Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:11032

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
5160182
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst terwijl er sprake is van een opzegverbod. Correct nakomen reïntegratieverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0298
AR 2017/1334

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 5160182 \ AO VERZ 16-203

Uitspraakdatum: 12 oktober 2016

Beschikking in de zaak van:

[werkgever] ,

gevestigd te [vestigingsplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werkgever]

tegen

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [werkneemster]

gemachtigde: mr. F. Teuben

1 Het procesverloop

1.1.

[werkgever] heeft op 15 juni 2016 een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [werkneemster] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 25 augustus 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [werkneemster] bij brief van 23 augustus 2016 nog stukken toegezonden.

1.3.

De kantonrechter heeft op zitting het verzoek aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen om tot een schikking te komen. Partijen hebben de kantonrechter bericht dat zij niet tot een overeenkomst zijn gekomen en dat zij een beschikking wensen.

2 De feiten

2.1.

[werkneemster] , geboren [geboortedatum] 1973, is op 30 augustus 2010 in dienst getreden bij [werkgever] . De laatste functie die [werkneemster] vervulde, is die van interieurverzorger, met een salaris van € 11,13 bruto per uur, waarbij het aantal arbeidsuren 12,5 per week bedroeg. [werkneemster] werkte 2,5 uur per dag, vanaf 17.00 uur.

2.2.

[werkneemster] heeft zich halverwege 2015 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft in eerste instantie aangegeven dat [werkneemster] geen werkzaamheden kon verrichten.

2.3.

Op 15 januari 2016 is [werkneemster] wederom op spreekuur bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft vervolgens bericht aan [werkgever] dat [werkneemster] passende werkzaamheden kan verrichten, rekening houdend met haar beperkingen.

2.4.

[werkneemster] heeft vervolgens drie dagen gewerkt. Zij heeft na die drie dagen aangegeven dat zij in het geheel niet meer kon werken.

2.5.

[werkneemster] heeft een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Het UWV heeft op 15 april 2016 aan [werkneemster] bericht dat het oordeel is dat [werkneemster] de aangepaste werkzaamheden wel kon doen.

2.6.

Vervolgens is nogmaals een deskundigenoordeel gevraagd bij het UWV. Op 2 juni 2016 heeft het UWV aan [werkgever] bericht dat [werkneemster] onvoldoende meewerkt aan haar re-integratie.

2.7.

Het UWV heeft daarna een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, die geldt vanaf 1 augustus 2016. In deze FML is onder andere opgenomen dat zij ’s avonds, tussen 18.00 uur en 24.00 uur, niet kan werken.

3 Het verzoek

3.1.

[werkgever] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt [werkgever] ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – verwijtbaar handelen van de werknemer. Ter onderbouwing daarvan heeft [werkgever] het volgende naar voren gebracht. [werkneemster] komt haar re-integratieverplichtingen niet na. De bedrijfsarts en het UWV hebben geoordeeld dat [werkneemster] aangepaste werkzaamheden kan verrichten, maar zij verricht deze niet.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[werkneemster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Zij is ziek en kan niet re-integreren omdat zij niet in de avond kan werken.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [werkneemster] bij wijze van tegenverzoek om toekenning van een transitievergoeding van € 1.205,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling. [werkgever] heeft daartegen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [werkneemster] ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat echter niet in de weg aan ontbinding, omdat [werkneemster] haar re-integratieverplichtingen niet correct is nagekomen. Zij heeft immers de aangepaste werkzaamheden slechts drie dagen verricht terwijl de bedrijfsarts en het UWV meermalen hebben geoordeeld dat zij in staat was de vervangende werkzaamheden te verrichten. Pas in de FML heeft het UWV het standpunt ingenomen dat [werkneemster] niet na 18.00 uur kan werken. Maar de werkzaamheden van [werkneemster] begonnen om 17.00 uur, zodat zij wel in staat werd geacht om van 17.00 uur tot 18.00 uur te werken. Of sprake is van verwijtbaar handelen van [werkneemster] zal hierna aan de orde komen.

5.3.

De kantonrechter stelt vast dat het verzoek om ontbinding is gegrond op artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW, in verband met het zonder deugdelijke grond door [werkneemster] niet nakomen van – kort gezegd – haar re-integratieverplichtingen.

5.4.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1, BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3, BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door [werkgever] in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.6.

Uit de overgelegde stukken en de verklaringen van partijen komt naar voren dat [werkneemster] tot aan het FML van 1 augustus 2016 meermalen geschikt is geacht voor het verrichten van aangepaste werkzaamheden. [werkneemster] heeft deze aangepaste werkzaamheden slechts drie dagen in januari 2016 verricht. Pas in mei 2016 heeft zij aangegeven dat zij niet in de avond kan werken. Dit standpunt werd bij het FML pas door het UWV ondersteund. Los daarvan is zij nog altijd geschikt geacht om de aangepaste werkzaamheden te verrichten tussen 17.00 uur en 18.00 uur. [werkgever] heeft gesteld dat [werkneemster] slechts lichte werkzaaamheden hoefde te verrichten, waar ongeveer 30 minuten tijd voor stond, en dat [werkneemster] haar hele dienst van 2,5 uur aan deze werkzaamheden mocht besteden. [werkneemster] heeft dit niet weersproken en heeft geen verklaring gegeven waarom zij deze werkzaamheden niet tussen 17.00 uur en 18.00 uur kon verrichten.

5.7.In de onderhavige zaak is sprake van verwijtbaar handelen van de werknemer.

De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat herplaatsing als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW van [werkneemster] binnen een redelijke termijn in de rede ligt.

5.8.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [werkgever] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 12 november 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

5.9.

Nu aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft [werkgever] geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van [werkneemster] , omdat zij ongelijk krijgt.

het tegenverzoek

5.11.

[werkneemster] heeft een verzoek gedaan om [werkgever] te veroordelen een transitievergoeding te betalen. Volgens [werkneemster] is [werkgever] op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd van € 1.205,76.

5.12.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. Slechts indien er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer wordt hiervan afgeweken. Hoewel er sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten, is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, als bedoeld in artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW. Hiertoe is het navolgende redengevend. Niet in geschil is dat [werkneemster] niet in staat is om haar eigen werkzaamheden uit te voeren. Ten aanzien van de aangepaste werkzaamheden is in geschil geweest of [werkneemster] deze kon verrichten. Het UWV heeft uiteindelijk bij de FML bevestigd dat [werkneemster] niet na 18.00 uur kan werken. Gelet op artikel 7:673 lid 2 BW heeft [werkneemster] daarom aanspraak op een transitievergoeding van € 1.205,76. [werkgever] zal daarom worden veroordeeld tot betaling daarvan.

5.13.

De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat zij ongelijk krijgt. Nu het tegenverzoek in het verweerschrift is opgenomen en er geen andere proceshandelingen zijn verricht, worden de proceskosten aan de zijde van [werkneemster] op nihil gesteld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 12 november 2016;

6.2.

veroordeelt [werkneemster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werkgever] tot en met vandaag vaststelt op € 117,00, te weten:

griffierecht € 117,00;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

het tegenverzoek

6.4.

veroordeelt [werkgever] om aan [werkneemster] een transitievergoeding te betalen van
€ 1.205,76 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 november 2016 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.5.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werkneemster] tot en met vandaag vaststelt op nihil;

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. H.A.M. Röell-Mulder, kantonrechter en op 12 oktober 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter