Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:11287

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
15/860091-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op 91-jarig slachtoffer tijdens de nachtelijke uren in haar woning, waarbij de daders zich de toegang tot de woning hebben verschaft door gebruik te maken van de sleutel uit het kastje van de thuiszorg (braak en valse sleutel).

Betrouwbaarheid verklaring 91-jarige aangeefster.

Unus testis bedreiging met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ondersteunend bewijs.

Hoewel de mededader later op zijn bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring terugkomt, acht de rechtbank deze verklaring betrouwbaar en zal zij deze gebruiken voor het bewijs.

Medeplegen woningoverval, vooropgezet plan. Partiële vrijspraak medeplegen geweld en bedreiging met geweld nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte een van de daders is die in de slaapkamer van het slachtoffer is geweest.

Feit van algemene bekendheid dat verdachten dubbele broeken dragen om van signalement te kunnen verwisselen.

Gevangenisstraf 15 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/860091-16 (P)

Uitspraakdatum: 29 december 2016

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 oktober 2016 en 15 december 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen verdachte (op 20 oktober 2016) en zijn raadsman, mr. F.N. Dijkers, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of omstreeks 26 april 2016 te Wormer, gemeente Wormerland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat] heeft/hebben weggenomen een handtas met inhoud en/of een hoeveelheid sieraden/bijouterie en/of een hoeveelheid tafelzilver, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdacht en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededaders) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die handtas en/of die sieraden en/of dat tafelzilver onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders het sleutelkastje waarin de sleutel van de woning hing ten behoeve van de thuiszorg geforceerd) en/of door gebruikmaking van een valse sleutel (namelijk de huissleutel uit dat sleutelkastje) en welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij en/of zijn mededader(s) naar de slaapkamer van die [slachtoffer] is/zijn gegaan (waar zij op dat moment lag te slapen) en/of de dekens van die [slachtoffer] heeft/hebben afgetrokken en/of die

[slachtoffer] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond en/of dat (op een) vuurwapen (gelijkende voorwerp) op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij zou schieten (toen die [slachtoffer] aangaf de politie te zullen bellen).

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op dinsdag 26 april 2016 omstreeks 04.33 uur komt er een melding bij de 112-spoedlijn binnen van de 91-jarige mevrouw [slachtoffer] , dat zij zojuist door meerdere personen was overvallen in haar woning aan de [straat] te Wormer. Verbalisanten, in de buurt aanwezig in verband met een andere melding, zien drie personen de Spatterstraat oversteken en naar een bij de sporthal geparkeerde auto rennen. De auto vertrekt met grote snelheid. Na een achtervolging belandt de auto onderaan een talud, waar medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en uiteindelijk ook verdachte worden aangehouden. Het openbaar ministerie start een onderzoek naar de toedracht van de woningoverval onder de naam Zeelt.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte bij de woningoverval betrokken is geweest en zo ja, of bij die overval sprake is geweest van geweld en/of bedreiging met geweld en of verdachte daarbij betrokken is geweest.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken van het ten laste gelegde feit omdat uit de onderzoeksresultaten niet blijkt dat er meer dan drie personen in de woning van het aangeefster zijn geweest of dat verdachte zich op enig moment in de woning van aangeefster heeft bevonden, dan wel dat hij een zodanige bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde feit, dat dit kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat er drie personen in haar woning waren. Zij heeft geen signalementen kunnen geven omdat het donker was in de woning en de daders doeken voor hun mond hadden. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben bekend dat zij in de woning van aangeefster zijn geweest en vertellen tijdens hun nadere verhoren bij de politie over een vierde verdachte. Verdachte had dat al op 9 mei 2016 naar voren gebracht.

Verdachte heeft van meet af aan uitdrukkelijk iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit betwist. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de door verdachte geschetste gang van zaken niet kan worden uitgesloten, laat staan dat zijn verklaring als ongeloofwaardig ter zijde kan worden geschoven en/of onaannemelijk is.

Ten aanzien van de voor verdachte belastende verklaring, die medeverdachte [medeverdachte 2] op 29 april 2016 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd, merkt de raadsman op dat deze verklaring op onderdelen als niet betrouwbaar dient te worden gekwalificeerd en daarom niet kan worden gebruikt voor het bewijs. De genoemde verklaring van [medeverdachte 2] kan namelijk niet geverifieerd worden aan objectieve feiten, die bevestiging vinden in een andere bron. Bovendien is medeverdachte [medeverdachte 2] op deze verklaring teruggekomen.

