Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:11024

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
C/15/249115 / HA RK 16/177
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/249115 / HA RK 16/177

Beslissing van 28 oktober 2016

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. E.J. Bellaart,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1

Verzoeker heeft op 23 september 2016 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, afdeling publiekrecht, sectie straf, locatie Haarlem aanhangige zaak met als parketnummer 15-143788-16, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. De officier van justitie in de hoofdzaak heeft eveneens schriftelijk gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 18 oktober 2016. Verzoeker, de rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is verschenen. De rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak hebben van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft de rechter gewraakt omdat zij hem belet om een goede verdediging te voeren. Ter onderbouwing heeft hij – samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft voorafgaand aan de zitting alleen een dagvaarding ontvangen maar niet een procesdossier. Hierdoor is hem de mogelijkheid ontnomen om zich goed te kunnen verdedigen.

Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer verklaard dat de rechter hem vijf minuten de tijd heeft willen geven om alsnog het dossier in te zien, doch dat hij dit aanbod heeft afgeslagen omdat dit onvoldoende is voor een goede voorbereiding.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

3.2

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de wrakingskamer vast dat verzoeker is gedagvaard voor de politierechter, dat hij aldaar is verschenen en dat zich voor hem geen advocaat heeft gesteld. In strafzaken is het gebruikelijk dat de advocaat een afschrift van het procesdossier ontvangt, doch dat dit dossier niet aan een verdachte wordt verstrekt. Conform artikel 34 Wetboek van Strafvordering kan een verdachte verzoeken om inzage van de processtukken. Verzoeker heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Hij heeft de rechter nadat zij hem uitleg had gegeven over de algemene gang van zaken omtrent het verstrekken/inzien van procesdossiers aansluitend gewraakt. Ter zitting heeft verzoeker de wrakingskamer duidelijk gemaakt dat hij zich in zijn rechten als verdachte geschaad acht door deze gebruikelijke gang van zaken bij het openbaar ministerie en op de griffie van de rechtbank; op grond waarvan hij meent dat daardoor de rechter partijdig of niet onafhankelijk is, is echter niet duidelijk geworden.

3.3

Gesteld noch gebleken zijn omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is, zodat de objectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.4

De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. Niet valt in te zien op welke wijze de uitleg aan verdachte over de algemene gang van zaken omtrent het verstrekken/inzien van het procesdossier zou kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

3.5

De rechtbank ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 515, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, nu gelet op verzoekers houding/mededelingen/uitlatingen ter zitting van de wrakingskamer niet kan worden uitgesloten dat hij op een volgende zitting de rechter weer zal wraken indien hij meent dat door hantering van procedurele regels zijn rechten als verdachte worden beknot. Dit duidt naar het oordeel van de rechtbank op de mogelijkheid van misbruik van het rechtsmiddel wraking.

4 Beslissing

De rechtbank

4.1

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

4.2

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen,

4.3

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.4

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team straf, locatie Haarlem.

Deze beslissing is gegeven door mr. Th.S. Röell, voorzitter, mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. H.M. van Dam, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van J.A. Huismans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.