Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:11338

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
C/15/236925 / FA RK 15-7884
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2018:1270, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In convenant overeengekomen partneralimentatie (€ 12.000 per maand), samenwonen en/of eigen inkomsten vrouw heeft geen consequentie voor hoogte alimentatie; er is een niet-wijzigingsbeding tenzij man langer dan 6 maanden werkloos, dan wordt alimentatie aangepast aan de wettelijke maatstaven. Rechtbank leidt uit convenant af dat (aanvullende) behoefte van de vrouw € 12.000 (plus indexering vanaf 2006) bedraagt; draagkracht man wordt vastgesteld op ontslagvergoeding in 2011 gedeeld door aantal maanden gedurende welke deze vergoeding kan worden aangemerkt als suppletie op lager linkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/236925 / FA RK 15-7884

Beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 14 december 2016

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Kemmers, kantoorhoudende te Hoorn Nh,

tegen

[de man] ,

Zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.L.A. van Opstal, kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 6, van de vrouw, ingekomen op 29 december 2015;

- het verweerschrift, met producties 1 tot en met 27, van de man, ingekomen op 30 maart 2016;

- de brief, met producties 28 tot en met 35, van de advocaat van de man van 19 augustus 2016;

- het aanvullend verzoekschrift, met producties 7 tot en met 15, van de vrouw, ingekomen op 24 augustus 2016;

- de brief, met producties 36 tot en met 45, van de advocaat van de man van 25 augustus 2016.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 5 september 2016 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. M. Kemmers en de man door mr. M.L.A. van Opstal.

1.3.

Ter zitting hebben de advocaten van partijen stukken overgelegd.

1.4.

Met instemming van partijen is de zaak na de behandeling van de zaak ter zitting verwezen naar de meervoudige kamer en zonder nadere mondelinge behandeling ter zitting meervoudig afgedaan.

2 Feiten en omstandigheden

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [plaats] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 december 2005.

2.2.

Bij de hiervoor genoemde beschikking van 2 december 2005 heeft de rechtbank

’s-Hertogenbosch bepaald dat het echtscheidingsconvenant dat partijen hebben gesloten, deel uitmaakt van de beschikking en dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: partnerbijdrage) dient te voldoen van € 12.132 bruto per maand. In dit convenant zijn partijen in het kader van de partnerbijdrage onder meer het volgende overeengekomen:

“Artikel 2: Partneralimentatie

2.1

Vanaf 1 september 2003 leven partijen duurzaam gescheiden. Vanaf die datum, tot aan de dag waarop de hieronder in art. 2.3 omschreven alimentatieregeling in werking treedt, heeft de man ervoor zorggedragen dat de vrouw voldoende gelden tot haar beschikking had om in haar levensonderhoud te voorzien.

2.2

Partijen komen overeen dat de alimentatieverplichting van de man tegenover de vrouw voortduurt tot de maand waarin de man 65 jaar wordt, zulks in afwijking van artikel 1:157 lid 4 BW.

2.3

Met ingang van 1 september 2003 zal de man bijdragen in het levensonderhoud

van de vrouw met een bedrag van € 12.000,-- bruto per maand. Over de maanden september tot en met december 2003 en het jaar 2004 heeft de man aan deze verplichting voldaan en vanaf 1 januari 2005 deels. Het per saldo door de man vanaf 1 januari 2005 tot de datum van ondertekening nog verschuldigde alimentatiebedrag, zal door de man worden voldaan binnen één week na ondertekening.

2.4

Vanaf aanvang van het prepensioen van de man vanaf zijn 62-jarige leeftijd zal het door de man maandelijks aan de vrouw te betalen alimentatiebedrag de helft bedragen van het in 2.3 vastgestelde alimentatiebedrag, vermeerderd met de wettelijke indexeringen in de loop der jaren. Indien en zolang de man voor aanvang van zijn prepensioen werkloos is of volledig arbeidsongeschikt, dit laatste in de zin van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man, zal de alimentatie met ingang van de eerste dag van de werkloosheid of arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste 6 maanden van de werkloosheid respectievelijk de eerste 12 maanden van de arbeidsongeschiktheid de helft bedragen van het op die eerste dag geldende, geïndexeerde alimentatiebedrag.

