Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1133

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1786
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Activiteitenbesluit. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere lokale omstandigheden die nopen tot het stellen van maatwerkvoorschriften ter zake van twee windturbines in Anna Paulowna.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/1786

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om voor de windturbines aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Anna Paulowna maatwerkvoorschriften te stellen.

Bij besluit van 11 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Eiser is verschenen. Hij heeft [naam] , voorzitter van de Stichting [stichting] , als zijn informant meegebracht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden

ing. J.E. Benz, mr. D. Brouwer en H.A. Struiken Boudier.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit), zoals dat luidt vanaf 1 januari 2011, voldoet een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

Op grond van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen.

1.2.

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit worden voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

2.1.

Het verzoek van eiser ziet op het bij maatwerkvoorschrift, als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit, vaststellen van normen met een andere waarde voor de geluidbelasting vanwege de windturbines in verband met bijzondere lokale omstandigheden.

2.2.

Het verzoek van eiser om maatwerkvoorschriften vast te stellen dateert weliswaar van voor de afloop van de in artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit bedoelde termijn van drie jaar na de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit, maar omdat die termijn ten tijde van het primaire besluit wel reeds was verstreken, stelt de rechtbank vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat verweerder het verzoek van eiser terecht heeft aangemerkt als een verzoek om toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit.

3.1.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft verweerder het verzoek van eiser om onder toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften te stellen, afgewezen.

3.2.

Eiser betoogt - onder verwijzing naar de verschillende belangen die in zijn visie aan de orde zijn - dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt naar aanleiding van zijn verzoek. Die uitkomst van die belangenafweging had verweerder er volgens eiser toe moeten leiden de beoogde maatwerkvoorschriften te stellen. Verweerder heeft zich volgens eiser voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat zich geen bijzondere lokale omstandigheden voordoen.

3.3.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:544) en van

10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4521) overweegt de rechtbank dat verweerder bij de vraag of verweerder gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen verweerder beleidsvrijheid toekomt. Daarnaast komt verweerder beoordelingsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere lokale omstandigheden als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit. Individuele belangen - zoals die van de omwonenden - spelen bij die beoordeling geen rol en zijn door verweerder terecht buiten beschouwing gelaten. Gelet op de beleids- en beoordelingsvrijheid van verweerder zal de rechtbank verweerders beoordeling terughoudend dienen te toetsen.

3.4.

Anders dan eiser stelt heeft verweerder bij de beantwoording van de vraag of hij gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen wel degelijk een belangenafweging gemaakt. In die belangenafweging heeft verweerder betrokken dat het gebied rondom de windturbines in de Provinciale milieuverordening Noord-Holland niet is aangewezen als stiltegebied en dat het gebied volgens het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2006 Anna Paulowna” is bestemd voor agrarische doeleinden. In het bestreden besluit en nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in de omgeving van de windturbines geen bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen die aanleiding geven tot het stellen van maatwerkvoorschriften. De omstandigheid dat het gebied rondom de windturbines feitelijk een stil gebied is, vormt niet een dergelijke bijzondere omstandigheid, aldus verweerder. Hoewel er ook particuliere woningen staan in de nabijheid van het gebied rondom de windturbines, moet dit gebied worden aangemerkt als een agrarisch productiegebied. Het (achtergrond)geluidniveau ter plaatse van de windturbines is inherent aan dergelijke gebieden waar doorgaans windturbines staan. Gelet op de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor agrarische bedrijvigheid, zal het omgevingsgeluid naar verwachting in de toekomst alleen maar toenemen. De omstandigheid dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid in het gebied laag is, is volgens verweerder op zichzelf verder niet als een bijzondere omstandigheid aan te merken, omdat dit gebruikelijk is in het buitengebied. Bij hantering van de eenheid dB Lden en dB Lnight komt voorts niet dezelfde betekenis toe aan het achtergrondgeluidsniveau als bij hantering van de eenheid dB(A) Lar, Lt.

3.5.

Voornoemde omstandigheden in ogenschouw genomen, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen bijzondere lokale omstandigheden voordoen die nopen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. De omstandigheid dat de provincie Noord-Holland in ruimtelijke procedures ten behoeve van de realisering van nieuwe windturbines inmiddels een (plaatsings)beleid voert, doet aan het voorgaande niet af. De onderhavige procedure heeft immers betrekking op de reeds bestaande windturbines aan de [locatie 1] en [locatie 2] .

Nu van bijzondere lokale omstandigheden geen sprake is, heeft verweerder reeds daarom geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van de hem op grond van artikel 3.14, derde lid, van de Activiteitenbesluit toekomende bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en
mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.