]

hij in of omstreeks de periode van 07 februari 2015 tot en met 08 februari 2015 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 96,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 6:

[ZD C.5: Voorhanden hebben riot-gun, patronen en een stroomstootwapen in de woning]

hij in of omstreeks de periode van 07 februari 2015 tot en met 08 februari 2015 te Haarlem

- een vuurwapen, dat zodanig is vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is en/of dat de aanvalskracht wordt verhoogd (categorie II, onder 3), te weten: een dubbelloops hagelgeweer met een ingekorte kolf en loop, en/of

- munitie van categorie III, te weten: twee hagelpatronen, en/of

- een wapen van categorie II onder 5, te weten : een stroomstootwapen,

voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 2 en het ten laste gelegde medeplegen onder feit 5. Ten aanzien van de overige feiten heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 5

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen onder feit 5 niet bewezen kan worden verklaard nu de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting hiervoor onvoldoende bewijs bevatten. Derhalve wordt verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen onder feit 5.

3.4.1.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevinding d.d. 7 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 256-257;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 11 februari 2015, zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 267-270;

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 25 februari 2015, zaaknummer 2015.02.11.040 (aanvraag 001), zaaksdossier C.1, dossierpagina’s 414-416.

3.4.2.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 2 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde op grond van het volgende.

Op 22 september 2014 komt op de luchthaven Maastricht-Aachen Airport een zending bloemen binnen. De zending is afkomstig van het bedrijf [rozenbedrijf] uit Colombia en bestemd voor het bedrijf [bedrijf van verdachte], gevestigd op het adres [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres]) te Haarlem.2 Deze zending bloemen wordt gecontroleerd en er wordt 28.794,50 gram cocaïne aangetroffen.3 [bedrijf van verdachte] betreft een eenmanszaak, waarvan verdachte [verdachte] de eigenaar is.4 Op 15 september 2014 wordt er € 6.000,- gestort op de zakelijke rekening van [bedrijf van verdachte]. De volgende dag wordt € 6.000,- overgemaakt naar [eigenaar rozenbedrijf].5 Verdachte [verdachte] heeft deze zending bloemen in opdracht van medeverdachte [medeverdachte] besteld.6

Verdachte [verdachte] belt in de week van de zending en op 29 september 2014 meerdere keren naar Maastricht Handling Services om te informeren naar zijn zending. Op 29 september 2014 spreekt hij twee keer met getuige [getuige 1], die verdachte [verdachte] niets heeft verteld over de verdovende middelen in de zending bloemen en voor zover hij weet heeft de Douane verdachte [verdachte] ook niets verteld over de aangetroffen drugs.7

Op 1 oktober 2014 belt verdachte [verdachte] naar zijn moeder. In dat gesprek zegt hij onder andere het volgende: ‘Ik heb een andere telefoon gekocht. (…) Het is gebeurd, moeder. Ik wacht nog. Ze zijn nog niet gekomen, maar dat kan niet lang meer duren. (…) Ze hebben iets gevonden, als het op mijn naam staat. (…) Nee, het is nu 8 dagen geleden. (…) We gaan niets zeggen over de telefoon.’8

Op 6 oktober 2014 om 12.54 uur wordt verdachte [verdachte] door een medewerker van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) gebeld:

Kmar: U heeft vorige week gebeld om te informeren naar een zending van U?

[verdachte]: Ja, dat klopt ja. (…) Ja ze zeggen dat is in beslag genomen. Voor de rest ik weet daar absoluut niets van. (…)

Kmar: Ja, nou goed, op maandag 22 september jongstleden heeft de douane een controle uitgevoerd op Maastricht-Aken Airport en in uw zending werden verdovende middelen aangetroffen. Op last van het OM hier in Limburg is dat in beslag genomen en inmiddels is dat vernietigd. (…) Indien u een claim wenst in te dienen bij uw verzekeringsmaatschappij (…) dan kan ik u wel een bewijs van ontvangst toe sturen als bewijs dat het in beslag genomen is. (…) Zal ik het naar een postadres sturen? (…)