Verdachte heeft ter zitting van 20 oktober 2016 verklaard dat hij steeds bij de auto is gebleven en daar in de auto vier of vijf joints heeft gerookt.

4.3.

Betrouwbaarheid verklaring medeverdachte [medeverdachte 2] tijdens verhoor bij de rechter-commissaris op 29 april 2016

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , op 29 april 2016 bij de rechter-commissaris, op onderdelen als niet betrouwbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank acht de door medeverdachte [medeverdachte 2] op 29 april 2016 afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris wel betrouwbaar en van gewicht. [medeverdachte 2] geeft dan voor het eerst openheid van zaken en verklaart dat de verdenking klopt. Hij verklaart dat het de bedoeling was dat zij zouden gaan inbreken maar dat hij niet wist dat die mevrouw thuis was. Hij was in de woning met [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 2] verklaart ook - uit zichzelf -niet eerder met [medeverdachte 1] en [verdachte] te hebben ingebroken. Ten aanzien van het feit dat [medeverdachte 2] nadien – namelijk vijf dagen later - deze verklaring heeft herroepen en heeft verklaard dat hij met medeverdachte [medeverdachte 1] en een vierde persoon in de woning is geweest en verdachte buiten is gebleven overweegt de rechtbank als volgt. De verklaring van 29 april 2016 is aan [medeverdachte 2] voorgelezen en door hem ondertekend. Een vergissing, namelijk dat [medeverdachte 2] zou hebben begrepen dat hem gevraagd werd met wie hij was aangetroffen in plaats van met wie hij had ingebroken, lijkt daarmee uitgesloten. Er wordt namelijk in de vraagstelling duidelijk gerelateerd aan inbraken. Bovendien ligt de vraag met wie medeverdachte [medeverdachte 2] is aangehouden niet voor de hand, nu die vraag niet relevant is voor de verdenking en reeds duidelijk was met wie hij was aangehouden. De rechtbank houdt medeverdachte [medeverdachte 2] dan ook aan de op 29 april 2016 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring en gebruikt die voor het bewijs.

4.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 26 april 2016 belt mevrouw [slachtoffer] omstreeks 04.33 uur met de 112-spoedlijn. Drie personen hebben ingebroken in haar woning aan de [straat] te Wormer, het huis op de hoek van de weg naar de sporthal. Ze hebben een doosje sieraden meegenomen.2 [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van de woningoverval. Zij was rond 03.00 uur wakker geworden. Op een gegeven moment voelde ze dat de dekens van haar werden afgetrokken en zag zij twee personen naast haar bed staan.3 Toen de daders weggingen, zag [slachtoffer] nog een schim op de overloop, die achter de daders naar beneden ging. De daders hebben haar zwarte handtas en alle vorken en een aantal lepels en messen van het tafelzilver uit de woonkamer en een doosje met zilver en bijouterie vanaf het nachtkastje meegenomen.4

In de woonkamer staan meerdere lades van kasten open. In de slaapkamer, een tweede slaapkamer en op de overloop liggen spullen verspreid op de vloer. In een derde slaapkamer staat de kledingkast open en ook daar liggen spullen over de vloer.5

