Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:11412

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-07-2016
Datum publicatie
14-04-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5885
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW; Barp. Ontslag rechercheur wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan wegens ziekte; eiser heeft zich teveel op het eigen gelijk heeft gericht en te weinig oog heeft gehad voor de mogelijkheid om de zaak in der minne op te kunnen lossen. Gedrag van eiser heeft de professionele verhouding politie en OM geschaad; genoegzaam gewaarschuwd; voldoende grondslag voor de conclusie dat eiser niet blijvend beschikt over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van een functie binnen de politie vereist zijn. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/5885

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B. Wernik),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: A.M.C. Hentenaar).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 15 juli 2015 ontslag verleend wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Bij besluit van 7 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] , plaatsvervangend diensthoofd regionale recherche, en

[naam/functie] .

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is sedert [datum 1] 1979 werkzaam geweest bij de politie, laatstelijk als rechercheur bij de Dienst Regionale Recherche politie [locatie] . Op [datum 2] 2014 is eiser betrokken geweest bij een incident in de privésfeer. Eisers zoon woonde in de woning van zijn stiefvader, die hoofdbewoner is van die woning. Deze stiefvader had eisers zoon omdat deze het kostgeld niet tijdig had betaald uitgesloten door de sloten van de woning te vervangen. Eiser heeft vervolgens buiten diensttijd zijn zoon geholpen met het verschaffen van de toegang tot de woning door middel van braak, waardoor vernielingen zijn ontstaan. Hij heeft daarbij onder meer het slot van de deur opengeboord, de balkondeur geforceerd en het slot van de slaapkamer geforceerd. Eiser heeft daarbij de assistentie ingeroepen van twee dienstdoende collega’s. De stiefvader heeft vervolgens aangifte van vernieling en huisvredebreuk gedaan tegen eiser en zijn (stief)zoon. Eiser heeft daarop aangifte gedaan tegen de stiefvader wegens het doen van een valse aangifte.

1.2.

Bij email van 14 januari 2015 is eiser bericht dat in overleg met het Openbaar Ministerie (OM) is besloten dat er geen strafrechtelijk onderzoek naar eisers handelen zou plaatsvinden maar dat de oplossing gezocht zou worden in bemiddeling. Dit bemiddelingstraject was evenwel nog niet opgestart. Verder is eiser nog medegedeeld dat de uitkomst van de bemiddeling bepalend zou zijn voor de vraag of er al dan niet een strafrechtelijk onderzoek zou gaan plaatsvinden.

1.3.

In een brief van 16 januari 2015 heeft eiser de politiechef van de eenheid [locatie] verzocht een en ander in deze kwestie waarin aangifte is gedaan te stroomlijnen en waar nodig degenen die het betreft met het oog op leermomenten, terecht te wijzen. Hij heeft daarbij tevens medegedeeld dat hij niet aan bemiddeling van het OM /VIK (Veiligheid, Integriteit en Klachten) wenst mee te werken.

1.4.

Bij brief van 27 januari 2015 heeft de parketsecretaris van het OM eiser bericht dat nu het door VIK uitgezette bemiddelingstraject niet tot wasdom is gekomen, de zaak weer terug is in de staat waarin deze verkeerde in oktober 2014 en dat hij nu opdracht heeft gegeven om alsnog onderzoek te verrichten naar de strafbare feiten en dat eiser wordt aangemerkt als verdachte van vernieling.

1.5.

Bij email van 22 februari 2015 heeft eiser onder de noemer “ultimum remedium” aangekondigd dat hij op bepaalde dagen een aantal uren te vinden zal zijn voor de rechtbank met een tekstbord dat zijn zoon geen verdachte is en aangegeven dat publiciteit zijn laatste redmiddel is om te voorkomen dat hij en in het bijzonder zijn zoon worden gehoord als verdachte. Daarop is aanvankelijk op 23 februari 2015 door drs. [naam 1] , diensthoofd regionale recherche, en [naam 2] , plaatsvervangend diensthoofd regionale recherche, een gesprek gevoerd met eiser. Op 25 februari 2015 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden waaraan ook is deelgenomen door officier van justitie mr. [naam 3] en eisers advocaat mr. B. Wernik. Bij die gelegenheid is eiser een brief van verweerder overhandigd, gedateerd 24 februari 2015, waarin eiser is gewaarschuwd naar aanleiding van zijn weigering om mee te werken aan het door het OM voorgestelde bemiddelingstraject en hem is medegedeeld dat hij zich als een goed ambtenaar dient te gedragen.

