Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1094

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
HAA 15-2046
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

In de omstandigheid dat opposant op Aruba woont en, zoals opposant heeft gesteld, de post later ontvangt, ziet de rechtbank geen verontschuldiging voor dit verzuim. De verzending van het betalingsverzoek heeft plaatsgevonden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8:41, vierde lid, van de Awb in samenhang gezien met artikel 12 van de Procesregeling bestuursrecht 2013.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/2046

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2016 op het verzet van

[opposant] , te [naam land] , opposant

(gemachtigde: drs. M.L. Hassell).

Procesverloop

Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland van 24 maart 2015 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 2 oktober 2015 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Opposant is niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant het griffierecht niet heeft voldaan. Ook heeft opposant verzuimd binnen de gestelde termijn de gronden van het beroep in te dienen en een afschrift van het bestreden besluit over te leggen.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de aanmaning van de nota griffierecht niet alle benodigde gegevens bevat om met succes vanuit het buitenland het verschuldigde bedrag aan griffierecht te kunnen overmaken. Zo ontbreken de adresgegevens van de bank in kwestie. Opposant stelt dat sinds kort de adresgegevens van de bank een vereiste zijn om met succes een bedrag naar het buitenland te kunnen overmaken. De regels inzake het internationale betalingsverkeer zijn veranderd.

Opposant stelt verder dat hij nu hij de aanmaning na het overschrijden van de gestelde termijn heeft ontvangen het voor hem ondoenlijk was om het griffierecht binnen de gestelde termijn op de rekening van de rechtbank bij te schrijven. Opposant had van de rechtbank verwacht dat hij in de gelegenheid zou worden gesteld om een reden te geven voor het niet betalen van het griffierecht.

Daarnaast stelt opposant dat hij binnen de gestelde termijn beroepsgronden heeft aangevoerd.

4. Vaststaat dat opposant het griffierecht niet heeft betaald en de beroepsgronden en het bestreden besluit niet door de rechtbank zijn ontvangen.

5. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, € 167,-. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

6. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 10 juni 2015 opposant in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. In deze brief staat, naast het betalingskenmerk, ook het BIC nummer van de Royal Bank of Scotland en het IBAN nummer van de rechtspraak vermeld. Ook staan de contactgegevens van de financiële administratie van de rechtspraak vermeld op deze brief. Wanneer deze gegevens voor opposant onvoldoende zijn om een betaling vanuit het buitenland te verrichten, ligt het op de weg van opposant om contact op te nemen met de instantie zoals vermeld in de brief van 10 juli 2015. Dat opposant dat (blijkbaar) heeft nagelaten dient voor zijn rekening te blijven.

7. Bij uitspraak van 15 juli 2005 van de Centrale Raad van Beroep (ECLI: CRVB:2005:AT9833) is geoordeeld dat er omstandigheden zijn die meebrengen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de niet-tijdige betaling van het griffierecht in verzuim is geweest. Zo’n omstandigheid zou kunnen zijn gelegen in problemen met het betalingsverkeer vanuit het buitenland, met als gevolg bij betalingsproblemen in het buitenland een kleine overschrijding van de termijn van betaling van het griffierecht wellicht verschoonbaar kan worden geacht. In casu oordeelt de rechtbank, nu opposant het griffierecht niet heeft voldaan, van dergelijke problemen niet is gebleken. Redelijkerwijs kan niet worden geoordeeld dat opposant ter zake van de niet-tijdige betaling van het griffierecht niet in verzuim is geweest.

8. In de omstandigheid dat opposant op [naam land] woont en, zoals opposant heeft gesteld, de post later ontvangt, ziet de rechtbank geen verontschuldiging voor dit verzuim. De verzending van het betalingsverzoek heeft plaatsgevonden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8:41, vierde lid, van de Awb in samenhang gezien met artikel 12 van de Procesregeling bestuursrecht 2013.

9. Ten aanzien van de stelling van opposant dat hij tijdig de beroepsgronden heeft ingediend overweegt de rechtbank dat de enkele stelling van opposant, zonder dat hij deze heeft onderbouwd met bewijsstukken, onvoldoende is om aan te nemen dat de gronden (tijdig) aan de rechtbank zijn toegezonden. De gronden bevinden zich niet in onderhavig dossier.

10. Ten aanzien van het niet overleggen van het bestreden besluit stelt opposant niets.

11. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 2 oktober 2015. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.