2.5

De in 2.3 en 2.4 genoemde en omschreven alimentatiebedragen zullen jaarlijks worden verhoogd met de wettelijke indexering, zoals bedoeld is in artikel 1:402a BW, met uitzondering van de alimentatiebedragen die worden betaald door de man aan de vrouw vanaf zijn prepensioen vanaf 62-jarige leeftijd en tijdens arbeidsongeschiktheid of werkeloosheid. Indexering zal voor het eerst plaatsvinden met ingang van 1 januari 2005.

2.6

In afwijking van artikel 1:160 BW eindigt de alimentatieverplichting van de man tegenover de vrouw niet wanneer de vrouw is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Tevens komen partijen overeen dat eventuele eigen inkomsten uit arbeid van de vrouw in de toekomst geen invloed hebben op de hoogte van de overeengekomen alimentatiebedragen.

2.7

Het in dit artikel bepaalde ten aanzien van de alimentatieverplichtingen kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in dit geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden (artikel 1:159 lid 3 BW). Daarnaast komt het alimentatiebedrag voor wijziging in aanmerking wanneer en zodra de in artikel 2.4 bedoelde werkloosheid of arbeidsongeschiktheid meer dan 6 respectievelijk 12 maanden heeft geduurd, in welk geval het dan geldende alimentatiebedrag wordt aangepast aan de wettelijke maatstaven. Voorts komt het alimentatiebedrag voor wijziging in aanmerking, indien en zodra het basissalaris van de man 20% of meer afneemt ten opzichte van zijn huidige basissalaris van € 325.000 per jaar, in welk geval het dan geldende alimentatiebedrag wordt aangepast aan de wettelijke maatstaven (met inachtneming van het volledige inkomen van de man, ook eventuele bonussen), met dien verstande dat zulks nimmer zal kunnen leiden tot een verhoging van het dan geldende alimentatiebedrag, alleen tot verlaging of ongewijzigde instandhouding van dat bedrag.”

3 Verzoek

De vrouw heeft bij aanvullend verzoek primair verzocht voor recht te verklaren dat de man in de hierna volgende periodes de hierna volgende partnerbijdragen aan haar dient te voldoen:

  • -

    01-07-2011 t/m 31-12-2011 € 13.685,54 bruto per maand;

  • -

    01-01-2012 t/m 31-12-2012 € 13.836,10 bruto per maand;

  • -

    01-01-2013 t/m 31-12-2013 € 14.071,31 bruto per maand;

  • -

    01-01-2014 t/m 31-12-2014 € 14.197,95 bruto per maand;

  • -

    01-01-2015 t/m 31-12-2015 € 14.311,53 bruto per maand;

  • -

    01-01-2016 t/m 31-12-2016 € 14.497,58 bruto per maand;

  • -

    01-01-2017 t/m 06-03-2017 € 14.497,58 bruto per maand vermeerderd met het wettelijke indexeringspercentage 2017.

dan wel – voor zover er sprake zou zijn van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 2.7 van het convenant – te bepalen dat de man met ingang van 1 juli 2011 tot en met 6 maart 2017 een zodanig bedrag aan de vrouw dient te voldoen als de rechtbank in goede justitie vaststelt.

Daarnaast heeft de vrouw verzocht te verklaren voor recht dat de man met ingang van 7 maart 2017 tot en met 6 maart 2020 gehouden is een partnerbijdrage van € 7.248,49 bruto per maand aan de vrouw te voldoen te vermeerderen met het wettelijke indexeringspercentage 2017.

