Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1080

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
15/710433-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen; bewezenverklaring dierenmishandeling; strafoplegging.

Verdachte heeft gedurende een periode van zes maanden een kat zeer ernstig mishandeld. Hij maakte filmpjes van zijn daden en stuurde deze op naar zijn zus. Dierenmishandeling is een ernstig feit. Dieren zijn machteloos en afhankelijk van hun verzorger. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit in casu niet dusdanig is dat de forse afwijking van de geldende richtlijnen door de officier van justitie in haar strafeis gerechtvaardigd is.

De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat de door verdachte gemaakte filmpjes door handelen van een derde in de openbaarheid zijn gekomen, waar verdachte zelf niet voor heeft gekozen. Hij is daardoor gestraft door buitenproportionele reacties van derden en het feit dat hij vanwege de in de openbaarheid gekomen filmpjes door zijn werkgever is ontslagen. Deze omstandigheden wegen voor de rechtbank mee bij de bepaling van de uiteindelijke strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710433-14 (P)

Uitspraakdatum: 5 februari 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te Amsterdam,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. Y.M. Eising en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Kochheim-Bossink, advocaat te Aerdenhout, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 12 mei 2014 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, meerdere malen, althans eenmaal, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, (telkens) opzettelijk bij een kat (genaamd Luna) (een Europese korthaar) (zwart wit gekleurd) pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van deze kat heeft benadeeld, immers heeft hij meerdere malen, althans eenmaal (met kracht):

- de kat bij de keel gepakt en/of de keel dichtgedrukt en/of

- ( met zijn knie) de kat tegen de grond en/of de bank aan gedrukt en/of gehouden en/of op de kat gezeten en/of

- een doek/deken over de kat heen gegooid en/of gelegd en/of gewikkeld en/of de kat met een doek/ deken geslagen en/of

- de achterzijde van de kat vastgepakt en/of heen en weer geschud en/of rondgedraaid en/of

- de staart van de kat vastgepakt en/of aan de staart getrokken en/of de kat aan de staart omhoog getild en/of

- de kat een schop en/of trap gegeven en/of

- de kat achter de voorpoten vastgepakt en/of met de voorpoten geschud en/of

- een kattenmand over de kat heen gedrukt en/of de kat met een kattenmand geslagen en/of

- de kat rond geslingerd en/of

- de/een kattenbak tegen de kat aan gedrukt en/of op de kat gezet en/of

- de kat met een stok geprikt en/of met de stok tegen (de zijkant van) de kat geslagen en/of

- in het hoofd en/of een/de o(o)r(en) van de kat gebeten en/of

- in de staart van de kat gebeten en/of

- een touw om de nek van de kat geslagen/gebonden en/of (vervolgens) aan dit touw getrokken en/of

- een aansteker aangestoken in de richting van de kat.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1.

Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Zij heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat op het feit, gelet op de pleegdatum, de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren van toepassing is, die is vervallen per 1 juli 2014. Ook gold destijds een andere OM-richtlijn. Volgens deze richtlijn zou verdachte niet gedagvaard hebben mogen worden, maar had hem een transactie moeten worden aangeboden. Nu verdachte geen transactie aangeboden is, maar hij is gedagvaard, is in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Blijkens de destijds vigerende Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing had voor de mishandeling van een kat zonder bijzondere omstandigheden als uitgangspunt een transactie aangeboden moeten worden. De ernst en duur van de verdenking en de maatschappelijke onrust die dit teweeg heeft gebracht na het openbaar maken van de door verdachte gemaakt filmpjes van de mishandelingen van de kat, rechtvaardigen blijkens dezelfde Richtlijn echter de beslissing tot dagvaarden. Er is voorts geen concrete mededeling gedaan door het OM dat verdachte een transactie zou worden aangeboden. Aldus is door het OM niet gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 17 mei 2014 (dossierpagina 64 t/m 68);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2014 (dossierpagina 112 t/m 117);

  • -

    het rapport van Symbiant pathology expert centre d.d. 13 mei 2014 (dossierpagina 69 t/m 72).

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit

heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 12 december 2013 tot en met 12 mei 2014 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, meerdere malen, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, telkens opzettelijk bij een kat (genaamd Luna) (een Europese korthaar) (zwart wit gekleurd) pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en de gezondheid en het welzijn van deze kat heeft benadeeld, immers heeft hij meerdere malen, met kracht:

- de kat bij de keel gepakt en de keel dichtgedrukt en

- met zijn knie de kat tegen de grond en de bank aan gedrukt en/of gehouden en op de kat gezeten en

- een doek over de kat heen gegooid en/of gelegd en/of gewikkeld en

- de achterzijde van de kat vastgepakt en heen en weer geschud en rondgedraaid en

- de staart van de kat vastgepakt en/of aan de staart getrokken en

- de kat een schop en/of trap gegeven en

- de kat achter de voorpoten vastgepakt en met de voorpoten geschud en

- een kattenmand over de kat heen gedrukt en de kat met een kattenmand geslagen en