[verdachte]: Mijn adres is [adres] in Haarlem. (…)

Kmar: Dan krijgt u van mij een bewijs van ontvangst waarop staat dat de zending van u in beslag genomen is en kunt u daarmee naar uw verzekeringsmaatschappij. (…) 9

Op 10 oktober 2014 om 11.45 uur wordt verdachte [verdachte] gebeld door zijn zoon ([zoon van verdachte]):

[zoon van verdachte]: Ja, eeh die brief is binnen

[verdachte]: O, van de eeh

[zoon van verdachte]: Ja

[verdachte]: Jij kan voorlees

[zoon van verdachte]: Moet ik hem openmaken?

[verdachte]: Absolument openmaken.

[zoon van verdachte]: (…) Hier, ja. Zoals telefonisch afgesproken, stuur ik bij deze een bewijs van ontvangst eeh, over de besl… inbeslagneming van uw twintig dozen met bloemen op maandag 22 september 2014. Hier bewijs van ontvangst. Nou dat is het.

[verdachte]: Oke, dat is het. Nou prima toch, he. (…) We doet niks meer dus eeh. Dat is toch prima, dat is geen probleem dus eeh. (…) Je moet maar vooruit.

[zoon van verdachte]: Ja, gelukkig wel. Ja.

[verdachte]: Ja, je moet maar vooruit (…) om te gaan zoeken in andere dingen. (…) Makkelijk en zonder problemen. (…) Maar ik denk zij toch verder daarna, klootzakken, echt waar. Jajaja. (…)

[zoon van verdachte]: Nou, nu hebben we niks.

[verdachte]: Aah, ik heb echt geluk [zoon van verdachte], dus ehh. (…) 10

In de periode 10 juni 2014 tot 25 september 2014, met uitzondering van de periode 8 juli 2014 tot met 29 juli 2014, is er meerdere keren per week contact tussen de telefoon van verdachte [verdachte]11 en het nummer [telefoonnummer].12 Dit nummer behoort toe aan medeverdachte [medeverdachte] en dit nummer heeft uitsluitend contact met het nummer van verdachte [verdachte].13

Op 6 september 2014 stuurt medeverdachte [medeverdachte] een bericht naar verdachte [verdachte] met de volgende tekst: ‘Ja alles gaat de goeie kant. Ik heb een detail om te regelen en dan zijn we klaar te gaan. Ik ben hard bezig’.

Op 14 september 2014 stuurt medeverdachte [medeverdachte] aan verdachte [verdachte] het volgende bericht: ‘Ze zeiden eind van de week begin van de andere. Het kan op elk moment zijn.’

Op 18 september 2014 stuurt verdachte [verdachte] aan medeverdachte [medeverdachte] het volgende bericht: ‘Hey vriend ik hoor niks van jou dat is een probleme thx’. De volgende dag stuurt hij wederom een bericht naar medeverdachte [medeverdachte] met de tekst: ‘Vriend jij wil nog ja of ne thx’.

Op 20 september antwoordt medeverdachte [medeverdachte] het volgende: ‘Hoi. Hij is alle laste details aan het regelen zei hij gisteren. Ze moesten iets veranderen op laste moment. Sorry het is bijna het moment’.

Op 25 september 2014 stuurt verdachte [verdachte] naar medeverdachte [medeverdachte] het volgende bericht: ‘Hallo vriend geen nieuws’. Medeverdachte [medeverdachte] antwoordt als volgt: ‘Raar. Hij zei deze week. Laten we nog even wachten tot morgen. Anders bel ik weer om te vragen’.