In verband met een melding poging inbraak op de [straat 2] te Wormer op 26 april 2016 omstreeks 03.55 uur nemen verbalisanten [H.] en [V.] positie in op de kruising Spatterstraat en Rietvinkkade te Wormer. Zij zien vervolgens dat drie personen de Spatterstraat oversteken en naar de parkeerplaats van de sporthal/tennisbaan rennen. Vervolgens rijdt een auto, een Seat Arosa met kenteken [kenteken] , met gedoofde koplampen en met grote snelheid langs de verbalisanten. De achtervolging wordt ingezet, waarbij meerdere eenheden zich aansluiten.6 Aan de passagierszijde van het voertuig worden op de Moriaanstraat meerdere malen glimmende voorwerpen en één op een breekijzer gelijkend voorwerp uit het raam gegooid. De passagier steekt meerdere malen zijn been (met effen blauwe trainingsbroek) uit de passagiersdeur aan de rechterzijde van het voertuig, kennelijk met de bedoeling om uit het voertuig te springen. Om dit te beletten, gaat verbalisant [D.] dichter achter het voertuig rijden. Er wordt een zwarte handschoen uit het raam aan de linkerzijde van het voertuig gegooid. Op de Noordweg brengt verbalisant [B.] zijn voertuig voor de vluchtauto tot stilstand, waardoor de Seat het talud afrijdt en onderaan het talud in een aldaar gelegen sloot tot stilstand komt. De beide deuren van de tweedeurs Seat worden geopend, en aan beide zijden stapt één persoon uit. Beiden personen rennen weg in de richting van de Veerdijk. Een derde persoon, die aan de passagierskant uit het voertuig stapt, wordt direct aangehouden.7 Het blijkt te gaan om medeverdachte [medeverdachte 1] .8 Verbalisant [B.] zet de achtervolging in op de twee richting de Veerdijk vluchtende personen. Een van de verdachten gaat op de grond liggen als [B.] roept ‘staan blijven, of de hond wordt ingezet’.9 Het blijkt te gaan om [medeverdachte 2] .10 De diensthond pakt het spoor van de derde verdachte op. Onder een van de boten bij het 200 meter verder gelegen botenhuis wordt de derde verdachte aangetroffen die, nadat hij eerst nog aanstalten maakte om te vluchten, met behulp van de diensthond wordt staande en aangehouden.11 De bij het botenhuis aangehouden verdachte, gekleed in een blauwe trainingsbroek, is [verdachte] .12 In de vluchtauto worden onder meer zwarte handschoenen, een schroevendraaier, een sjaal en een paar Nike schoenen aangetroffen.13

Op de Moriaanstraat worden een breekijzer, een zwarte lederen damestas, zilverkleurig bestek, verschillende soorten sieraden en een houten doosje aangetroffen.14 [slachtoffer] herkent meerdere goederen als haar eigendom (bestek, een kistje met metalen opdruk, horloges, oorbellen, broches, ketting met medaillon, kettingen, armbanden en een ring).15 Ook de zwarte handtas wordt door de dochter van [slachtoffer] herkend als de tas van haar moeder.16

Aan de woning worden kozijnschades geconstateerd op de sluitzijde van het raam aan de voorzijde en aan de onderzijde van het draairaam.17 Uit onderzoek blijkt dat de kozijnschade op de sluitzijde van het raam aan de voorzijde van de woning is veroorzaakt met de schroevendraaier, die in de vluchtauto is aangetroffen en dat de kozijnschade aan de onderzijde van het draairaam is veroorzaakt met het breekijzer, dat tijdens de vlucht uit de Seat Arosa is gegooid.18 Aan de woning zijn verder geen sporen van braak zichtbaar. Bij nader onderzoek blijkt echter dat aan de buitenzijde bij de achterdeur een kastje heeft gehangen met daarin de sleutel van de thuiszorg.19

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij met medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte in de woning van [slachtoffer] is geweest, waarbij gebruik is gemaakt van de sleutel uit het kastje van de thuiszorg.20 Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft later bekend dat hijzelf een van de personen is geweest, die in de slaapkamer van [slachtoffer] is geweest.21

4.5.

Bewijsoverwegingen

Joints roken in de auto - vluchtpogingen

Verdachte heeft verklaard dat hij niet in de woning van aangeefster is geweest. Hij is op de parkeerplaats bij de sporthal in de auto gebleven. In de auto zou hij wel vier of vijf joints hebben gerookt. De rechtbank schuift die verklaring als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde en wel om de volgende redenen. Nadat de auto in de sloot terecht was gekomen, waren de verbalisanten direct bij de vluchtauto aanwezig. Geen van de verbalisanten heeft gerelateerd over een wietlucht uit de auto. Daarvan moet toch minstens sprake zijn geweest als kort daarvoor vier of vijf joints in de auto zijn gerookt. Voorts blijkt uit geen enkel proces-verbaal dat verdachte behoorlijk stoned was tijdens zijn aanhouding. Integendeel, verdachte is het degene het verst is gevlucht. Ook de medeverdachten hebben in hun eerste verhoren niets verklaard over het roken van joints door verdachte. Pas in hun latere verklaringen hebben zijn daar iets over verklaard. De rechtbank acht deze verklaringen ook niet geloofwaardig, nu deze verklaringen zijn afgelegd nadat de verdachten in de gelegenheid zijn geweest om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat verdachte één van de drie personen is geweest die door verbalisanten om 04.00 uur door verbalisanten gesignaleerd werden toen zij naar de auto, die bij de sporthal stond geparkeerd, renden. Tijdens de rit heeft verdachte vanaf de passagiersstoel verschillende malen getracht uit de auto te komen en na de crash is verdachte gevlucht en - in vergelijking met de medeverdachten - op redelijk grote afstand aangehouden. Gezien verdachtes handelen acht de rechtbank verdachtes lezing, dat hij niets met de woningbraak te maken heeft gehad, volstrekt onaannemelijk.

