Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:11551

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
HAA 16/1038
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter zitting is gebleken dat eiseres geen zorg in natura heeft afgenomen. Haar ouders hebben de begeleiding voortgezet, zonder dat daarvoor een pgb is verstrekt. WMO PGB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1038

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: mr. E.A. Willems).

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) besloten dat eiseres in de periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2017 gebruik kan maken van de volgende ondersteuning:

- begeleiding volwassenen (begeleiding individueel);

- begeleiding volwassenen (begeleiding bij het voeren van een gestructureerd huishouden).

Voorts heeft verweerder besloten deze ondersteuning in de vorm van zorg in natura toe te kennen.

Bij besluit van 4 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar ouders. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Bij eiseres, thans 42 jaar, is sprake van schizofrenie en een afhankelijke persoonlijkheid. Zij woont zelfstandig, maar is niet zelf redzaam. Er geldt een indicatie voor hulp in het organiseren van de huishouding en het beheer van de financiën. Die begeleiding is gegeven door de ouders van eiseres. Hiervoor is een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt.

1.2.

In verband met de afloop van de indicatie per maart 2015 is op 24 februari 2015 een plan van aanpak opgesteld. Bij besluit van 17 maart 2015 heeft verweerder aan eiseres in de periode van 1 maart 2015 tot en met 31 augustus 2015 als maatwerkvoorziening de functie ondersteuning, begeleiding volwassen toegekend, in de vorm van een pgb. Zoals blijkt uit het plan van aanpak blijkt dat het pgb wordt toegekend zodat de begeleiding door de ouders gedurende de periode van zes maanden kan worden voortgezet en dat die periode wordt gebruikt om verder onderzoek te doen naar de meest passende oplossing.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage/plan van aanpak van 31 augustus 2015. De conclusie is dat de gestelde doelen in het verleden niet zijn gehaald en dat voor het activeren en motiveren en daardoor zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen laten wonen, professionele begeleiding nodig is. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen.

1.4.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en op 27 oktober 2015 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is bij uitspraak van 19 november 2015 afgewezen.

1.5.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar het advies van de vaste commissie van Advies voor de bezwaarschriften van 10 december 2015, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

1.6

Ter zitting is gebleken dat eiseres geen zorg in natura heeft afgenomen. Haar ouders hebben de begeleiding voortgezet, zonder dat daarvoor een pgb is verstrekt.

2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in werking getreden.

Artikel 2.3.6 van de Wmo 2015, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

3. Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder c, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ter compensatie van haar beperkingen is aangewezen op de toegekende voorzieningen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder terecht is overgegaan tot het verlenen van de voorziening in de vorm van zorg in natura, terwijl eiseres toekenning van een pgb verlangd.

4. De rechtbank heeft in dit verband ter zitting de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 17 augustus 2016 (ECLI:NL: CRVB:2016:3135) aan de orde gesteld.

Na de zitting heeft de rechtbank echter vastgesteld dat deze uitspraak in deze zaak toepassing mist, omdat ze ziet op de Wmo, zoals die gold tot 1 januari 2015. Met de artikelen 4 en 6 van die Wmo gold een ander toekennings- en toetsingskader dan thans op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 2.3.6. van de Wmo 2015.

5. Uit de toelichting bij artikel 2.3.6. van de Wmo 2015 blijkt het uitgangspunt dat de cliënt een maatwerkvoorziening ‘in natura’ krijgt, maar dat de mogelijkheid van het toekennen van een pgb bestaat, indien de aanvrager dit wenst. Aan de mogelijkheid om een pgb toegekend te krijgen, verbindt de Wmo 2015 strenge voorwaarden. De cliënt zal zijn wens om de maatwerkvoorziening in plaats van ‘in natura’ door middel van een pgb geleverd te krijgen gemotiveerd kenbaar moeten maken. De cliënt moet motiveren waarom de levering van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb een passende ondersteuning betreft. Er hoeft niet meer gemotiveerd te worden waarom zorg in natura niet passend is. (zie TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 152-153 MvT artikelsgewijs, nr 73 amendement, nr. 103 amendement en EK 2013/14, 33 841, 6, p. 28 memorie van antwoord)

6. Eiseres stelt dat zorg in natura voor haar niet de meest adequate vorm van zorg is en dat ten onrechte wordt aangenomen dat met de zorg zoals verleend door haar ouders de doelen niet gehaald worden. Met verwijzing naar haar dagboekje stelt eiseres dat in de aflopen periode, met begeleiding van haar ouders, haar zelfredzaamheid in grote mate is toegenomen. Volgens eiseres is sprake van een bijzondere situatie. Hulp door derden zal tot verslechtering van haar situatie leiden, aldus eiseres.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is door verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt op grond van welke feiten en omstandigheden hij ertoe heeft besloten niet langer een pgb te verstrekken, maar over te gaan tot het aanbieden van zorg in natura. Wat eiseres heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerders onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest.

8. Verweerder heeft vastgesteld dat de begeleiding van eiseres gericht moet zijn op het behalen van een viertal in het primaire besluit met name genoemde doelen op het gebied van participatie en zelfredzaamheid. Voorts heeft verweerder vastgesteld dat deze doelen met het inzetten van een pgb waarmee de ouders van eiseres worden betaald, niet (kunnen) worden behaald. Hieraan heeft verweerder een onderzoeksverslag van het zogeheten Meer-team over de voorgaande Wmo-periode ten grondslag gelegd. Verweerder heeft daarbij verschillende voorbeelden genoemd, onder meer op het gebied van financiën, het huishouden en activiteiten buitenshuis, op grond waarvan hij naar het oordeel van de rechtbank heeft kunnen komen tot de conclusie dat de hiervoor bedoelde doelen niet zijn behaald.

Ook is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op het onderzoeksverslag van ‘ [instantie] ’ van 9 oktober 2014, waar eiseres naar verwezen heeft.

8. Daartegenover is de stelling van eiseres dat zij thans meer zelfstandig participeert en dat de doelen met een Pgb wel kunnen worden behaald, niet objectief onderbouwd.

Het dagboekje en de toelichting ter zitting is daartoe onvoldoende. Ook overigens is niets concreets tegenover verweerders onderzoek en de daarop gebaseerde besluitvorming gesteld. Het verslag van ‘ [instantie] ’ van 9 oktober 2014, kan, gelet op de periode gelegen waar het op ziet, niet dienen als onderbouwing van de stelling dat de gestelde doelen wel zijn behaald. Uit dit verslag blijkt evenmin dat zorgverlening door derden voor eiseres niet passend of adequaat zou zijn.

9. De stelling dat zorg in natura aantoonbaar zal leiden tot een verslechtering van de situatie van eiseres, is gebaseerd op een eerdere negatieve ervaring van eiseres, maar is niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. Dat zich kennelijk eerder problemen hebben voorgedaan met een professionele zorgverlener, betekent niet dat die problemen zich met andere zorgverleners opnieuw voor zullen doen en dat daarom alleen zorg door de ouders passend zou zijn.

10. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit wat eiseres heeft aangevoerd niet blijken dat de levering van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb, zoals eiseres voor ogen heeft, een passende ondersteuning betreft. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten om een Wmo-voorziening in de vorm van zorg in natura te verstrekken en niet het door eiseres gevraagde pgb.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

12. Het voorgaande laat onverlet dat, indien eiseres meent dat na augustus 2015 de situatie is gewijzigd, zij opnieuw een pgb kan aanvragen. Zij moet dit wel onderbouwen en motiveren dat de levering van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb een passende ondersteuning betreft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, rechter, in aanwezigheid van

C.H. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.