1.7.

Bij brief van 4 maart 2015 heeft de hoofdofficier van justitie mr. B.W.J. Steenstra verweerder bericht dat hij van mening is dat eiser ongeschikt is om in de opsporing werkzaam te zijn. Hij heeft daarin onder meer het volgende bericht:

“(..)Nog los van het feit dat ik het ongepast vind dat een politieambtenaar voor eigen rechter gaat spelen in een civielrechtelijk geschil, geeft de heer [eiser] ook anderszins blijk van het feit dat hij ongeschikt is om als opsporingsambtenaar werkzaam te zijn. Ik wijs daarbij op het feit dat uit onderzoek is gebleken is dat [eiser] bij zijn ‘inbraak’ twee agenten heeft gemobiliseerd om hem te assisteren waarin hij misbruik lijkt te hebben gemaakt van het feit dat hij als collega bij de politie werkzaam is en waarbij hij schermde met vermeende legitimiteit van zijn activiteiten (..) [eiser] zou, zeker als opsporingsambtenaar, moeten weten dat zijn eigenmachtig optreden hem in de problemen zou kunnen brengen. Hij zou moeten weten dat als er een aangifte volgt hiernaar onderzoek moet worden verricht met alle consequenties van dien. Het weigeren om voor verhoor te verschijnen en het door middel van dreigen met publiciteit afdwingen van afzien van inzet van evt. dwangmiddelen is niet alleen onbetamelijk maar impliceert het (opnieuw) plegen van het ernstige strafbare feit van art. 179 Sr. Vanwege zijn gemoedstoestand behoeft dat niet meteen te leiden tot een verergering van de zaak (het OM heeft van meet af aan ingezet op de-escalatie); het geeft wel aan dat [eiser] ongeschikt is voor zijn werk. Hij bijt zich vast in zijn gelijk, wordt daardoor verblind en heeft geen oog voor andere standpunten. Ten slotte is de wijze van de (te persoonlijke) bejegening van dien aard dat samenwerking met het Openbaar Ministerie in de toekomst ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk wordt. Het Openbaar Ministerie kan om bovengenoemde redenen niet voor zijn rekening nemen dat [eiser] zijn werk als opsporingsambtenaar kan voortzetten. Ik verzoek u dan ook het daartoe te leiden dat dit niet zal gebeuren.”

1.8.

Bij besluit van 5 maart 2015 heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang op grond van artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) gedurende de nadere besluitvorming met aanspraak op bezoldiging buiten functie gesteld en met toepassing van artikel 73 van het Barp de toegang en het verblijf ontzegd tot de dienstlokalen, dienstgebouwen, dienstterreinen (m.u.v. de tijd dat eiser wordt uitgenodigd om op kantoor te verschijnen voor een gesprek). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij uitspraak van 21 mei 2015 dit verzoek afgewezen (HAA 15/1641).

1.9.

Bij brief van 30 maart 2015 heeft verweerder eiser het voornemen kenbaar gemaakt hem onder toepassing van artikel 94, eerste lid, sub g van het Barp eervol te ontslaan wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid voor de functie van rechercheur, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Na beoordeling van de door eiser daartegen ingebrachte zienswijze heeft verweerder eiser vervolgens ontslag verleend hetgeen heeft geleid tot de besluitvorming zoals hierboven weergegeven onder ‘Procesverloop’.

2. Eiser voert aan dat verweerder gedurende de periode van [datum 2] 2014 tot 14 januari 2015 in strijd heeft gehandeld met het Protocol Intern Onderzoek Politie 2013 (het Protocol) waaruit blijkt dat verweerder tegenover een ambtenaar van politie terughoudend en zorgvuldig te werk dient te gaan. Eiser meent dat hij gedurende de periode van 14 januari 2015 tot 22 februari 2015 zich terughoudend, begripvol en met geduld heeft opgesteld tegenover verweerder.