Medeplegen

Verdachten hebben zich in eerste instantie hoofdzakelijk beroepen op hun zwijgrecht en, nadat het dossier was verstrekt, verklaringen afgelegd waarbij het overgrote deel van de handelingen in de schoenen van de onbekende vierde dader is geschoven en verdachte buiten schot is gehouden. Verdachte zou slechts op de heenreis vanuit Almere als chauffeur hebben gefungeerd, niet in de woning van aangeefster [slachtoffer] zijn geweest en van niets hebben geweten. De rechtbank is echter van oordeel dat in het dossier voldoende aanwijzingen zijn dat er sprake was van een vooropgezet plan, waarbij ook verdachte betrokken was. De rechtbank motiveert dat als volgt.

De verklaringen over het eerste contact tussen de verdachten komen niet overeen. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 8 september 2016 verklaard dat ze met een grote groep jongens in Almere waren en dat medeverdachte [medeverdachte 2] hem op een gegeven moment vroeg of hij hem een lift naar Wormer wilde geven. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft echter verklaard dat [medeverdachte 2] verdachte heeft gebeld om hem naar Wormer te brengen. Ook over het doel om naar Wormer te gaan is door de medeverdachten wisselend verklaard. Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] op bezoek ging bij zijn vader in Wormer. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij werd meegevraagd door medeverdachte [medeverdachte 2] omdat deze iets moest doen in Wormer. Wat precies wist hij niet. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij geld ging ophalen bij een persoon in Wormer. In de auto zou echter niet zijn gesproken over het doel van de reis, maar alleen over vakanties etc. Toen in Wormer bleek dat het geld niet aanwezig was, zou door de verdachten spontaan zijn besloten om in te breken in een woning. Verder is opmerkelijk dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] een dubbele broek droegen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit wordt gedaan om van signalement te kunnen wisselen. Al was het die nacht redelijk koud voor de tijd van het jaar dan nog acht de rechtbank dit geen aannemelijke uitleg voor het dragen van een dubbele broek, zeker nu verdachten een rit met de auto gingen maken. Voorts is het opmerkelijk dat geen van de verdachten een mobiele telefoon bij zich, zeker in deze tijd en gelet op het feit dat zij op pad zouden zijn naar een afspraak met een persoon om geld op te halen.

Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachten met een vooropgezet plan uit Almere zijn vertrokken om een woningoverval in Wormer te plegen.

Vierde dader

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij drie personen in de woning heeft gezien. Anders dan de raadsman heeft bepleit, betekent het niet dat er ‘dus’ ook maar drie personen in de woning zijn geweest. De verklaring van aangeefster dient zo te worden opgevat, dat er in ieder geval drie personen in de woning waren. De rechtbank sluit niet uit dat er, gezien het schoenspoor in de badkamer, nog een vierde verdachte in de woning is geweest. Hoewel verdachten goed waren voorbereid op de woninginbraak (zo werden er dubbele broeken gedragen en hadden zij hun mobiele telefoon thuis gelaten), is niet gebleken dat zij allen ook nog een extra paar schoenen mee hadden. Naast de Nikes in de achterbak van de Seat, waarvan het profiel geen match vormde met het schoenspoor in de badkamer van de woning van aangeefster [slachtoffer] , is niet gebleken dat er schoenen van verdachten in de omgeving van de [straat] te Wormer zijn aangetroffen. Om die reden acht de rechtbank het mogelijk dat er een vierde dader in de woning is geweest.

