Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10694

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 215
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. De rechtbank oordeelt dat het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen omdat in de arresten van het HvJ C-659/13 en C-34/14 de Verordening (EG) nr. 1472/2006 slechts deels nietig is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0151 met annotatie van Eline Polak
NTFR 2017/266 met annotatie van mr B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 14/215 en HAA 14/217

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2016 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Ouwehand),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder.

Procesverloop

HAA 14/215

Eiseres heeft op 22 december 2011 verweerder verzocht om een terugbetaling van
€ 13,87 aan antidumpingrechten. Eiseres heeft dit verzoek op 28 mei 2013 aangevuld.

Verweerder heeft dit verzoek bij beschikking van 29 juli 2013 afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 december 2013 het tegen deze afwijzende beschikking gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

HAA 14/217

Eiseres heeft op 22 december 2011 verweerder verzocht om een terugbetaling van
€ 10,26 aan antidumpingrechten. Eiseres heeft dit verzoek op 28 mei 2013 aangevuld.

Verweerder heeft dit verzoek bij beschikking van 29 juli 2013 afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 december 2013 het tegen deze afwijzende beschikking gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Beide zaken

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

De rechtbank heeft op 5 december 2014 het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om een prejudiciële beslissing op de volgende vragen:

1) Is Verordening (EG) nr. 1472/2006 nietig voor zover zij betrekking heeft op [A BEDRIJF] . Ltd. gevestigd te Vietnam en [B BEDRIJF] Ltd. gevestigd in de Volksrepubliek China, aangezien de artikelen 2, zevende lid, sub b, en 9, vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (hierna: de Basisverordening) zijn geschonden, nu de Commissie de verzoeken van de voornoemde uitvoerende producenten om als marktgericht bedrijf te worden behandeld of om een individuele behandeling te verkrijgen, niet heeft onderzocht?

2) Is Verordening (EG) nr. 1472/2006 nietig voor zover zij betrekking heeft op de bij vraag 1) genoemde producenten, omdat artikel 2, zevende lid, sub c, van de Basisverordening is geschonden, nu de Commissie niet binnen drie maanden na de inleiding van de procedure een vaststelling heeft gedaan?

3) Is Verordening (EG) nr. 1472/2006 nietig voor zover zij betrekking heeft op [C BEDRIJF] , onderdeel van [D BEDRIJF] Ltd., [NAAM] , gevestigd in Vietnam, en [E BEDRIJF] , onderdeel van [F BEDRIJF] Group, gevestigd in de Volksrepubliek China, aangezien artikel 2, zevende lid, sub c, van de Basisverordening is geschonden, nu de Commissie niet binnen drie maanden na de inleiding van de procedure een vaststelling heeft gedaan?

Op 4 februari 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (C & J Clark International Ltd. en Puma SE, ECLI:EU:C:2016:74). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de rechtbank daarop gevraagd of zij het verzoek van 5 december 2014 wilde handhaven. De rechtbank heeft het verzoek daarop ingetrokken.

Partijen hebben op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie gereageerd. Eiseres heeft nadere stukken ingediend, die in afschrift zijn verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2016. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door E. Vermulst, advocaat te Brussel. Namens verweerder zijn verschenen mr. J.H. Wijnbelt, L. van der Spoel, mr. N.A.J. den Ouden en K.M. Chung. De beroepen zijn tegelijkertijd behandeld met de beroepen met de nummers HAA 14/216 en HAA 14/218, die ook namens eiseres zijn ingediend.

Overwegingen

Feiten

1. Op 7 juli 2005 heeft de Commissie via een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie (2005/C 166/06) de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam.

2. Met Verordening (EG) nr. 553/2006 van 23 maart 2006 heeft de Commissie een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam.

3. De Raad heeft op 5 oktober 2006 Verordening (EG) nr. 1472/2006, Publicatieblad nr. L275/1, 6 oktober 2006, uitgevaardigd tot instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (hierna: Verordening (EG) nr. 1472/2006). In artikel 3 van Verordening (EG) 1472/2006 is bepaald dat zij gedurende twee jaar van kracht is vanaf de dag volgende op die van bekendmaking in het Publicatieblad.