De vrouw heeft voorts nog verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Zij heeft hiertoe gesteld dat de man met ingang van 1 juli 2011 geen partnerbijdrage meer heeft voldaan, terwijl hij daartoe op grond van het convenant gehouden was. De vrouw betwist in dit verband uitdrukkelijk dat uit het convenant van rechtswege zou volgen dat de alimentatie per 1 juli 2011 op nihil is gesteld. Partijen hebben geen afspraak gemaakt over de hoogte van de alimentatie per 1 juli 2011. Nu de man onvoldoende stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij geen of minder inkomsten heeft gegenereerd dan hetgeen hij tot het moment waarop hij werkloos werd, zijnde 1 januari 2011, verdiende, geldt dat de man op grond van het convenant gehouden is om met ingang van 1 juli 2011 aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 12.000 vermeerderd met de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2005.

Er is volgens de vrouw geen reden om de alimentatie niet met terugwerkende kracht vast te stellen, nu de man er rekening mee had moeten houden dat de vrouw vanaf 1 juli 2011 nog recht had op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De vrouw heeft immers vanaf juni 2011 herhaaldelijk getracht om met de man in overleg te treden, waarbij zij, omdat het overleg op niets uitliep, verschillende keren heeft getracht om de achterstallige alimentatie bij de man te incasseren. Daar komt bij dat de man om een einde aan de discussie te maken ook een procedure had kunnen starten om de alimentatie per 1 juli 2011 vast te laten stellen.

De vrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat uit het convenant volgt dat haar (aanvullende) behoefte minimaal € 12.000 bruto per maand bedraagt, verhoogd met de wettelijke indexering, en dat die minimale behoefte ook als uitgangspunt dient te worden genomen bij een (eventueel) opnieuw vast te stellen bijdrage. Aan het standpunt van de man dat zij haar (huidige) behoefte zou moeten onderbouwen en dat door het tijdsverloop zowel de behoefte als de lotsverbondenheid is verbleekt, dient, gelet op de aard en de strekking van de in het convenant gemaakt afspraken, voorbij te worden gegaan. De vrouw betwist ook dat zij in haar eigen behoefte heeft voorzien dan wel zal kunnen voorzien.

Ten aanzien van de draagkracht van de man heeft de vrouw primair gesteld dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij zich tot het uiterste heeft ingespannen om een nieuwe baan te vinden met vergelijkbare inkomsten en dat dientengevolge de partnerbijdrage ingevolge de wettelijke maatstaven per 1 juli 2011 € 13.685,54 bruto bedraagt. Subsidiair heeft de vrouw gesteld dat de man zijn huidige draagkracht niet deugdelijk heeft onderbouwd, althans onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

Het verweer van de man strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de vrouw in haar verzoek, althans tot afwijzing van het verzoek, met vaststelling van de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud vanaf 1 juli 2011 tot de datum van indiening van het verzoekschrift door de vrouw op het bedrag dat de man feitelijk heeft voldaan en vanaf laatstbedoelde datum op nihil.

Hij heeft daartoe gesteld dat in het convenant geen alimentatiebedrag is neergelegd voor de periode vanaf het moment dat zijn werkloosheid meer dan een half jaar heeft geduurd. Vaststelling van het verzochte bedrag kan dus niet op het convenant worden gebaseerd, maar slechts op grond van de in het convenant overeengekomen wettelijke maatstaven. Het is de man volstrekt onduidelijk waarom de vrouw voor wat betreft de hoogte van de door haar verzochte bijdrage aansluit bij het bedrag dat zij ontving vóór het moment waarop hij werkloos werd.

De door de vrouw bedoelde wijziging (werkloosheid) is in de in het convenant vastgelegde alimentatieregeling geïncorporeerd. Die regeling brengt met zich mee dat zijn werkloosheid leidt tot vaststelling van de alimentatie met toepassing van de wettelijke maatstaven. De vrouw is in strijd met artikel 2.7 van het convenant niet bereid te overleggen over de vraag welk bedrag aan partnerbijdrage vanaf 1 juli 2011 aan de wettelijke maatstaven voldoet: zij stelt zich zonder meer op het standpunt dat de bijdrage gelijk is aan de voor het intreden van de werkloosheid van de man geldende partnerbijdrage.

