Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10690

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
C/15/240009 / FA RK 16-1333
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Complicaties bij wijziging kinderbijdrage in geval van co-ouderschap: er zijn twee kk, bij elke ouder een k ingeschreven. Man betaalt voor 2 kk kinderbijdrage aan vrouw en aantal vaste kosten van een van de kinderen.

Tussenbeschikking: rechtbank maakt draagkrachtberekeningen en draagkrachtvergelijking: Hieruit blijkt wat man volgens toepasselijke tremanormen zou moeten betalen, pp worden in de gelegenheid gesteld erop te reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/240009 / FA RK 16-1333

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 21 december 2016

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.W.K. Bosman, kantoorhoudende te Haarlem,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Akkas, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 29 februari 2016;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, van de vrouw, ingekomen op 26 april 2016;

- het verweerschrift van de man tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 23 mei 2016

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 25 mei 2016;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 27 oktober 2016;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 31 oktober 2016;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 1 november 2016;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de man van 2 november 2016.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 november 2016 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting stukken overgelegd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen hebben tot 2011 een affectieve relatie gehad.

2.2

Uit deze relatie zijn geboren de minderjarigen [minderjarigen] :

- [minderjarige] , op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

- [minderjarige] , op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

De man heeft de minderjarigen erkend.

2.3

Bij beschikking van 17 april 2013 is, conform door partijen gemaakte afspraken, bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 242,05 per maand per kind moet voldoen. De rechtbank heeft ook bepaald dat partijen over en weer gehouden zijn tot nakoming van afspraken over door de man te betalen kosten van [minderjarige] en de inschrijving van [minderjarige] op het adres van de man.

2.4

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2016 € 249,38 per maand per kind.

3 Verzoek

De man heeft verzocht de beschikking te wijzigen in die zin, dat dat de kinderbijdrage wordt verminderd tot € 200 per maand in totaal met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.

Hij stelt hiertoe dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1

De vrouw betwist dat aan de kant van de man sprake zou zijn van wijzigingen die een verlaging van de bijdrage voor de kinderen zouden rechtvaardigen. Zij heeft daarnaast aangevoerd dat ten tijde van het bepalen van de kinderbijdrage sprake is geweest van grove miskenning van de wettelijke maatstaven en dat de behoefte van de kinderen en het aandeel van de man destijds foutief zijn bepaald. Zij verzoekt de rechtbank daarom het verzoek van de man af te wijzen en te bepalen dat de man een kinderbijdrage van € 332,25 per kind per maand zal betalen.

4.2

De vrouw verzoekt de rechtbank ook te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan het inschrijven van [minderjarige] op het adres van de vrouw, zodat beide kinderen op hetzelfde adres ingeschreven staan, hetgeen in overeenstemming is met de werkelijkheid.

5 Beoordeling

wijziging inschrijvingsadres [minderjarige]

5.1

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan het inschrijven van [minderjarige] op het adres van de vrouw, zodat beide kinderen op hetzelfde adres ingeschreven staan. De man heeft als verweer gevoerd dat sprake is van co-ouderschap en dat daarom passend is dat iedere ouder een kind bij zich ingeschreven heeft. Daarbij komt dat hij de kosten van [minderjarige] voldoet. De rechtbank overweegt dat partijen destijds ervoor gekozen hebben om de kinderen niet op hetzelfde adres in te schrijven. De rechtbank concludeert dat de vrouw niet heeft aangetoond dat sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor het hoofdverblijf van [minderjarige] nu bij de vrouw zou moeten zijn, hoewel de zorgregeling onveranderd is. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

kinderbijdrage

5.2

De rechtbank stelt vast dat de verzoeken van beide partijen ertoe strekken dat de rechtbank de in de beschikking van 17 april 2013 bepaalde bijdrage voor de kinderen opnieuw beoordeelt. De verzoeken hebben geen betrekking op de afspraak, opgenomen in rechtsoverweging 3.3 van voornoemde beschikking, betreffende - kort gezegd - de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] die de man zal voldoen. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat zij deze regeling willen handhaven.

5.3

De man heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van wijziging van omstandigheden aan zijn zijde die tot vermindering van de vastgestelde bijdrage moet leiden. De vrouw stelt dat sprake is geweest van grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Nu de stelling van de vrouw dat de bijdrage van meet af aan onjuist zou zijn bepaald, verder strekt dan die van de man, zal de rechtbank eerst het verzoek van de vrouw beoordelen.