4. Bij een in het Publicatieblad van de Europese Unie van 3 oktober 2008 (PB C 251, blz. 21) bekendgemaakt bericht heeft de Commissie de inleiding van een nieuw onderzoek aangekondigd in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaald schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam.

5. De Raad heeft op 22 december 2009 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 1294/2009, Publicatieblad L 352/1, 30 december 2009, uitgevaardigd tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (hierna: Verordening (EU) Nr. 1294/2009. In artikel 2 van Verordening (EU) Nr. 1294/2009 is bepaald dat zij gedurende 15 maanden van kracht is vanaf de dag volgende op die van bekendmaking in het Publicatieblad.

6. De onderhavige verzoeken om terugbetaling zien op antidumpingrechten die eiseres heeft betaald in verband met in maart 2011 gedane aangiften voor het brengen in het vrije verkeer van schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam. Het schoeisel is vervaardigd door:

Zaak HAA 14/215: [C BEDRIJF] , onderdeel van [D BEDRIJF] Ltd., [NAAM] , gevestigd te Vietnam;

Zaak HAA 14/217: [E BEDRIJF] , onderdeel van [F BEDRIJF] Group, gevestigd in de Volksrepubliek China.

Geschil en beoordeling

7. In geschil is of verweerder de in geding zijnde verzoeken om terugbetaling terecht heeft afgewezen. Meer in het bijzonder is in geschil of het Hof van Justitie van de Europese Unie in voornoemd arrest van 4 februari 2016 Verordening (EG) nr. 1472/2006 geheel dan wel gedeeltelijk nietig heeft verklaard.

8.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 4 februari 2016 in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 het volgende voor recht verklaard:

1) Verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam is ongeldig voor zover zij inbreuk maakt op artikel 2, lid 7, onder b), en op artikel 9, lid 5, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004.

Bij het onderzoek van de prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1472/2006 ten aanzien van artikel 296 VWEU en artikel 2, lid 7, onder c), artikel 3, leden 1, 2 en 5 tot en met 7, artikel 4, lid 1, artikel 5, lid 4, artikel 9, lid 6, of artikel 17 van verordening nr. 384/96, zoals gewijzigd bij verordening nr. 461/2004, sommige van die artikelen of bepalingen op zichzelf en andere in hun onderlinge samenhang beschouwd, kunnen aantasten.

2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 384/96 is in dezelfde mate ongeldig als verordening nr. 1472/2006.

3) In een situatie als aan de orde in de hoofdgedingen kunnen de rechterlijke instanties van de lidstaten zich niet baseren op arresten waarin de rechter van de Europese Unie een verordening houdende instelling van antidumpingrechten nietig heeft verklaard voor zover deze betrekking had op bepaalde in die verordening bedoelde producenten-exporteurs, om te oordelen dat de rechten ingesteld op de producten van andere in die verordening bedoelde producenten-exporteurs die zich in dezelfde situatie bevinden als de producenten-exporteurs ten aanzien van wie die verordening nietig is verklaard, niet wettelijk verschuldigd zijn in de zin van artikel 236, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek. Zolang een dergelijke verordening niet is ingetrokken door de instelling van de Europese Unie die ze heeft vastgesteld, niet nietig is verklaard door de rechter van de Europese Unie of niet ongeldig is verklaard door het Hof van Justitie van de Europese Unie voor zover zij rechten instelt op de producten van die andere producenten-exporteurs, blijven die rechten wettelijk verschuldigd in de zin van die bepaling.

4) Artikel 236, lid 2, van verordening nr. 2913/92 moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een verordening houdende instelling van antidumpingrechten door de rechter van de Europese Unie geheel of ten dele ongeldig wordt verklaard, geen toeval of overmacht in de zin van deze bepaling vormt.