De vrouw voert geen bijzondere gronden aan voor haar verzoek om met aanzienlijke terugwerkende kracht, te weten tot 1 juli 2011, een alimentatiebedrag vast te stellen, terwijl dat volgens de huidige jurisprudentie wel zou moeten. Bovendien specificeert en bewijst de vrouw haar behoefte niet, ondanks de gemotiveerde betwisting daarvan door de man. Niet alleen zijn de behoefte van de vrouw en de lotsverbondenheid verbleekt, de vrouw heeft verdiencapaciteit en kan volledig in haar eigen levensonderhoud voorzien. Dat heeft zij in ieder geval vanaf 1 juli 2011 tot heden gedaan. Dat zij ervoor kiest om alleen vrijwilligerswerk te doen, dient voor haar rekening en risico te komen. Daarbij komt dat de man geen draagkracht heeft, zodat de door hem te betalen partnerbijdrage conform artikel 2.7 van het convenant vanaf 1 juli 2011 nihil bedraagt. Dit geldt evenzo voor het moment waarop de man met prepensioen gaat, zijnde 1 maart 2017: de man heeft door zijn werkloosheid zijn prepensioen niet verder kunnen opbouwen en bovendien ontvangt de vrouw, evenals de man, vanaf die datum een uitkering van het [pensioenfonds] van € 29.360,43 bruto per jaar, omdat dit recht volledig tijdens het huwelijk van partijen is opgebouwd. De man heeft in dat verband betwist dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om een nieuwe baan te vinden, al dan niet met vergelijkbare inkomsten: de man komt in de praktijk niet in aanmerking voor een lagere functie dan die van CEO en het is hem niet meer gelukt om weer als CEO werk te vinden. Daarnaast beschikken partijen vanaf de datum aanvang prepensioen van de man over ongeveer een zelfde vermogen en een zelfde inkomen, zodat de wettelijke maatstaven niet kunnen leiden tot alimentatiebetaling over en weer.

De man maakt bezwaar tegen de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad zoals door de vrouw is verzocht, nu hij – indien de rechtbank zou besluiten de door de vrouw verzochte partnerbijdrage vast te stellen met ingang van 1 juli 2011 – plotsklaps geconfronteerd zou worden met een verplichting die hij onmogelijk kan nakomen. Bovendien is de verzochte beslissing ten aanzien van de alimentatie zo principieel en zodanig ingrijpend dat het uitvoerbaar verklaren bij voorraad van een dergelijke beslissing meer problemen oplevert dan oplost. Gezien alle hierbij betrokken belangen en de omstandigheid dat de vrouw in het verleden feitelijk zelfstandig in haar levensonderhoud heeft voorzien, heeft de vrouw geen grond en ook geen belang bij uitvoerbaarheid bij voorraad van een beslissing over alimentatie voor het verleden.

5 Beoordeling

verklaring voor recht

5.1.

Vaststaat dat de man de in het convenant overeengekomen partnerbijdrage tot 1 januari 2011 heeft voldaan. Daarnaast staat vast dat de man op 1 januari 2011 werkloos is geworden en dat hij vanaf die datum tot 1 juli 2011 conform het bepaalde in artikel 2.4 van het convenant de helft van de in 2010 geldende alimentatie van € 13.685,54 per maand aan de vrouw heeft voldaan. Vanaf 1 juli 2011 heeft de man geen partnerbijdrage meer voldaan. Partijen twisten over de vraag of de man op grond van het convenant gehouden was om met ingang van juli 2011 een partnerbijdrage te voldoen en zo ja, welk bedrag.

Anders dan de vrouw heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat noch uit artikel 2.4 van het convenant, noch uit enig ander artikel van het convenant volgt dat de man na een periode van werkloosheid van zes maanden weer het volle bedrag aan alimentatie, zijnde € 12.000 vermeerderd met de wettelijke indexering, aan de vrouw verschuldigd zou zijn. Het primaire verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.

ontvankelijkheid

5.2.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.