Eiser voert aan dat het ontslag aanvankelijk uitsluitend is gebaseerd op de periode van 22 februari 2015 tot 4 maart 2015, waarin eiser en zijn zoon werden gedreigd met een strafrechtelijke vervolging zonder grondslag. Achteraf bleek het louter een civielrechtelijk geschil en het is dus onjuist dat verweerder stelt dat eiser betrokken is in een strafrechtelijk onderzoek. Hetgeen zich in deze korte periode heeft afgespeeld maakt hem niet ongeschikt als politiefunctionaris. Dit klemt aldus eiser te meer nu verweerder aldus eiser aan deze situatie heeft bijgedragen. Pas in de bezwaarfase worden feiten en omstandigheden uit een ver verleden erbij gehaald om te trachten de ongeschiktheid aan te tonen, terwijl eiser 36 jaar tot volle tevredenheid heeft gefunctioneerd. Eiser wijst daartoe naar de verslagen van de functioneringsgesprekken. Eiser voert verder gemotiveerd aan dat hij in de periodes 1991 – 2000 bij de gemeentepolitie [plaatsnaam] en 2000 – medio 2005 als rechercheur zware en georganiseerde criminaliteit zeer goed heeft gefunctioneerd.

3.1.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

3.2.

Ingevolge het tweede lid van artikel 94 wordt een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e, f, g en h steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was, met dien verstande dat een ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel g, eerst kan ingaan vier weken nadat het ontslagbesluit aan de ambtenaar is bekendgemaakt, tenzij sprake is van dringende redenen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Bij een ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het vervullen van de functie, anders dan wegens ziekte, zoals hier aan de orde, gaat het erom dat de betrokkene blijk heeft gegeven niet te beschikken over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor een goede vervulling van zijn functie zijn vereist, zodat hij als ongeschikt voor die functie is te beschouwen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 10 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4285) zal van ontslag op deze grond in het algemeen niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is slechts anders in als uitzonderlijk aan te merken situaties waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.

Ongeschiktheid zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn, moet naar vaste rechtspraak worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar (uitspraak van 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1926).

4.2.

De rechtbank stelt eerst vast dat verweerder blijkens het bestreden besluit het ontslag mede heeft gebaseerd op hetgeen zich in de periode 2005-2011 heeft afgespeeld. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd medegedeeld dat hetgeen is gebeurd in de periode vanaf oktober 2014 op zichzelf voldoende grondslag vormt voor het verleende ontslag en dat er over de periode 2005-2011 weinig documentatie is over de conflicten die zich hebben afgespeeld. Hetgeen is geschied in periode van 2005 -2011 is er, aldus verweerder, bij gehaald voor het geval hetgeen vanaf oktober 2014 is gebeurd als onvoldoende zou worden beschouwd voor een ongeschiktheidsontslag. De rechtbank ziet hierin aanleiding om in eerste instantie het ontslag te beoordelen aan de hand van hetgeen is gebeurd in de periode vanaf oktober 2014.

Daarbij neemt de rechtbank bovendien in aanmerking dat, aldus verweerder, met het gedrag van eiser in de periode 2011 - 2014 weinig mis is geweest.

4.3.

De rechtbank stelt verder vast dat – zo heeft verweerder ter zitting desgevraagd bevestigd – het incident op [datum 2] 2014 waarbij eiser zich toegang tot de woning van de stiefvader van zijn zoon heeft verschaft en daarbij schade heeft aangericht aan de woning, en bij deze actie ook nog twee (onervaren) agenten heeft betrokken, weliswaar de inleiding zijn geweest tot de gebeurtenissen die aanleiding zijn voor het verleende ongeschiktheidsontslag, maar dat dit incident in het verleende ongeschiktheidsontslag van ondergeschikt belang is. Het gaat erom – aldus verweerder – hoe eiser met de situatie is omgegaan. Hetgeen eiser rover die gebeurtenis heeft aangevoerd, kan daarom hier buiten beschouwing blijven. Dat betekent ook dat het beroep dat eiser heeft gedaan op het Protocol niet slaagt. Dit Protocol ziet op (de wijze van) het onderzoek dat dient te worden uitgevoerd indien de integriteit van de politieambtenaar in het geding is. Nu verweerder uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hetgeen is gebeurd op [datum 2] 2014 en de daaruit voortvloeiende aangifte die tegen eiser is gedaan niet (meer) aan het ontslag ten grondslag ligt, kan het beroep op het Protocol reeds om die reden niet slagen.