9. De rechtbank leidt uit het hiervoor geciteerde dictum af dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de desbetreffende verordeningen gedeeltelijk ongeldig heeft verklaard, namelijk voor zover deze betrekking hebben op producenten-exporteurs die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Niet in geschil is dat de producenten-exporteurs van de onderhavige zendingen schoeisel, [C BEDRIJF] , onderdeel van [D BEDRIJF] Ltd., [NAAM] , en [E BEDRIJF] , onderdeel van [F BEDRIJF] Group, niet aan deze voorwaarden voldoen nu zij in de samengestelde steekproef waren opgenomen. De rechtbank leidt hieruit af dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de verordeningen niet ongeldig heeft verklaard voor zover zij betrekking hebben op deze twee producenten-exporteurs.

10. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat hij betwijfelt of de desbetreffende verordeningen inderdaad slechts gedeeltelijk ongeldig zijn verklaard. Volgens de gemachtigde dient onderscheid te worden gemaakt tussen een rechtstreeks beroep bij het Gerecht van Eerste Aanleg (met mogelijkheid van hoger beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie) tegen een handeling van een instelling van de Europese Unie door een direct in zijn belangen geraakte persoon aan de ene, en een prejudiciële procedure aan de andere kant. In het laatste geval zou de terecht aangevallen verordening in haar geheel ongeldig moeten worden verklaard, aldus de gemachtigde. Hij wijst ter illustratie van het dictum in een rechtstreeks beroep naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 februari 2012, zaak C-249/10 P, Brosmann Footwear (HK) Ltd. e.a.. De gemachtigde leidt uit het recente arrest van het Gerecht van Eerste Aanleg van 15 september 2016, zaak T-120/14, PT Ciliandra Perkasa, af dat het Gerecht van Eerste Aanleg naar aanleiding van het arrest van 4 februari 2016 de conclusie zou hebben getrokken dat gedeeltelijke ongeldigverklaring van een verordening niet mogelijk is.

11. De rechtbank kan het betoog van de gemachtigde niet volgen. Uit het dictum van het arrest van 15 september 2016, een zaak betreffende een rechtstreeks beroep, volgt dat het Gerecht van Eerste Aanleg alleen artikel 1 van de in die zaak aangevallen verordening ongeldig verklaart voor zover het betrekking heeft op PT Ciliandra Perkasa. Het Gerecht van Eerste Aanleg overweegt dat volgens vaste rechtspraak een Uniehandeling alleen ten dele nietig kan worden verklaard wanneer de elementen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, kunnen worden gescheiden van de rest van de handeling. Aan dit vereiste van scheidbaarheid is niet voldaan wanneer de gedeeltelijke nietigverklaring van een handeling tot gevolg heeft dat de kern van die handeling wordt gewijzigd (arrest van 10 december 2002, Commissie/Raad, C‑29/99, EU:C:2002:734, punten 45 en 46). Naar het oordeel van de rechtbank – en, naar volgens de rechtbank niet voor gerede twijfel vatbaar is, dat van het Hof van Justitie van de Europese Unie – is aan het vereiste van scheidbaarheid in het geval waarover het Hof van Justitie van de Europese Unie moest oordelen in het arrest van 4 februari 2016 wel voldaan. Het oordeel over de betrokken producenten-exporteurs staat immers los van de positie en de verplichtingen van andere in Vietnam of de Volksrepubliek China gevestigde producenten-exporteurs van door de antidumpingprocedure geraakt schoeisel. Ten overvloede zij opgemerkt dat de rechtbank in het arrest van 15 september 2016 geen steun vindt voor het onderscheid dat de gemachtigde maakt tussen een direct beroep en een prejudiciële procedure.

12. De slotsom luidt dat verweerder de in geding zijnde verzoeken om terugbetaling terecht heeft afgewezen. Gelet hierop zijn de beroepen ongegrond.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Gelet hierop zijn de beroepen ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. M.H.L.C. Bijvoet, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2016.

De voorzitter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. In haar plaats tekent de oudste rechter.

griffier oudste rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.