5.3.

Tussen partijen is in geschil of de werkloosheid van de man dient te leiden tot een hernieuwde beoordeling van de partnerbijdrage.

5.4.

Vaststaat dat in het convenant is voorzien in de situatie dat de man werkloos zou worden, in die zin dat de alimentatie met ingang van de eerste dag van de werkloosheid gedurende de eerste 6 maanden van de werkloosheid de helft zal bedragen van het op die eerste dag geldende, geïndexeerde alimentatiebedrag (vide artikel 2.4). Voorts is voorzien in de situatie dat de werkloosheid langer dan 6 maanden heeft geduurd, in welk geval het dan geldend alimentatiebedrag wordt aangepast aan de wettelijke maatstaven (vide artikel 2.7). Tussen partijen is evenwel in geschil wat de gevolgen voor de alimentatie zijn na die eerste zes maanden van de werkloosheid. Reeds daarom kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek.

behoefte vrouw

5.5.

Partijen twisten over de hoogte van de behoefte van de vrouw.

5.6.

De rechtbank overweegt als volgt. In het convenant is in de artikelen 2.2 en 2.6 bepaald dat de alimentatieverplichting van de man tegen over de vrouw voortduurt tot de maand waarin de man 65 jaar wordt, dat deze alimentatieverplichting niet eindigt wanneer de vrouw gaat samenwonen en dat eventuele toekomstige eigen inkomsten uit arbeid van de vrouw geen invloed hebben op de hoogte van de overeengekomen alimentatiebedragen. Uit de inhoud van deze artikelen leidt de rechtbank niet alleen af dat het de bedoeling is geweest van partijen om de vrouw na de echtscheiding verzorgd achter te laten, maar ook dat partijen tijdens hun huwelijk in welstand hebben geleefd en dat de huwelijksgerelateerde aanvullende behoefte van de vrouw ten tijde van de opstelling van het convenant tenminste € 12.000 per maand bedroeg. In het licht van voornoemde bedoelingen en afspraken – in onderling verband en samenhang beschouwd – volgt de rechtbank de man niet in zijn stellingen dat de vrouw haar behoefte dient te onderbouwen, dat haar behoefte en de lotsverbondenheid zijn verbleekt en dat zij geacht moet worden in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de (aanvullende) behoefte van de vrouw thans € 12.000 bruto per maand bedraagt, vermeerderd met de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2005.

draagkracht van de man

5.7.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of en zo ja, in hoeverre, de man met ingang van 1 juli 2011 in staat moet worden geacht bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

5.8.

De man heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat hij geen draagkracht heeft om een partnerbijdrage te voldoen.

5.9.

De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. De vrouw heeft voorts gesteld dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij zich tot het uiterste heeft ingespannen om na het eindigen van zijn dienstverband bij [naam] . een nieuw baan te vinden met vergelijkbare inkomsten.

5.10.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting staat vast dat de man tot 1 januari 2011 in dienst was bij [naam] . in de functie van statutair directeur en dat hij in die functie een inkomen genoot van € 350.000 bruto per jaar. Per 1 januari 2011 is zijn dienstverband geëindigd en sindsdien is de man werkloos. De man heeft een vergoeding van € 440.000 ontvangen die hij in een [BV] . heeft ondergebracht. Sinds 2012 is de man [naam] voor een online [naam] programma van de universiteit van [plaats] . De man heeft onweersproken gesteld dat hij hiermee gemiddeld € 8.434 per jaar verdient, over welk bedrag hij geen belasting verschuldigd is. Voorts heeft de man inkomen uit de verhuur van een winkel in [plaats] ten bedrage van € 336 netto per jaar.

5.11.

De rechtbank overweegt dat bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige het niet alleen aankomt op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven. Indien een onderhoudsplichtige door eigen gedragingen een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen een inkomensvermindering die wel voor herstel vatbaar is en een inkomensvermindering die dat niet is. Er is sprake van een voor herstel vatbare inkomensvermindering indien de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht in de naaste toekomst opnieuw het oorspronkelijk inkomen te gaan verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.