- de kat rond geslingerd en

- de kattenbak tegen de kat aan gedrukt en op de kat gezet en

- de kat met een stok geprikt en met de stok tegen de zijkant van de kat geslagen en

- in het hoofd en de oren van de kat gebeten en

- in de staart van de kat gebeten en

- een touw om de nek van de kat geslagen/gebonden en vervolgens aan dit touw getrokken en

- een aansteker aangestoken in de richting van de kat.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

zich gedragen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van tweehonderdveertig (240) uren taakstraf subsidiair honderdtwintig (120) dagen hechtenis, waarvan tachtig (80) uren taakstraf subsidiair veertig (40) dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen volgens de officier van justitie de voorwaarden te worden verbonden die vermeld zijn in het reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland, Adviesunit 2 Noord-West te Haarlem d.d. 8 januari 2016 (meldplicht, ambulante behandelverplichting bij de Waag en andere voorwaarden het gedrag betreffende; doorverwijzing/intake bij de reguliere GGZ.)

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van zes maanden een kat zeer ernstig mishandeld. Hij maakte filmpjes van zijn daden en stuurde deze op naar zijn zus. Dierenmishandeling is een ernstig feit. Dieren zijn machteloos en afhankelijk van hun verzorger. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit in casu niet dusdanig is dat de forse afwijking van de geldende richtlijnen door de officier van justitie in haar strafeis gerechtvaardigd is.

De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat de door verdachte gemaakte filmpjes door handelen van een derde in de openbaarheid zijn gekomen, waar verdachte zelf niet voor heeft gekozen. Hij is daardoor gestraft door buitenproportionele reacties van derden en het feit dat hij vanwege de in de openbaarheid gekomen filmpjes door zijn werkgever is ontslagen. Deze omstandigheden wegen voor de rechtbank mee bij de bepaling van de uiteindelijke strafmaat.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- Het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 17 juni 2015, waaruit blijkt dat verdachte in dat register niet eerder als verdachte is geregistreerd.

- Het psychologisch rapport gedateerd 19 oktober 2015 van drs. [psycholoog], GZ-psycholoog, onder supervisie van drs. [psycholoog], klinisch psycholoog.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Verdachte lijdt, en leed ook ten tijde van het plegen van het feit, aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een depressieve stoornis en sociale fobie met als differentiaal diagnose een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens in de vorm van een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. De recidivekans op soortgelijke delicten wordt, ook bij het voortbestaan van de stoornissen, als laag ingeschat. Geadviseerd wordt om betrokkene voor het ten laste gelegde enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen en zij maakt deze tot de hare.

- Het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 8 januari 2016 van mw. [reclasseringswerkster], als reclasseringswerkster verbonden aan de Reclassering Nederland, Adviesunit 2 Noord-West te Haarlem.

Uit dit rapport komt naar voren dat, na een gesprek met verdachte en een gesprek met de Waag, de Reclassering van mening is dat verdachte is gebaat bij continuering van de behandeling bij de Waag en een toezicht bij de reclassering. Binnen de behandeling kan verdachte leren om met zijn psychische problematiek om te gaan en kan er daarnaast ook gekeken worden naar de achtergronden van het delictgedrag. Voorts is door de behandelaar bij De Waag aangegeven dat er bij De Waag nog gewerkt kan worden aan vergroten van inzicht in zijn delict en verbeteren van zijn oplossingsvaardigheden. Ook zou doorverwijzing naar de reguliere GGZ geïndiceerd zijn daar verdachte kampt met een angstprobleem, hetgeen niet bij de Waag kan worden behandeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering noodzakelijk, alsmede behandeling bij FPK De Waag te Haarlem of een soortgelijke instelling en behandeling van de problematiek, hetgeen zich uit in de vorm van angsten, bij de reguliere GGZ.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 36, 121, 122 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (oud).

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van tachtig (80) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door veertig (40) dagen hechtenis, met bevel dat een gedeelte groot veertig (40) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door twintig (20) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

Meldplicht

- zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de Reclassering Nederland op het adres: Zijlweg 148c te Haarlem en zich hierna zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd nodig acht.

Ambulante behandeling

- zich onder behandeling zal stellen bij FPK De Waag te Haarlem of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Andere voorwaarden het gedrag betreffende

- zich zal laten behandelen voor zijn problematiek, hetgeen zich uit in de vorm van angsten, bij de reguliere GGZ; nu dit onderdeel niet bij de Waag kan worden behandeld zal veroordeelde binnen zijn toezicht periode worden door doorverwezen naar de reguliere GGZ om dit te verwezenlijken.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W. Veldhuijzen van Zanten, voorzitter,

mr. D. Gruijters en mr. B.J.G. Leeuw, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2016.

Mr. Leeuw is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.