Partiële vrijspraak geweld en medeplegen van bedreiging met geweld

De rechtbank acht niet bewezen dat de diefstal is vergezeld van of gevolgd met geweld zodat verdachte van dat onderdeel uit de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Ook acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de tenlastegelegde bedreiging met geweld van het slachtoffer heeft medegepleegd. Uit de verklaringen van aangeefster leidt de rechtbank af dat zij is bedreigd door twee personen, die bij haar aan het bed stonden. Uit haar verklaring valt voorts af te leiden dat er nog een derde persoon in de woning aanwezig was, maar dat die persoon niet in haar slaapkamer aanwezig was. Voorts valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat een vierde persoon in de woning aanwezig was. Uit de verklaring van aangeefster valt echter niet af te leiden wie van de verdachten bij haar in de slaapkamer stonden. Alleen medeverdachte [medeverdachte 2] heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 13 oktober 2016 verklaard dat hij in de slaapkamer van aangeefster is geweest. Hij heeft echter niets over de aanwezigheid van de andere verdachten verklaard. Eerst ter terechtzitting heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij met de onbekend gebleven vierde persoon in de slaapkamer is geweest. Ook is bij géén van de verdachten een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] dat gesteld kan worden dat ook verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van bedreiging. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de bedreiging.

4.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij, tezamen en in vereniging met anderen, op 26 april 2016 te Wormer, gemeente Wormerland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [straat] heeft weggenomen een handtas met inhoud en sieraden/bijouterie en een hoeveelheid tafelzilver, toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die handtas en sieraden en dat tafelzilver onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak immers hebben verdachte en zijn mededaders het sleutelkastje waarin de sleutel van de woning hing ten behoeve van de thuiszorg geforceerd en door gebruikmaking van een valse sleutel namelijk de huissleutel uit dat sleutelkastje.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal,door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en valse sleutels

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden nu verdachte heeft aangegeven niet te willen meewerken aan reclasseringstoezicht.

7.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is samen met medeverdachten in de nachtelijke uren naar de woning gegaan van een op dat moment 91-jarige vrouw. De daders hebben het kastje van de thuiszorg opengebroken, zijn met de aldaar gevonden sleutel de woning binnengegaan en hebben de woning doorzocht. Er zijn sieraden, tafelzilver en een tas uit de woning meegenomen. De inbraak heeft plaatsgevonden in de nachtelijke uren en is voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest. Verdachten hebben door hun handelen geen enkel respect voor andermans spullen. Het hoogbejaarde slachtoffer is in haar eigen woning overvallen, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Verdachten hebben bij hun handelen enkel hun eigen financieel gewin voor ogen gehad. De rechtbank rekent verdachte en zijn mededaders dit feit des te meer aan nu het ging om een hulpbehoevend persoon. Door het aanwezig zijn van het kastje van de thuiszorg, waaruit thuiszorgmedewerkers met een code de sleutel van de woning kunnen krijgen, hadden verdachte en zijn mededaders kunnen weten dat er een kwetsbaar persoon in de woning verbleef. Dit soort laaghartige misdrijven roepen niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij familie en in de samenleving gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid op. De psychische gevolgen van het handelen van de daders, zoals onder meer uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring en de door de dochter van het slachtoffer ter terechtzitting afgelegde verklaring is gebleken, zijn groot geweest. Het slachtoffer heeft inmiddels haar vertrouwde woning moeten verlaten, kan niet meer zelfstandig wonen en verblijft in een verpleegtehuis, waar ze medicijnen krijgt in verband met een zware depressie.

Het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 20 oktober 2016 en opgesteld door mevrouw [naam] , als reclasseringsmedewerker verbonden aan Reclassering Nederland te Lelystad, vermeldt onder meer het volgende:

Betrokkene ontkent het tenlastegelegde en geeft tijdens het gesprek met de reclassering te kennen dat hij meerdere malen een verzoek tot schorsing zou hebben gedaan. Aan dit verzoek zou echter geen gehoor gegeven zijn. Betrokkene vertelt dat dit zijn schoolgang heeft belemmerd en hij derhalve geen toegevoegde waarde meer ziet in een toezicht van de reclassering.

Betrokkene beantwoordt de vragen tijdens het gesprek voornamelijk door wedervragen aan rapporteur te stellen en de confrontatie te zoeken, waarbij hij veelal lachend te kennen geeft de reclassering niet erg serieus te nemen. Er is hierdoor onvoldoende inzicht verkregen in het huidige (sociale) functioneren van betrokkene.

Vanuit het Veiligheidshuis is er grote zorg over het functioneren van betrokkene. Betrokkene lijkt reeds vanaf jonge leeftijd in een toenemende mate met politie en justitie in aanraking te komen. Daarbij lijkt sprake van zorgmijdend gedrag en lijkt betrokkene weinig vatbaar voor autoriteit. Betrokkene lijkt veelal te wisselen van opleiding zonder deze af te ronden en het ontbreekt betrokkene aan een startkwalificatie tot de arbeidsmarkt. Daarnaast zou er mogelijk sprake zijn van schuldenproblematiek en is er omgang met een antisociaal en deviant vriendennetwerk.