De vraag die voorligt is dus of het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar is. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat het voor hem bijzonder lastig is om weer aan het arbeidsproces deel te gaan nemen. Dit gelet op zijn leeftijd, zijn eerdere functie als statutair directeur en/of CEO in de financiële wereld en gelet op de economische crisis. De rechtbank constateert dan ook dat de man niet in staat is geweest een baan te vinden met een vergelijkbaar inkomen. De man heeft eveneens voldoende aannemelijk gemaakt dat hij – gelet op zijn werkverleden, zijn leeftijd en de hoge functies die hij in het verleden in de financiële wereld heeft bekleed – niet in aanmerking komt voor een lagere functie. De rechtbank acht de man daarom niet in staat zijn oorspronkelijke inkomen dan wel een lager inkomen te verwerven en is van oordeel dat dat ook niet van hem verwacht kan worden. De vrouw heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden.

5.12.

De vrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de door de man ontvangen ontslagvergoeding van € 440.000 als inkomen dient te worden meegenomen in de beoordeling van zijn draagkracht, nu de vergoeding bedoeld was ter suppletie van zijn inkomen.

5.13.

De man heeft gesteld dat het bedrag van de vergoeding niet als inkomen in aanmerking dient te worden genomen, nu dit een ter gelegenheid van ontslag betaalde vergoeding wegens pensioenschade betreft.

5.14.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of, en zo ja in hoeverre, de ontslagvergoeding die de man heeft ontvangen in het licht van de alimentatieverplichting dient te worden aangemerkt als vergoeding voor toekomstig inkomensverlies en door hem had moeten worden aangewend ter aanvulling van zijn lagere inkomen.

Volgens vaste rechtspraak dient in beginsel de alimentatieplichtige een ontvangen ontslagvergoeding bij de beëindiging van zijn dienstverband aan te wenden voor het aanvullen van een WW-uitkering of een lager te verdienen inkomen elders om zijn inkomenspositie zo lang mogelijk op het oude niveau te houden. Alleen in uitzonderlijke
situaties wordt van deze hoofdregel afgeweken.

Vaststaat dat de man een alimentatieverplichting heeft jegens de vrouw. Gelet hierop mag van hem worden verlangd dat hij al het mogelijke doet om aan deze verplichting te kunnen voldoen. Dit betekent dat de man de ontslagvergoeding zodanig had dienen aan te wenden dat zijn alimentatieverplichting geen, althans zo min mogelijk, gevaar liep. In hetgeen de man heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden van dit uitgangspunt af te wijken. Het stond de man derhalve niet vrij om het bedrag aan te wenden om een eventueel opgelopen pensioenbreuk op te vangen. Nu hij dit toch heeft gedaan, is dit voor de rechtbank geen reden het bedrag voor de alimentatiebetalingen buiten beschouwing te laten. Voor dit oordeel is mede van belang dat in artikel 3.2 van de “settlement agreement (vaststellingsovereenkomst)” van 31 juli 2010 is opgenomen dat het aan de man is om te bepalen hoe hij de ontslagvergoeding van € 440.000 wil ontvangen en niet is opgenomen dat die vergoeding verband hield met de pensioenschade die is opgetreden door beëindiging van het dienstverband. Eerst nadat de vrouw – zoals zij onweersproken heeft gesteld – in juli 2011 de man herhaaldelijk tevergeefs om een bijdrage heeft verzocht, is in een brief van 8 augustus 2011 van [naam] namens [naam] aan de advocaat van de man onder meer verklaard dat door de beëindiging van het dienstverband een pensioenbreuk is opgetreden en dat de vergoeding die [naam] en de man zijn overeengekomen volledig verband hield met pensioenschade.

