Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:11025

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
C/15/248743 / HA RK 16/168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren noch op zich noch in samenhang dan ook grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/248743 / HA RK 16/168

Beslissing van 8 november 2016

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

Het verzoek is gericht tegen:

mr. A.L. Diender

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1

Verzoeker heeft op 20 september 2016 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie familie & jeugd, locatie Haarlem aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/240728 / FA RK 16-1681, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 28 oktober 2016. Verzoeker, de rechter en wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker en de rechter zijn verschenen. De wederpartij in de hoofdzaak heeft van de geboden gelegenheid, zonder bericht, geen gebruik gemaakt.

2 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker stelt dat sprake is van feiten en omstandigheden van zowel subjectieve partijdigheid als objectieve partijdigheid, waardoor de vrees is ontstaan dat de rechter niet onpartijdig is in de hoofdzaak. Daaraan legt verzoeker – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat de rechter hem monddood heeft gemaakt, hetgeen blijkt uit de volgende gebeurtenissen op en na de zitting van 19 september 2016:

1. de rechter was geïrriteerd na een opmerking van verzoeker over de belangenverstrengeling bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem;

2. de rechter wist niets over de toezegging van de griffier van de rechtbank dat hij zijn vragen in een e-mailbericht kon voorleggen aan de rechter;

3. de rechter wilde het e-mailbericht van verzoeker niet zien;

4. de rechter accepteerde dat de school, waar het jongste kind onderwijs volgt, niet wordt genoemd omdat verzoeker van die school niet op de hoogte is. De rechter zou hierop nog terugkomen, maar dat is gedurende de zitting niet gebeurd;

5. verzoeker mocht aan het einde van de zitting zijn inhoudelijke reactie op het rapport van de bijzonder curator niet afmaken. De bijzonder curator zou ook ter zitting aanwezig zijn, zo was hem voorgehouden, maar dat was niet het geval;

6. de wederpartij vertelde volgens verzoeker allerlei onwaarheden, onder meer dat verzoeker de scholen van de kinderen zou zijn binnengevallen. Een
e-mailbericht van [middelbare school] dat daarop zag, mocht hij niet inzien en de rechter accepteerde dat;

7. verzoeker wilde wat over de juffen van de basisschool zeggen, maar dat mocht ondanks protest van de verzoeker niet van de rechter;

8. nadat verzoeker door de beveiliging uit de rechtszaal was verwijderd, is verzoeker onheus behandeld door de beveiliging. De rechter is hiervan de initiator geweest.

Voorts heeft verzoeker zijn standpunten toegelicht conform zijn ter zitting overgelegde aantekeningen.

3 Het standpunt van de rechter

De rechter heeft bestreden dat sprake is van partijdigheid of het wekken van de schijn van partijdigheid en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. Ter zitting heeft de rechter verzoeker meegedeeld dat een aantal zaken die verzoeker naar voren heeft gebracht niet relevant zijn voor het nemen van de beslissing. Omwille van de voortgang van de procedure ter zitting heeft de rechter aangegeven dat hij ervoor moet waken dat ieder van partijen zijn of haar zegje kan doen. De rechter heeft verder verklaard dat de omgang tussen verzoeker en zijn beide zoons was gestopt en dat het in de hoofdzaak de bedoeling was een behandeltraject voor beide kinderen in gang te zetten. Onderzocht diende te worden waar de weerstand van de kinderen tegen de omgang met hun vader (verzoeker) vandaan komt. Dat was het doel van de zitting en partijen hebben ook verklaard met de voorgestelde hulpverlening akkoord te gaan. De rechter is van mening dat het voor het nemen van deze beslissing niet nodig is dat verzoeker telkens benadrukt wat bijvoorbeeld de juffen van school hebben verklaard of dat een bericht van [middelbare school] niet wordt besproken. Dat hij deze punten niet heeft benoemd of behandeld, getuigt volgens de rechter niet van partijdigheid of een vooroordeel van de rechter. De rechter heeft ten aanzien van hetgeen buiten de zitting is voorgevallen, nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, verklaard dat hij daarin geen enkele rol heeft gespeeld en dat dit ook buiten het verzoek tot wraking valt. De rechter heeft dan ook verzocht, mede in het belang van de kinderen, het wrakingsverzoek af te wijzen.

4 De beoordeling

4.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn, indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

4.2

Verzoeker heeft geen argumenten naar voren gebracht, waaruit kan worden geconcludeerd dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

4.3

Met betrekking tot de objectieve toets overweegt de wrakingskamer het volgende.

4.3.1

De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter de regie heeft van de zitting. Het behoort tot zijn taak de zitting te leiden, waaronder het bepalen van de (volgorde van de) te behandelen onderwerpen. Een behandeling van een verzoek ter zitting heeft tot doel de rechter in de gelegenheid te stellen de door hem benodigde informatie te vergaren. De rechter kan daarom, indien het betoog van partijen niet van doen heeft met de aan de orde zijnde vraag, dat betoog onderbreken.

4.3.2

In het onderhavige geval is verder relevant dat de rechter een eerder gevoerd kort geding tussen verzoeker en de moeder van de kinderen heeft behandeld en dat daarin dezelfde onderwerpen als in de voorliggende procedure aan de orde zijn geweest. Onder deze omstandigheden was de keuze van de rechter om ter zitting niet nogmaals de eerder besproken onderwerpen aan de orde te stellen, maar de beschikbare zittingstijd te besteden aan de inhoudelijke behandeling van de zaak, niet onbegrijpelijk. Het was voor de rechter immers van belang duidelijkheid te krijgen over de vraag of beide partijen toestemden in behandeling van de kinderen door het Kinder- en Jeugdtraumacentrum (KJTC).

4.3.3

Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat verzoeker het vervelend vond dat de rechter hem onderbrak, maakt die beleving niet dat objectief aan de onpartijdigheid van de rechter getwijfeld kan worden. Van belang is daarbij dat de rechter het betoog slechts heeft onderbroken en verzoeker niet het woord heeft ontnomen, zoals valt op te maken uit het proces-verbaal van de zitting.

4.3.4

Ook is relevant dat zowel uit de reactie van de rechter tijdens de behandeling van de wraking als uit hetgeen partijen tijdens de behandeling van de hoofdzaak naar voren hebben gebracht blijkt, dat de partijen hun standpunten over bedoelde vraag naar voren hebben kunnen brengen en beiden van mening zijn dat hulpverlening voor de kinderen nodig is. Partijen verschillen alleen van mening over de totstandkoming van de rapportage van de bijzonder curator.

4.3.5

Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt voorts dat de rechter tijdens de behandeling van het verzoek met partijen heeft gezocht naar een mogelijkheid tot hulpverlening voor de kinderen met als doel te bewerkstelligen dat de kinderen weer omgang krijgen met hun vader en dat de rechter daarbij steeds het belang van de kinderen heeft benadrukt.

4.4

Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is, zodat de objectieve toets geen grond voor wraking vormt.

4.5

De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren noch op zich noch in samenhang dan ook grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer zal het verzoek daarom afwijzen.

4.6

Verzoeker heeft inmiddels twee verzoeken tot wraking ingediend, die zijn afgewezen. De wrakingskamer ziet daarom aanleiding om toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel wraking.

5 Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

5.1

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

5.2

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen,

5.3

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

5.4

beveelt dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. Th.S. Röell, voorzitter, mr. C.E. van Oosten-van Smaalen en mr. Ch.A. van Dijk, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.