Betrokkene heeft in contacten zowel bij de jeugdreclassering alsook in het verleden bij de volwassenreclassering te kennen gegeven geen hulp nodig te hebben. Ook nu geeft betrokkene wederom te kennen geen hulpvraag voor de reclassering te hebben. De reclassering acht derhalve op dit moment een toezicht contra geïndiceerd.

Advies: onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De raadsman heeft ter zitting van 15 december 2016 aangevoerd dat verdachte wel een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt heeft en thans werkzaam is bij de koerier die in de reclasseringsrapportage is genoemd.

De rechtbank is, gelet op de ernst van het strafbare feit, de justitiële documentatie van verdachte en het reclasseringsrapport, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is. Gelet op het feit dat verdachte geen contact met de reclassering wil hebben, zal de rechtbank geen voorwaardelijk deel opleggen.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij mevrouw [slachtoffer], p/a mevrouw [dochter van het slachtoffer] , [adres] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.500,- ingediend tegen verdachte wegens materiële (€ 14.300,-) en immateriële (€ 1.200,-) schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit weggenomen goederen, die niet door de verzekering zijn vergoed.

De officier van justitie heeft verzocht de gehele vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Materiële schade

De materiële schade is onderbouwd met een e-mailbericht van schade-expert Brava Expertise d.d. 31 mei 2016. In dat bericht wordt een totaalbedrag van € 19.300,- genoemd als waarde van de sieraden, waarvan een bedrag van € 5.000,- door de verzekeringsmaatschappij wordt vergoed. Er is geen gedetailleerde beschrijving van de sieraden en de waarde die aan elk sieraad wordt verbonden. Met de raadsman is de rechtbank derhalve van oordeel dat de materiële schade onvoldoende is onderbouwd.

Nu uit de beschikbare stukken geen exacte bedragen naar voren komen, zal de rechtbank gebruik maken van haar bevoegdheid de omvang van de schade te schatten nu deze niet met nauwkeurigheid kan worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een geschat bedrag van € 5.000,- voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte en zijn mededaders gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem en zijn mededaders als gevolg van hun handelen kan worden toegerekend. De rechtbank zal de materiële schade voor genoemd bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de vordering aan materiële schade voor het overige niet ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

Vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.200,- komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

hoofdelijk

Het totaalbedrag aan schadevergoeding bedraagt € 6.200,-. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal in vereniging met braak] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 4.6. bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer], p/a mevrouw [dochter van het slachtoffer] , [adres] geleden schade tot een bedrag van € 6.200,- (zegge: zesduizend en tweehonderd euro), bestaande uit een geschat bedrag van € 5.000,- voor de materiële en een bedrag van € 1.200,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer], p/a mevrouw [dochter van het slachtoffer] , [adres] , de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.200,- (zegge: zesduizend tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 66 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.A.M. van Dijk, voorzitter,

mr. A.E. Patijn en mr. M.E. Fortuin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.A. van der Meij,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 december 2016.

Mr. Fortuin en mr. Van der Meij zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 P-v bevindingen 112-melding, p. 47 t/m 49.

3 P-v aangifte [slachtoffer] , p. 123 t/m 125.

4 P-v aangifte [slachtoffer] , p. 124 t/m 126.

5 P-v bevindingen, p. 51.

6 P-v bevindingen, p. 31.

7 P-v bevindingen, p. 33 en 34.

8 P-v bevindingen, p. 42.

9 P-v bevindingen, p. 38 en 39.

10 P-v bevindingen, p. 46.

11 P-v bevindingen, p. 39 en 40.

12 P-v relaas, p. 7.

13 P-v bevindingen, p. 83.

14 P-v bevindingen, p. 35.

15 P-v bevindingen, p. 182 t/m 195.

16 P-v bevindingen aangetroffen tas, p. 206 en 207.

17 P-v bevindingen, p. 59 en 60.

18 P-v werktuigsporenonderzoek, p. 110 en 111.

19 P-v bevindingen OVDR, p. 54.

20 Verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] bij de recht-commissaris op 29 april 2016, persoonsdossier verdachte p. 35.

21 Verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , als getuige afgelegd in de zaak van verdachte, ten overstaan van de rechter-commissaris op 13 oktober 2016, separaat, pag. 3