Het eerstvolgende sms-contact is weer op 14 oktober 2014. Dan stuurt medeverdachte [medeverdachte] verdachte [verdachte] het volgende: ‘Ik schaam me zo erg. Ik begrijp de mensen niet. Hij zegt om geduld te hebben maar ik weet niet wat te doen. Sorry voor de lange wacht’. Op 27 oktober 2014 stuurt hij hem weer een bericht met de volgende tekst: ‘Hallo vriend. Ik weet dat het heeft heel lang geduurd dat deze wacht is heel vervelend maar geloof me het is voor echte reden, ik ben niet onserieus. We moeten zeker zijn en alles is moeilijk daar geworden. Ze vragen om geduld te hebben.lk ga je belonen als je op me wilt wachten. Kan of niet? dank je voor alles’. Op 12 november 2014 stuurt medeverdachte [medeverdachte] verdachte [verdachte] het volgende bericht: ‘Hallo vriend. De dingen gaan wel better ik hoop jou snel blij maken. Geduld aub.’ Op 7 december 2014 stuurt medeverdachte [medeverdachte] het volgende aan verdachte [verdachte]: ‘Goeie avond vriend. sorry voor de tijdstip. Jou info was niet compleet, zou je aub nog een keer checken en de restant door geven aub.’ De volgende dag schrijft verdachte [verdachte] het volgende aan medeverdachte [medeverdachte]: ‘Vriend alles is weg’.14

3.4.3.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2015, zaaksdossier C.4, dossierpagina’s 286-289;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2015, zaaksdossier C.4, dossierpagina’s 13-74.

3.4.4.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 4 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen d.d. 8 februari 2015, zaaksdossier C.4, dossierpagina 286-289, met bijlage (kweekschema) op dossier pagina 290;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2015, zaaksdossier C.4, dossierpagina’s 13-74.

3.4.5.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 5 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2015, zaaksdossier C.4, dossierpagina’s 306-307;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen onderzoek Hashish d.d. 20 februari 2015, zaaksdossier C.4, dossierpagina’s 309-310.

3.4.6.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 6

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 6 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 1 april 2015, zaaksdossier C.5, dossierpagina’s 27-28;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 31 maart 2015, zaaksdossier C.5, dossierpagina’s 36-37;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 2 maart 2015, zaaksdossier C.5, dossierpagina’s 44-45.