Voorts dient te worden beoordeeld of het bedrag geheel of gedeeltelijk dient te worden aangewend ter suppletie van het inkomen van de man. De man heeft in dit verband gesteld dat de [BV] waarin hij de vergoeding heeft ondergebracht een negatief eigen vermogen heeft ontwikkeld en zelfs een groot verlies heeft geleden. Los van de vraag of de man zijn stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw voldoende heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat deze keuze en de gevolgen daarvan voor zijn rekening dienen te komen en niet ten koste dienen te gaan van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw. Dit betekent dat de hele vergoeding als alimentatierelevant inkomen van de man wordt aangemerkt.

Vervolgens dient te worden beoordeeld op welke wijze en over welke periode de vergoeding dient te worden verdeeld, waarbij van belang is tot wanneer de man gehouden is om een partnerbijdrage te voldoen.

In het convenant zijn partijen overeengekomen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw voortduurt tot de maand waarin de man 65 jaar wordt, met dien verstande dat vanaf aanvang van het prepensioen van de man (op 62-jarige leeftijd) het door de man maandelijks aan de vrouw te betalen alimentatiebedrag de helft zal bedragen van € 12.000, vermeerderd met de wettelijke indexeringen in de loop der jaren. Op grond van artikel 2.7 van het convenant komt het alimentatiebedrag voor wijziging in aanmerking in verband met de werkloosheid van de man en moet dit bedrag dus met ingang van 1 juli 2011 worden aangepast aan de wettelijke maatstaven.

Nu de man onweersproken heeft gesteld dat niet alleen de man, maar ook de vrouw per 1 maart 2017, de datum waarop het prepensioen van de man aanvangt, een uitkering van – na verevening – € 29.360,43 bruto per jaar zal ontvangen, houdt de rechtbank het ervoor dat partijen per die datum beschikken over een nagenoeg gelijk inkomen, zodat de man vanaf die datum niet langer gehouden zal zijn om een partnerbijdrage te voldoen.

Gelet hierop en daarbij in aanmerking genomen dat het dienstverband van de man bij [naam] per 1 januari 2011 is geëindigd, komt het de rechtbank redelijk voor om de door de man ontvangen vergoeding van € 440.000 te verdelen over de periode van 1 januari 2011 tot 1 maart 2017 oftewel 74 maanden. Aldus berekent de rechtbank het fictieve inkomen van de man op € 5.946 per maand. De man heeft onweersproken gesteld dat hij over de vergoeding inkomstenbelasting verschuldigd was en dat hij de vergoeding (mede) om de directe afdracht daarvan te voorkomen heeft ondergebracht in een [BV] . Gelet hierop en bij gebrek aan andersluidende gegevens gaat de rechtbank er vanuit dat de man – die sinds 2011 in [plaats] woonachtig is – hierover alsnog belasting verschuldigd is. Derhalve zal worden uitgegaan van een fictief bruto inkomen van € 5.946 per maand.

5.15.

Onweersproken staat vast dat de man – na het feitelijk uiteengaan van partijen, maar nog voor de echtscheiding – in maart 2004 een woning heeft gekocht in [adres] , dat deze woning tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoorde en dat deze woning in het kader van de echtscheiding aan de man is toebedeeld. Voorts staat onweersproken vast dat de omvang van het vermogen van ieder van partijen na afwikkeling van hun ontbonden huwelijksgoederengemeenschap € 1.088.843,50 bedroeg. Verder staat vast dat de man 50% van de aandelen in [naam] houdt en dat deze vennootschap eigenaar is van een woning in [plaats] die in 2011, dus na ontbinding van het huwelijk, is aangekocht. Tevens houdt de man 50% van de aandelen in de burgerlijke vennootschap [naam] . Deze vennootschap is eigenaar van een appartement in [plaats] dat in 2006, eveneens na de ontbinding van het huwelijk, door de man en zijn huidige echtgenote, ieder voor de helft, is aangekocht.

5.16.