4.4.

Hetgeen in 4.3. is overwogen laat overigens onverlet dat de rechtbank met verweerder van oordeel is dat het eigenmachtig optreden van eiser op [datum 2] 2014 hem in negatieve zin kan worden aangerekend. Hij had – wat ook in strafrechtelijke zin zij van zijn optreden – moeten begrijpen dat dit handelen voor een politieman ongepast was. Dat een en ander een aangifte jegens vernieling tegen hem en zijn zoon teweeg heeft gebracht kan hem worden aangerekend. Hij had deze situatie – zeker als ervaren politieman – moeten zien te voorkomen. Het had eiser onder deze omstandigheden er dan ook veel aan gelegen moeten zijn om de aangifte jegens hem en zijn zoon in de minne op te lossen. Daarvan is echter niet gebleken. Integendeel, eiser heeft het aanbod van het OM van 14 januari 2015 om te bemiddelen afgeslagen. Nadat het OM had medegedeeld daarom het onderzoek naar de aangifte van de stiefvader door te zetten, heeft eiser geweigerd om in het kader van het opgestarte onderzoek te worden verhoord door VIK. Ook heeft eiser geprobeerd het OM en zijn leiding onder druk te zetten met de in zijn email van 22 februari 2015 aangekondigde actie “ultimum remedium”, waarin hij aangaf dat hij zolang hij dat nodig achtte voor de ingang van de rechtbank zou gaan staan met een protestbord met de tekst: “mr. [naam 4] /OM mijn zoon is geen verdachte! Stop “HETZE” politie (VIK)”. De dienstleiding is eiser daarop alsnog tegemoet gekomen door hem op 23 februari 2015 aan te bieden een bemiddelingspoging te starten. Ook dat aanbod heeft eiser afgewezen. In de mail van 23 februari 2015, gericht aan zijn dienstleiding, berichtte eiser dat hij geen heil zag in bemiddeling. Eiser meende dat het OM in de persoon van mr [naam 4] de aangewezen persoon was om tot een oplossing te komen. Eiser stelde daarin: “Jullie kunnen het misschien principieel vinden maar ik kan niet anders dan mijn zoon beschermen en opkomen voor mijn en zijn recht. “De zaak” was niets en is niets.” Een daarop volgend telefonisch onderhoud heeft eiser ook niet op andere gedachten gebracht. Eiser heeft volhard in zijn standpunt dat de aangiftes tegen hem en zijn zoon moesten worden geseponeerd.

Verweerder heeft eiser deze halsstarrige houding om zijn eigen gelijk te bewerkstelligen terecht aangerekend. Dit gedrag is vervolgens geëscaleerd in het op 25 februari 2015 gehouden gesprek met zijn leidinggevenden en medewerkers van het OM. Tijdens dat gesprek heeft eiser zich jegens het OM zodanig uitgelaten dat de hoofdofficier daarin aanleiding heeft gezien om op 4 maart 2015 aan eisers dienstleiding schriftelijk te berichten dat eiser ongeschikt is om in de opsporing werkzaam te zijn en dat de wijze van (te persoonlijke) bejegening van dien aard is dat samenwerking met het OM in de toekomst ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk wordt. Het OM heeft daarbij aangegeven niet voor zijn rekening te willen nemen dat eiser zijn werk als opsporingsambtenaar kan voortzetten.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser zich aldus teveel op het eigen gelijk heeft gericht en te weinig oog heeft gehad voor de mogelijkheid om de zaak in der minne op te kunnen lossen. Dit gedrag is dusdanig geëscaleerd dat het OM heeft medegedeeld niet meer met hem te willen samenwerken.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat het voormelde voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat eiser niet blijvend beschikt over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van een functie binnen de politie vereist zijn.