3.5.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 2 voorafgaand aan het transport geen wetenschap heeft gehad dat er in de door hem bestelde zending bloemen van 22 september 2014 drugs is geplaatst. Daartoe heeft zij het alternatieve scenario geschetst dat anderen zonder medeweten van verdachte drugs in de zending hebben gedaan. Om dit scenario te onderbouwen heeft de raadsvrouw gewezen op foutieve informatie op de air waybill, waaronder de verkeerde spelling van het adres ‘[adres]’ in plaats van ‘[adres]’, de toevoeging van een extra cijfer aan het telefoonnummer van [bedrijf van verdachte] en de vermelding van een verkeerd adres van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], namelijk het adres voor hun zaken met betrekking tot de computers en hardware. Daarnaast heeft zij gewezen op de verschillen tussen de zendingen van 22 september 2014 en 7 februari 2015. Uit de tapgesprekken tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] blijkt volgens de raadsvrouw bovendien niet van versluierd taalgebruik; evenmin wordt er over drugs gesproken. Uit de tapgesprekken tussen medeverdachte [medeverdachte] en [betrokkene 3] komt volgens de raadsvrouw naar voren dat verdachte geen weet heeft wat er aan de hand is, gezien het feit dat medeverdachte [medeverdachte] het er in deze gesprekken over heeft dat verdachte [verdachte] moe wordt van het wachten en dat hij ([medeverdachte]) geen excuses meer kan verzinnen. Uit het tapgesprek tussen verdachte en zijn moeder op 1 oktober 2014 en het gesprek tussen hem en zijn zoon [zoon van verdachte] op 10 oktober 2014 kan geen wetenschap van de drugs voorafgaand aan de zending van 22 september 2014 worden afgeleid. Bovendien is het geld van de zending van 22 september 2014 terugbetaald aan verdachte. Verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat het (voorwaardelijk) opzet op het delict ontbreekt, aldus nog steeds de raadsvrouw.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog en overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank acht het geschetste alternatieve scenario niet plausibel. De onregelmatigheden op de air waybill zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat daarin steun kan worden gevonden voor het door verdachte geschetste alternatieve scenario, mede gelet op de verklaring van getuige [getuige 2], dat air waybills in de praktijk op verschillende manieren worden ingevuld en dat er vooral in de wereld van bederfelijke goederen veel druk is en vrachten zeer kort van tevoren worden aangeboden (aanvullend dossier 2, d.p. 36). Voorts wijst de rechtbank erop dat in de periode voorafgaand aan de zending van 22 september 2014 verdachte [verdachte] intensief contact heeft met medeverdachte [medeverdachte]. Wat opvalt, is dat in deze berichten geen enkele keer het woord ‘bloemen’ of ‘rozen’ wordt gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van versluierd taalgebruik. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben de context van de gesprekken en hun taalgebruik op elkaar afgestemd. Niet valt in te zien waarom de betrokkenen bij een legaal bloementransport gebruik zouden moeten maken van versluierd taalgebruik. Op 1 oktober 2014, in een contact met zijn moeder, wordt in versluierd taalgebruik gepraat over iets dat moest aankomen, 8 dagen geleden (de rechtbank begrijpt: op 22 september 2014), waar verdachte [verdachte] op wachtte. Verdachte [verdachte] geeft aan dat ‘ze’ iets hebben gevonden ‘als het op mijn naam staat’. Beide sprekers geven vervolgens aan de ze ‘niets gaan zeggen over de telefoon’. Tijdens hetzelfde gesprek geeft verdachte [verdachte] aan dat hij een andere telefoon heeft aangeschaft. De rechtbank merkt op dat ten tijde van laatstgenoemd gesprek, verdachte [verdachte] nog níet door de Kmar op de hoogte was gesteld van het feit dat er drugs was aangetroffen in de partij rozen. Bovendien is het opmerkelijk dat er tussen de telefoons van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] vanaf 25 september 2014 tot 14 oktober 2014 geen contact is. Deze stilte is naar het oordeel van de rechtbank niet te rijmen met verdachtes stelling dat hij erg boos was omdat hij er zou zijn ingeluisd. Ten slotte is het op zijn zachtst gezegd frappant dat verdachte daarna wederom zaken doet en zelfs een drugstransport doet met degene door wie hij zegt er te zijn ingeluisd. Voor het overige vindt het verweer zijn weerlegging in de bewijsmiddelen genoemd in de redengevende feiten en omstandigheden onder 3.4.2.

Gelet op het vorenoverwogene kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank feit 2 op de tenlastelegging wettig en overtuigend worden bewezen.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

[ZD C.1:]

hij op 7 februari 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 5.101 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

Feit 2:

[ZD C.2:]

hij op 22 september 2014 op de luchthaven Maastricht-Aachen Airport, gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 28.794,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

Feit 3:

[ZD C.4]

hij in de periode van 7 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 55 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 4:

[ZD C.4:]

hij in de periode van 11 november 2014 tot en met 6 februari 2015 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een hoeveelheid hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt en aanwezig gehad, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 5:

[ZD C.4:]

hij in de periode van 7 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Haarlem, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 96,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 6:

[ZD C.5:]

hij in de periode van 7 februari 2015 tot en met 8 februari 2015 te Haarlem

- een vuurwapen, dat zodanig is vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is en dat de aanvalskracht wordt verhoogd (categorie II, onder 3), te weten: een dubbelloops hagelgeweer met een ingekorte kolf en loop, en

- munitie van categorie III, te weten: twee hagelpatronen, en

- een wapen van categorie II onder 5, te weten: een stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 5: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 6: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II én handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie én handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van het voorarrest. Tevens vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring van nummer 25 op de beslaglijst en de onttrekking aan het verkeer van nummers 8, 9, 14, 26 en 27. Nummer 10 op de beslaglijst dient retour te gaan naar de rechthebbende, [rechthebbende].

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw pleit voor een straf waarbij verdachte - bij voorkeur - bij uitspraak vrijkomt. Deze straf kan worden aangevuld met een forse voorwaardelijke straf. De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het beslag, maar verzoekt de teruggave van beide telefoons.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het rapport van Reclassering Nederland d.d. 29 juli 2015 en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

6.4.