5.4

Van grove miskenning van de wettelijke maatstaven is sprake wanneer, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter destijds zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich wel op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar - als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van die maatstaven of doordat zij daarbij zijn uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens - tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid.

5.5

De rechtbank concludeert dat de vrouw niet heeft geconcretiseerd en/of inhoudelijk heeft onderbouwd dat destijds bij de berekening en de verdeling van de behoefte van de kinderen sprake is geweest van grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Dat de vrouw nu kanttekeningen plaatst bij posten in oude jaarstukken van de onderneming van de man en/of zich afvraagt of aanspraken van partijen op Kindgebonden Budget (KGB) destijds correct zijn verwerkt is onvoldoende om de conclusie op te baseren dat sprake is van een wanverhouding tussen hetgeen de vrouw thans verzoekt en het bedrag dat partijen toen zijn overeengekomen. Voor zover het verzoek van de vrouw ertoe strekt dat de behoefte opnieuw moet worden bepaald, zal dit worden afgewezen.

De rechtbank gaat er bij haar verdere overwegingen vanuit dat de behoefte van de kinderen in 2013 € 903 was, na indexering per 1 januari 2016 € 958 per maand, € 479 per kind per maand.

5.6

Vervolgens zal de rechtbank dienen te oordelen of sprake is van wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man. Het geschil tussen partijen spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of het inkomen dat de man uit zijn onderneming genereert zoveel minder is geworden dat de vastgestelde kinderbijdrage naar beneden bijgesteld moet worden.

5.7

De man heeft aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht destijds is uitgegaan van een winst uit onderneming van € 35.000. In 2013 was zijn winst uit onderneming € 28.054, in 2014 36.687 en in 2015 (voorlopig) € 35.500. Op dit moment is zijn (gemiddelde) winst € 33.414. De man berekent zijn besteedbaar inkomen op 2.559 per maand en zijn draagkracht voor kinderbijdrage op € 631. Gelet op de co-ouderschapregeling die partijen uitvoeren en het feit dat hij alle verblijfoverstijgende kosten van [minderjarige] al betaalt, begroot de man de door hem te betalen bijdrage op € 200 per maand.

5.8

De vrouw heeft aangevoerd dat de winst uit de onderneming van de man al jaren een stijgende lijn vertoont, in 2013 € 29.722, in 2014 € 6.965 hoger en in 2015 € 5.778 hoger. De vrouw bepleit om het jaar 2014 als uitgangspunt te nemen, omdat dat het laatste jaar is waarvan definitieve cijfers beschikbaar zijn. De netto winst van € 36.687 leidt tot een besteedbaar inkomen van de man van € 3.044 per maand en een draagkracht van € 866.

5.9

De rechtbank overweegt dat de definitieve jaarstukken 2015 van de onderneming inmiddels beschikbaar zijn. Hieruit blijkt dat de (fiscale) winst 2015 € 35.135 was. Omdat bij de vaststelling van de kinderbijdrage is uitgegaan van een winst uit onderneming van

€ 35.000 concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een wijziging van inkomen die tot hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man moet leiden.

5.10

De man heeft als gewijzigde omstandigheid ook genoemd dat hij sinds januari 2016 geen aanspraak meer heeft op het KGB door samenwoning met een partner. De vrouw heeft dit niet betwist. Op grond van zijn inkomen had de man aanspraak op een KGB van € 4.052. De rechtbank concludeert dat het wegvallen van het KGB een substantiële invloed op het inkomen van de man heeft en dat dit een wijziging van omstandigheden vormt die tot hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man noopt.

5.11

De rechtbank zal, conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders verdelen naar rato van hun beider draagkracht. Daarom zal de rechtbank de draagkracht van beide partijen beoordelen en het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beiden tot uitgangspunt nemen.

Het bedrag aan draagkracht wordt (per 2016) vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 890)]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 890 aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.Voor lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.400) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

5.12

Bij de beoordeling van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van de winst uit onderneming die de man in 2015 heeft gehad, € 35.135. Naar het oordeel van de rechtbank kan de man geacht worden dit bedrag aan de onderneming te onttrekken. Dat, zoals de man heeft aangevoerd, met een uitgave voor inkomensvoorziening van € 1.470 op jaarbasis rekening moet worden gehouden, is door de vrouw niet betwist. Rekening houdend met de Zelfstandigenaftrek en MKB Winstvrijstelling berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.533 per maand. De rechtbank stelt het bedrag aan draagkracht van de man volgens voornoemde formule vast op € 682, € 341 per kind per maand.