Aan de stelling van de vrouw dat de man geen financiële inzage heeft gegeven ten aanzien van de woning in [plaats] gaat de rechtbank voorbij, nu deze woning bij de verdeling van de gemeenschap van goederen is betrokken en is afgerekend. Overigens is ook niet gebleken dat de man inkomsten uit dit vermogensbestanddeel heeft die van belang zijn voor de berekening van zijn draagkracht: de man heeft immers onweersproken gesteld dat de inkomsten die hij heeft uit de verhuur van de woning nauwelijks de kosten van de woning dekken.

5.17.

Ook aan de stelling van de vrouw dat de man geen financiële inzage heeft gegeven in de andere vermogensbestanddelen (de woning in [plaats] en het appartement in [plaats] ) gaat de rechtbank voorbij. De aankoop van de woning in [plaats] betreft een keuze die de man met zijn vermogen uit de verdeling van de gemeenschap van goederen mocht maken. Of de man daarmee inkomsten genereert, is derhalve niet van belang voor de berekening van zijn draagkracht. Of de man het bedrag van € 220.000 dat hij heeft ingebracht bij de aankoop in de woning in [plaats] in 2011, heeft geleend van zijn [BV] .– zoals de vrouw heeft gesteld – doet evenmin ter zake nu de hele vergoeding van € 440.000 als alimentatierelevant inkomen van de man wordt aangemerkt.

5.18.

Gelet op het voorgaande, waarbij wordt uitgegaan van een fictief bruto inkomen van € 5.946 per maand, de algemene heffingskorting over dit bedrag en de netto inkomsten uit het [naam] aan de universiteit van [plaats] en de verhuur van het winkelpand in [plaats] van in totaal € 8.770 per jaar, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 4.519 per maand.

5.19.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met de lasten van de woningen in [plaats] en [plaats] , in die zin dat deze lasten in mindering dienen te strekken op zijn draagkracht. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd.

5.20.

In het verlengde van hetgeen hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van de inkomsten uit deze vermogensbestanddelen, zal evenmin rekening worden gehouden met de lasten van deze bestanddelen.

5.21.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man niet, althans onvoldoende onderbouwd dat hij € 300 per maand bijdraagt in de woonlasten van zijn nieuwe partner. In ieder geval heeft hij niet aangetoond dat zijn woonlasten de in de bijstandsnorm verdisconteerde wooncomponent van € 229 overstijgen, zodat met hogere woonlasten geen rekening wordt gehouden bij de berekening van zijn draagkracht.

5.22.

De rechtbank houdt voorts nog rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande – gelet op het voorgaande inclusief de woonkostencomponent – en een draagkrachtpercentage van 60.

5.23.

Op grond van voormelde gegevens, hetgeen hiervoor is overwogen en rekening houdend met de fiscale effecten, wordt de man in staat geacht tot betaling van een partnerbijdrage van € 3.738 per maand, zoals blijkt uit de aangehechte berekening. De rechtbank zal in die zin beslissen.

uitvoerbaarverklaring bij voorraad

5.24.

De vrouw heeft verzocht de te wijzen beschikking – voor zover mogelijk – uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De man heeft daartegen verweer gevoerd.

Nu de man – zoals hiervoor is overwogen – gehouden is om aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te voldoen, heeft de vrouw belang bij de door haar verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Aan de orde is de vraag of het belang van de vrouw bij de door haar verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad groter is dan het belang van de man om de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij een dergelijke beoordeling dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de omstandigheid dat de man rekening had dienen te houden met de mogelijkheid dat hij vanaf 1 juli 2011 nog een maandelijks bedrag aan alimentatie aan de vrouw verschuldigd was en nu de man nog over vermogen beschikt om de achterstallige alimentatie te voldoen, het belang van de vrouw bij het uitvoerbaar verklaren van de beslissing groter is dan het belang van de man bij een niet-uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1.

bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 december 2005 en het daarvan deel uitmakende convenant, de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage in de periode van 1 juli 2011 tot 7 maart 2017 op € 3.738 per maand, voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, voorzitter, en mrs. H.M. van Dam en D.H. Steenmetser-Bakker, allen rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M.L.A. Zwiersen-Dekker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.