Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10695

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 216
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. De rechtbank stelt prejudiciële vragen over de geldigheid van de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 en 2016/1731 (betreffende – zakelijk weergegeven – het, tot uitvoering van de arresten van het HvJ in de zaken C-659/13 en -34/14 opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en de Volksrepubliek China en inning van het voorlopig recht op dit product gefabriceerd door producenten uit eerdergenoemde landen)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0152 met annotatie van Eline Polak
FutD 2017-0117
NTFR 2017/267 met annotatie van mr B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 14/216 en HAA 14/218

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2016 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Ouwehand),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder.

Procesverloop

HAA 14/216

Eiseres heeft op 22 december 2011 verweerder verzocht om een terugbetaling van
€ 18,89 aan antidumpingrechten. Eiseres heeft dit verzoek op 13 mei 2013 aangevuld.

Verweerder heeft dit verzoek bij beschikking van 29 juli 2013 afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 december 2013 het tegen deze afwijzende beschikking gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

HAA 14/218

Eiseres heeft op 22 december 2011 verweerder verzocht om een terugbetaling van
€ 12,83 aan antidumpingrechten. Eiseres heeft dit verzoek op 13 mei 2013 aangevuld.

Verweerder heeft dit verzoek bij beschikking van 29 juli 2013 afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 december 2013 het tegen deze afwijzende beschikking gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Alle zaken

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

De rechtbank heeft op 5 december 2014 het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om een prejudiciële beslissing op de volgende vragen:

1) Is Verordening (EG) nr. 1472/2006 nietig voor zover zij betrekking heeft op [A BEDRIJF] . Ltd. gevestigd te Vietnam en [B BEDRIJF] Ltd. gevestigd in de Volksrepubliek China, aangezien de artikelen 2, zevende lid, sub b, en 9, vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (hierna: de Basisverordening) zijn geschonden, nu de Commissie de verzoeken van de voornoemde uitvoerende producenten om als marktgericht bedrijf te worden behandeld of om een individuele behandeling te verkrijgen, niet heeft onderzocht?

2) Is Verordening (EG) nr. 1472/2006 nietig voor zover zij betrekking heeft op de bij vraag 1) genoemde producenten, omdat artikel 2, zevende lid, sub c, van de Basisverordening is geschonden, nu de Commissie niet binnen drie maanden na de inleiding van de procedure een vaststelling heeft gedaan?

3) Is Verordening (EG) nr. 1472/2006 nietig voor zover zij betrekking heeft op [E BEDRIJF] , onderdeel van [F BEDRIJF] Ltd., [NAAM] , gevestigd in Vietnam, en [G BEDRIJF] , onderdeel van [H BEDRIJF] , gevestigd in de Volksrepubliek China, aangezien artikel 2, zevende lid, sub c, van de Basisverordening is geschonden, nu de Commissie niet binnen drie maanden na de inleiding van de procedure een vaststelling heeft gedaan?

Op 4 februari 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen in de gevoegde zaken C-659/13 en C- 34/14 (C & J Clark International Ltd en Puma SE, ECLI:EU:C:2016:74). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de rechtbank daarop gevraagd of zij het verzoek van 5 december 2014 wilde handhaven. De rechtbank heeft het verzoek daarop ingetrokken.

Partijen hebben op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie gereageerd. Eiseres heeft nadere stukken ingediend, die in afschrift zijn verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2016. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door E. Vermulst, advocaat te Brussel. Namens verweerder zijn verschenen mr. J.H. Wijnbelt, L. van der Spoel, mr. N.A.J. den Ouden en K.M. Chung. De beroepen zijn tegelijkertijd behandeld met de beroepen met de nummers HAA 14/215 en 14/217, die ook namens eiseres zijn ingediend.

Overwegingen

Feiten

1. Op 7 juli 2005 heeft de Commissie via een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie (2005/C 166/06) de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam.

2. Met Verordening (EG) nr. 553/2006 van 23 maart 2006 heeft de Commissie een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam.