Hoofdstraf

Verdachte heeft zich samen met een ander of anderen twee keer schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 5.101 gram en van 28.794,5 gram cocaïne, waarbij gebruik is gemaakt van het bloemenbedrijf van verdachte als dekmantel. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Daarnaast is verdachte in het bezit geweest van een afgezaagd hagelgeweer, twee hagelpatronen en een stroomstootwapen. Verdachte had voor deze goederen geen vergunning. Ongecontroleerd wapenbezit brengt gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich en verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie.

Ook is er bij verdachte thuis een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen en een plak hasjiesj. Bovendien heeft verdachte verklaard al een eerdere oogst te hebben gehad van een hennepkwekerij. Hij heeft hiermee bijgedragen aan het in stand houden van het illegale drugscircuit in Nederland. Cannabis is bij regelmatig gebruik niet alleen schadelijk voor de (vaak jeugdige) gebruikers, maar is daarnaast vaak direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit en overlast.

De rechtbank neemt ten voordele van verdachte mee in de straftoemeting de wijze waarop hij zich heeft opgesteld tijdens de terechtzitting en de omstandigheid dat hij spijt heeft betuigd. Voorts duidt de rechtbank de rol van verdachte anders dan die van zijn medeverdachte. Verdachte heeft een groter risico genomen door zijn zichtbare positie bij de transporten. Zijn medeverdachte is meer de ‘spin in het web’ geweest, nu hij degene is geweest die enerzijds met verdachte en anderzijds met de contactpersoon in Zuid-Amerika contact heeft gehad.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.5.

Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een zwarte iPhone (nummer 25), dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 bewezen verklaarde feiten met behulp van dat voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

7 Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een blok hashish, een stroomstootwapen, een mes, een dubbelloops jachtgeweer en twee hagelpatronen (nummer 8, 9, 14, 26 en 27), dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder feit 5 en feit 6 bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan en/of het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een witte iPhone met barsten in het scherm voor en achter, dient te worden teruggegeven aan [rechthebbende], aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 2, 3, 10, 11 van de Opiumwet;

artikel 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen het onder feit 5 ten laste gelegde medeplegen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaar.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

25) 1 STK telefoontoestel, kleur zwart, Apple iPhone in een blauw hoesje.

Onttrekt aan het verkeer:

8) 96.20 gram Hashish, 1 blok;

9) 1 STK wapen, kleur zwart, politie taser sk-200, in doos met afbeelding van de Franse vlag;

14) 1 STK mes, kleur bruin, uitvouwbaar in een zwarte hoes;

26) 1 STK wapen, kleur bruin, betreft een dubbelloops jachtgeweer;

27) 2 STK patroon, betreft hagelpatronen.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, [rechthebbende], van:

10) 1 STK telefoontoestel, kleur wit, Apple iPhone, barsten in het scherm voor en achter.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. Bellaart, voorzitter,

mr. P.H. Lauryssen en mr. R.J.J. Karemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 februari 2016.

Mr. Karemaker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevinding d.d. 22 september 2014, algemeen dossier A, dossierpagina’s 39-40 met bijlagen, waaronder de air waybill op dossierpagina 48; proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 december 2014, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 65-66.

3 Proces-verbaal Opiumwet d.d. 3 februari 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 86-91 en een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 30 oktober 2014, zaaknummer 2014.10.08.035 (aanvraag 001), zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 99-100.

4 Proces-verbaal van verstrekking gegevens uit het Handelsregister d.d. 2 oktober 2014, zaaksdossier B.1, dossierpagina 366.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2014, zaaksdossier C.2, dossierpagina 258.

6 Verklaring verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 januari 2016.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 30 september 2014, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 178-179.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 181-182.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina 183-184.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina 186.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 8 februari 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina 311.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 197-204.

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 279-280.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2015, zaaksdossier C.2, dossierpagina’s 215-216.