5.13

De rechtbank dient in dit geding ook de draagkracht van de vrouw (opnieuw) te bepalen. De vrouw heeft eerst ter zitting inkomstengegevens in het geding gebracht. Overgelegd zijn jaaropgaven van het UWV betreffende de jaren 2013 (Werkloosheidswet), 2014 en 2015 (Ziektewet), en UWV betaalspecificaties van de maanden augustus, september en oktober 2016 (Wia arbeidsongeschiktheidsuitkering). Volgens deze laatste specificaties ontvangt de vrouw een bruto Wia-uitkering van € 1.254,98 per maand. Voor de beoordeling van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank ervan uitgaan dat de vrouw een Wia-uitkering heeft van € 16.265. Ervan uitgaand dat de vrouw het KGB ontvangt, berekent de rechtbank haar NBI op € 1.389. Omdat haar inkomen lager is dan € 1.400 wordt de formule niet toegepast. De draagkracht van de vrouw voor kinderbijdrage is € 95 per maand.

5.14

De gezamenlijke draagkracht van partijen is per maand € 777. Nu partijen daarmee niet in de volledige behoefte van de kinderen van € 958 per maand kunnen voorzien, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Partijen dienen ieder tot de hoogte van hun draagkracht hun deel bij te dragen.

5.15

Op het aandeel van de man dient in beginsel de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Nu partijen een zorgregeling in co-ouderschap uitvoeren, is de zorgkorting in dit geval 35% van de behoefte van € 958, € 336 totaal, € 168 per kind per maand. Omdat partijen niet volledig in de behoefte van de kinderen kunnen voorzien, ontstaat er een tekort aan draagkracht, welk tekort de zorgkorting vermindert. In dit geval bedraagt het tekort aan draagkracht € 181 (€ 958 -/- € 777) per maand. Het tekort wordt dan gelijkelijk verdeeld over de onderhoudsplichtigen, dus - afgerond - € 90 per ouder, voor elk kind € 45 per maand.

5.16

Met toepassing van de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen stelt de rechtbank thans vast dat de vrouw voor [minderjarige] , nu [minderjarige] bij de man staat ingeschreven, na aftrek van de zorgkorting geen draagkracht meer overhoudt voor betaling van enige kinderbijdrage. De kosten voor [minderjarige] dienen geheel voor rekening te komen van de man. Toepassing van de richtlijn voor [minderjarige] levert op dat een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage van € 341 -/- (€ 168 -/- € 45) = € 218 per maand in overeenstemming is met de thans geldende wettelijke maatstaven.

5.17

Afschriften van de door de rechtbank gemaakte berekeningen van de het NBI van partijen en van de verdeling van de kosten van de kinderen zijn aan deze beschikking gehecht.

5.18

De rechtbank concludeert dat voornoemde uitkomst zich niet laat vertalen naar een, met de eerder door partijen overeengekomen, vergelijkbare kinderbijdrage, waarbij naast alimentatie door de man ook (door partijen niet met cijfers onderbouwde) verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige] worden betaald.

5.19

Gelet op de ter zitting door partijen geuite wens om de afspraken over de verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige] ook in de huidige regeling in stand te laten, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om, met inachtneming van de berekening van de rechtbank van de draagkracht van beide partijen, zelf – zo mogelijk samen - een voorstel te doen voor een verdeling van de kosten van de kinderen tussen hen beiden, die voldoet aan hun wensen.

5.20

De rechtbank verzoekt partijen om, in het geval zij niet tot overeenstemming kunnen komen over een eigen regeling, haar mede te delen of zij een beschikking wensen met toepassing van de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen dan wel zich uit te laten over het gewenst verloop van de procedure. Na afloop van de reactietermijn zal de rechtbank op grond van de dan beschikbare informatie de beslissing nemen die haar geraden voorkomt.

5.21

Partijen zullen hun reactie uiterlijk 25 januari 2017 kunnen indienen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

Wijst af het verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] ;

6.2

Houdt aan de beslissing over de kinderbijdrage tot 25 januari 2017.

Verzoekt de advocaten de rechtbank schriftelijk te berichten zoals is neergelegd in rechtsoverweging 5.19 en 5.20.

Bepaalt dat het schriftelijk bericht uiterlijk 18 januari 2017 door de rechtbank ontvangen dient te zijn.

Wijst er op dat de rechtbank daarna zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.