Zijn gedrag heeft de professionele verhouding tussen politie en het OM geschaad. De brief van de hoofdofficier van justitie van 4 maart 2015 spreekt in dat opzicht boekdelen. De uitstraling van een professionele politie laat de halsstarrige houding van eiser richting OM niet toe. De omstandigheid dat de bemiddeling laat is aangeboden doet naar het oordeel van de rechtbank daar niet aan af. Van eiser had mogen worden verwacht dat hij zich terughoudend had opgesteld en dat hij zich positief had opgesteld om het probleem op te lossen. Van eiser had als ervaren politieagent bovendien mogen worden verwacht dat hij het belang van de politie én de relatie met het OM niet uit het oog zou verliezen. Het gegeven dat eiser geëmotioneerd heeft gereageerd omdat het ook ging om een aangifte tegen zijn zoon, is weliswaar begrijpelijk, maar van eiser had een meer professionele houding mogen worden verwacht. Daarbij is de rechtbank niet gebleken dat eiser in een dusdanige slechte mentale toestand verkeerde dat hem zijn gedrag niet of slechts ten dele zou kunnen worden aangerekend.

4.6.

De rechtbank is verder van oordeel dat eiser genoegzaam is gewaarschuwd voor de gevolgen van zijn gedrag. In eerste instantie is eiser blijkens het daartoe ambtsedig opgemaakte telefoonrapport van 24 februari 2015 door zijn leidinggevenden [naam 1] en [naam 2] er tijdens dat telefoongesprek op die dag reeds nadrukkelijk op gewezen dat hij moest stoppen met zijn escalerend gedrag en dat zij hem adviseerden mee te werken aan het onderzoek. Bij die gelegenheid is hem ook verteld dat het niet meewerken aan het onderzoek plichtsverzuim zou kunnen opleveren waardoor hij nog verder in de problemen zou raken. Eiser heeft hieraan geen gehoor gegeven en heeft ook in het daarop volgend gesprek op 25 februari 2015, waarin door de officier van justitie uitleg is gegeven over de redenen van het onderzoek, volhard in zijn gedrag. Ook tijdens dit gesprek is eiser medegedeeld dat zijn houding en gedrag op verschillende momenten en door verschillende personen zijn ervaren als buitenproportioneel en is er een disciplinair onderzoek aangekondigd. Daarbij is eiser tijdens dat gesprek tevens een op 24 februari 2015 gedateerde brief overhandigd waarin hij nogmaals uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor zijn houding en gedrag gedurende het lopende strafrechtelijke en een eventueel disciplinair traject en dat hij zich dient te gedragen zoals van een goed (politie)ambtenaar mag worden verwacht. Verweerder heeft eiser daarin nadrukkelijk aangeraden zijn houding en gedrag bij te stellen en zich coöperatief op te stellen zodat het strafrechtelijk onderzoek kon worden afgerond.

De rechtbank stelt vast dat eiser deze waarschuwingen in de wind heeft geslagen en dat hij ook nadat hij enige tijd voor intern beraad had gehad bij zijn standpunt en zijn houding is gebleven. De rechtbank wijst daarbij op de brief van eisers gemachtigde van 26 februari 2015, gericht aan officier van justitie mr. [naam 3] , met daarin onder meer het verzoek om de zaak te seponeren, alsmede op het emailbericht van eiser van 27 februari 2015 aan zijn voormalige chef [naam 5] , waarin hij de waarschuwingen van zijn leidinggevenden aanmerkt als “disciplinair geneuzel”. Op grond daarvan heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden en in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onder de gegeven omstandigheden een verbeterkans voor eiser niet meer zinvol was. Eiser had immers tot twee keer toe te kennen gegeven niet te willen meewerken aan een bemiddeling en heeft ondanks twee waarschuwingen volhard in zijn gedrag. Ook heeft verweerder mogen menen dat voor een plaatsing elders geen ruimte meer bestond. Niet alleen heeft verweerder daarbij doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan de brief van het OM van 4 maart 2015 dat er bij het OM geen vertrouwen meer was dat hij nog als rechercheur zou kunnen functioneren, maar anderzijds heeft ook eiser meermalen aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in het bevoegd gezag van de politie, in VIK, in de voorzitter van de BAC en in het OM. Onder die omstandigheden was ook geen aanleiding voor overplaatsing.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Bij deze uitspraak is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts , voorzitter, en mr. W.B. Klaus en mr.drs. L. Beijen, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Riemeijer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.