3. De Raad heeft op 5 oktober 2006 Verordening (EG) nr. 1472/2006, Publicatieblad nr. L275/1, 6 oktober 2006, uitgevaardigd tot instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (hierna: Verordening (EG)
nr. 1472/2006). In artikel 3 van Verordening (EG) 1472/2006 is bepaald dat zij gedurende twee jaar van kracht is vanaf de dag volgende op die van bekendmaking in het Publicatieblad.

4. Bij een in het Publicatieblad van de Europese Unie van 3 oktober 2008 (PB C 251, blz. 21) bekendgemaakt bericht heeft de Commissie de inleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaald schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam aangekondigd.

5. De Raad heeft op 22 december 2009 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 1294/2009, Publicatieblad L 352/1 van 30 december 2009, uitgevaardigd tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (hierna: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009. In artikel 2 van Verordening (EU) Nr. 1294/2009 is bepaald dat zij gedurende 15 maanden van kracht is vanaf de dag volgende op die van bekendmaking in het Publicatieblad.

6. De onderhavige verzoeken om terugbetaling zien op antidumpingrechten die eiseres heeft betaald in verband met in maart 2011 gedane aangiften voor het brengen in het vrije verkeer van schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam. Het schoeisel is vervaardigd door:

Zaak HAA 14/216: [A BEDRIJF] . Ltd. gevestigd in Vietnam;

Zaak HAA 14/218: [I BEDRIJF] Ltd. gevestigd in de Volksrepubliek China. Partijen zijn eensgezind van mening dat dit de juiste naam is van deze producent-exporteur. Het woord “Footwear” is soms verkeerd vertaald vanuit de Chinese taal als “Shoes”. Deze verkeerde vertaling is ook overgenomen in het verzoek van de rechtbank van 5 december 2014.

7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 4 februari 2016 in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 het volgende voor recht verklaard:

1) Verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam is ongeldig voor zover zij inbreuk maakt op artikel 2, lid 7, onder b), en op artikel 9, lid 5, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004.

Bij het onderzoek van de prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1472/2006 ten aanzien van artikel 296 VWEU en artikel 2, lid 7, onder c), artikel 3, leden 1, 2 en 5 tot en met 7, artikel 4, lid 1, artikel 5, lid 4, artikel 9, lid 6, of artikel 17 van verordening nr. 384/96, zoals gewijzigd bij verordening nr. 461/2004, sommige van die artikelen of bepalingen op zichzelf en andere in hun onderlinge samenhang beschouwd, kunnen aantasten.

2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 384/96 is in dezelfde mate ongeldig als verordening nr. 1472/2006.

3) In een situatie als aan de orde in de hoofdgedingen kunnen de rechterlijke instanties van de lidstaten zich niet baseren op arresten waarin de rechter van de Europese Unie een verordening houdende instelling van antidumpingrechten nietig heeft verklaard voor zover deze betrekking had op bepaalde in die verordening bedoelde producenten-exporteurs, om te oordelen dat de rechten ingesteld op de producten van andere in die verordening bedoelde producenten-exporteurs die zich in dezelfde situatie bevinden als de producenten-exporteurs ten aanzien van wie die verordening nietig is verklaard, niet wettelijk verschuldigd zijn in de zin van artikel 236, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek. Zolang een dergelijke verordening niet is ingetrokken door de instelling van de Europese Unie die ze heeft vastgesteld, niet nietig is verklaard door de rechter van de Europese Unie of niet ongeldig is verklaard door het Hof van Justitie van de Europese Unie voor zover zij rechten instelt op de producten van die andere producenten-exporteurs, blijven die rechten wettelijk verschuldigd in de zin van die bepaling.

4) Artikel 236, lid 2, van verordening nr. 2913/92 moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een verordening houdende instelling van antidumpingrechten door de rechter van de Europese Unie geheel of ten dele ongeldig wordt verklaard, geen toeval of overmacht in de zin van deze bepaling vormt.

8. Met Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van 17 februari 2016, Publicatieblad L 41/3 van 18 februari 2016, heeft de Commissie een procedure vastgesteld voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14.

9. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 van de Commissie van 13 september 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder, van oorsprong uit Vietnam en geproduceerd door [J BEDRIJF] . Ltd, [K BEDRIJF] Co., Ltd, [L BEDRIJF] ., Ltd, [M BEDRIJF] , [N BEDRIJF] Ltd, [O BEDRIJF] Ltd en haar verbonden onderneming [U BEDRIJF] , Ltd, [P BEDRIJF] ., Ltd, [B BEDRIJF] Ltd, [A BEDRIJF] , Ltd, [Q BEDRIJF] ., Ltd, [R BEDRIJF] . Ltd, [S BEDRIJF] Inc., [T BEDRIJF] Co., Ltd, en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (hierna: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/1647 is gepubliceerd in Publicatieblad L 245/16 van 14 september 2016.

10. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731 van de Commissie van 28 september 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam en vervaardigd door [I BEDRIJF] Ltd (China), [V BEDRIJF] Ltd en [W BEDRIJF] . Ltd en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (hierna: Uitvoeringsverordening 2016/1731) is gepubliceerd in Publicatieblad L 262/4 van 29 september 2016.

11. In de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1647 en 2016/1731 is de Commissie uitgebreid ingegaan op de rechtsgrondslag voor hervatting van de antidumpingprocedure en de rechtsgrondslag voor het opnieuw instellen van rechten.

Geschil en beoordeling

12. In geschil is de rechtmatigheid van de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731.

13. De rechtbank ziet, mede gelet op de vraag in het verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) op 9 mei 2016 inzake [Y BEDRIJF] SE /Hauptzollamt Duisburg (zaak C-256/16), aanleiding om in de onderhavige zaken vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank heeft namelijk gerede twijfel of Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731 geldig zijn. Het is aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorbehouden om deze Uitvoeringsverordeningen ongeldig te verklaren. De gerede twijfel is opgeroepen door het aanzienlijke tijdsverloop tussen de inleiding van de antidumpingprocedure en het vaststellen van de voornoemde Uitvoeringsverordeningen. De rechtbank vraagt zich af of de juridische onderbouwing die de Commissie heeft gegeven voor de mogelijkheid om alsnog de verzoeken om individuele behandeling en/of behandeling als marktgerichte onderneming van niet in de steekproef opgenomen producent-exporteurs, zoals [A BEDRIJF] Ltd. en [I BEDRIJF] Ltd., te beoordelen en opnieuw het toepasselijke antidumpingrecht in te stellen, juist is. Voorts vraagt de rechtbank zich af of de Commissie aldus in strijd handelt met de beginselen van Unierecht, zoals het vertrouwensbeginsel.

14. Voorts wil de rechtbank vernemen of, zo de hiervoor genoemde Uitvoeringsverordeningen ongeldig zijn, dit betekent dat de ten onrechte betaalde rechten met rente aan eiseres dienen te worden terugbetaald. Indien het antwoord op deze laatste vraag bevestigend luidt, wil de rechtbank vernemen hoe de te vergoeden rente dient te worden berekend (percentage, methode (enkelvoudig of samengesteld) en periode).

15. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op de voet van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een aantal prejudiciële vragen voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de uitlegging van het recht van de Unie.

Beslissing

De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vragen:

1. Is de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 van de Commissie van 13 september 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en geproduceerd door [A BEDRIJF] Ltd, en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 geldig?

2. Is de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731 van de Commissie van 28 september 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam en vervaardigd door [I BEDRIJF] Ltd (China), en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 geldig?

3. Indien het antwoord op de eerste en/of de tweede vraag ontkennend luidt, betekent dit dan dat de betaalde rechten aan eiseres dienen te worden terugbetaald met vergoeding van rente?

4. Indien het antwoord op de derde vraag bevestigend luidt, hoe dient deze rente dan te worden berekend?

De rechtbank houdt verder iedere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van het vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. M.H.L.C. Bijvoet, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2016.

De voorzitter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. In haar plaats tekent de oudste rechter.

griffier oudste rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: