Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10646

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
C/15/246967 / FA RK 16-4708
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning van een adoptie naar Chinees recht door de vrouw.

De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in het door haar namens haar overleden partner gedane verzoek tot adoptie, met welke partner zij niet was gehuwd, noch een geregistreerd partnerschap had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2017/5006
PFR-Updates.nl 2017-0014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/246967 / FA RK 16-4708

beschikking van 21 december 2016 betreffende erkenning van een Chinese adoptie en het uitspreken van een adoptie naar Nederlands recht

gegeven op het verzoek van:

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere, kantoorhoudende te Utrecht,

strekkende tot:

  • -

    het voor recht verklaren dat de beslissing, zoals vervat in het stuk Notarial Certificate [nummer] van [datum] , waarbij de minderjarige [minderjarige] , geboren te Volksrepubliek China op [geboortedatum] , door de vrouw naar het recht van de Volksrepubliek China is geadopteerd en haar voornaam is gewijzigd in [voornaam] , wordt erkend en vatbaar is voor inschrijving in de registers van de burgerlijke stand, waar het betreft de adoptie en de voornaamwijziging;

  • -

    tevens het uitspreken van de adoptie van voornoemde minderjarige door [naam] (overleden) en laatstelijk gewoond hebbende aan de [woonplaats] ;

  • -

    het gelasten van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage (verder: ABS) een latere vermelding van de adoptie door de vrouw en [naam] en de voornaamswijziging aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de burgerlijke stand toe te voegen, primair onder vermelding van de geslachtsnaam [naam] , subsidiair onder vermelding van de geslachtsnaam [geslachtsnaam] , opdat zij zal heten [naam] , dan wel [naam] ;

  • -

    het vaststellen van de geboortegegevens.

1 Verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 2 augustus 2016;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 12 augustus 2016;

- de brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag, ingekomen op 22 september 2016;

- de brief van de rechtbank aan de advocaat van de vrouw van 16 november 2016.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 november

2016 in aanwezigheid van de vrouw bijgestaan door mr. D. van de Lockant-Geschiere. Voorts is verschenen de zus van [naam] , [naam] , die met instemming van de vrouw tot de behandeling met gesloten deuren is toegelaten.

2 De vaststaande feiten

2.1

De vrouw en [naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] en aldaar overleden op [datum] , hebben gedurende een periode van bijna 20 jaar een affectieve relatie gehad. Zij zijn niet gehuwd geweest en zijn geen geregistreerde partners geweest. Uit hun relatie zijn geen kinderen geboren.

2.2

De vrouw heeft op 26 april 2004 om beginseltoestemming verzocht bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De Minister van Justitie heeft op 13 juni 2006 ( [nummer] ) aan de vrouw toestemming verleend voor het opnemen van een eerste buitenlands kind ter adoptie. Deze toestemming is verlengd bij besluit van de Minister van Justitie van 14 mei 2009 en bij besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 maart 2013. Tenslotte heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 30 juli 2015 aan de vrouw toestemming verleend tot opneming ter adoptie van de minderjarige [minderjarige] .

2.3

Blijkens het stuk Notarial Certificate [nummer] van [datum] is de minderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedatum] en zijn de geboorteplaats en haar biologische ouders onbekend.

2.4

Blijkens het stuk Notarial Certificate [nummer] van [datum] en het stuk Certificate van 31 augustus 2015 is de minderjarige te vondeling gelegd in [plaats] , China op 19 februari 2014.

2.5

Blijkens het stuk Notarial Certificate [nummer] van [datum] is de minderjarige naar het recht van de Volksrepubliek China door de vrouw geadopteerd. Sedert de adoptie naar het recht van de Volksrepubliek China is de minderjarige genaamd: [minderjarige] .

2.6

De adoptie naar het recht van de Volksrepubliek China heeft plaatsgevonden met inachtneming van de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie.

2.7

De minderjarige heeft met het doel van adoptie haar geboorteland mogen verlaten.

2.8

De minderjarige wordt blijkens het overgelegde afschrift van de basisregistratie personen van de gemeente [plaats] sedert 14 september 2015 door de vrouw, en tot [datum] samen met haar partner [naam] , verzorgd en opgevoed.

3 Beoordeling van het verzoek

Ten aanzien van het verzoek tot erkenning van de adoptie door [naam]

3.1

De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht te oordelen over het onderhavige verzoek om de verklaring voor recht, nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

3.2

Bij de beoordeling van het verzoek is afdeling 3 van titel 6 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Deze afdeling bevat voorschriften ter zake het toepasselijke recht op de in Nederland uit te spreken adoptie en haar rechtsgevolgen, alsmede de erkenning en haar rechtsgevolgen, van een adoptie die tot stand is gekomen in een staat die op het moment dat de beginseltoestemming is aangevraagd (nog) geen partij is bij het Haags Adoptieverdrag. Hierop is artikel 10:109 BW van toepassing, nu de vrouw ten tijde van de adoptie haar gewone verblijfplaats in Nederland, terwijl de minderjarige in China haar gewone verblijfplaats had.

3.3

De rechtbank stelt vast dat voormeld stuk Notarial Certificate [nummer] van [datum] voldoet aan de voorwaarden voor erkenning als bedoeld in artikel 109 van Boek 10 BW, inhoudende dat de procedure van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie moet zijn gevolgd, terwijl daarnaast de weigeringsgronden van artikel 10:108 lid 2 en lid 3 BW zich niet voordoen. De erkenning is in het kennelijk belang van de minderjarige. De rechtbank is van oordeel dat voormeld stuk daarmee vatbaar is voor inschrijving in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

De rechtbank zal op voet van artikel 10:109, lid 3 BW de ABS gelasten een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de burgerlijke stand toe te voegen.

Ten aanzien van het verzoek tot adoptie door [naam]

Onderbouwing van het verzoek

3.5

Zijdens de vrouw is het volgende aangevoerd. De vrouw had ten tijde van het gehele adoptietraject een affectieve relatie met [naam] . Gezien de leeftijd van [naam] , is in overleg met de bemiddelende instantie Kind en Toekomst destijds besloten de adoptieprocedure te voeren op naam van alleen de vrouw en later in Nederland de weg van partneradoptie te volgen voor [naam] . [naam] is steeds nauw betrokken geweest bij de procedure. Tot groot verdriet van de vrouw is [naam] echter volkomen onverwacht op [datum] overleden.

Zijdens de vrouw wordt met verwijzing naar jurisprudentie betoogd dat aangesloten dient te worden bij de wetgeving ten aanzien van postume adoptie, zoals die tot 1 april 1998 gold.

Zij stelt dat zij daarom ontvankelijk is in haar verzoek en dat, nu aan alle overige voorwaarden zoals gesteld in de artikelen 1:227 en 228 BW is voldaan, het verzoek tot adoptie door [naam] dient te worden toegewezen.

Vragen zijdens rechtbank voorafgaand aan de zitting

3.6

Met het oog op een goed inhoudelijk debat ter zitting heeft de rechtbank bij voormelde brief van 16 november 2016 aan de advocaat van de vrouw een drietal vragen voorgelegd. Deze vragen betreffen:

a. De ontvankelijkheid van het door de vrouw gedane verzoek tot partneradoptie door de overleden partner van de vrouw;

b. In de tekst van artikel 1:227 lid 3 BW zoals dat gold tot 1 april 1998 stond opgenomen dat “het adoptieverzoek ook door de overblijvende echtgenoot na het overlijden van de andere echtgenoot kan worden gedaan, wanneer blijkt, dat het voornemen daartoe reeds tijdens het huwelijk van beide echtgenoten bestond, doch de dood heeft verhinderd uitvoering aan dit voornemen te geven. Ook in dit geval worden beide echtgenoten als adoptanten aangemerkt”. Hoe kwalificeert u het verzoek van de vrouw in het licht van dit artikel?

c. De rechtsgevolgen van de verzochte adoptie door de overleden partner van de vrouw gezien artikel 1:230 BW.

Nadere onderbouwing zijdens de vrouw

3.7

De advocaat van de vrouw heeft ter beantwoording van die vragen ter zitting, mede aan de hand van een overgelegde schriftelijke notitie, het volgende aangevoerd.

Het onderhavige verzoek betreft een verzoek tot postume adoptie. Hoewel dit begrip sinds de wetswijziging van 1 april 1998 niet meer woordelijk in de wet is opgenomen, past postume adoptie binnen het Nederlandse recht, zoals ook in meerdere rechterlijke uitspraken is beslist. De wetswijziging per 1 april 1998 was bedoeld om de mogelijkheden tot adoptie te verruimen en niet om die mogelijkheden te beperken. Bij iedere adoptie staat het belang van het kind centraal, hetgeen blijkt uit de Memorie van Toelichting alsmede uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), terwijl in artikel 21 IVRK dit beginsel met name op adopties wordt toegespitst. Als zwaarwegend belang van het kind heeft te gelden dat het kind een vader en een moeder heeft, ook in juridische zin.

Aan artikel 8 EVRM kan geen recht op adoptie worden ontleend. De relatie tussen een adoptief ouder en adoptiekind dient echter op dezelfde wijze te worden beschermd als andere familierechtelijke verhoudingen op grond van artikel 8 EVRM. Ook in artikel 12 EVRM (het recht een gezin te stichten) kan zonder meer een recht om te mogen adopteren worden gelezen. Uitgaande van het gegeven dat een kind recht heeft op een vader en een moeder, betekent dit dat aan een kind het recht toekomt geadopteerd te worden, teneinde te voorkomen dat een kind ouderloos zou blijven. Met het tegenhouden van de adoptie is geen rechtens te respecteren belang gediend.

Indien de vrouw gehuwd was geweest met [naam] , was zij, gelet op het toenmalig geldende artikel 1:227, lid 3 BW, zonder meer ontvankelijk geweest. Genoemd wetsartikel was verouderd, mede gelet op de diverse vormen van relaties en samenlevingen welke verder zijn uitgekristalliseerd en algemeen geaccepteerd in Nederland. De vrouw en [naam] waren niet gehuwd, maar hadden een zeer hechte relatie en woonden al bijna 20 jaar samen. Hun relatie kan worden omschreven als “samenleven als waren zij met elkaar gehuwd of als ware er sprake van een huwelijk”. Gelet op het vorenstaande zou het toenmalig geldende wetsartikel 1:227, lid 3 BW thans zijn aangepast in die zin dat een verzoek tot postume adoptie niet alleen door de echtgenoot van de overledene kan worden gedaan, maar ook door de geregistreerde partner dan wel door de partner waarmee de overledene samenleefde als ware er sprake van een huwelijk, althans zou dit artikel analoog toegepast dienen te worden op de onderhavige situatie. De vrouw dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard, omdat zij als moeder van de minderjarige en als levensgezel van [naam] voor een periode van bijna 20 jaar, heeft te gelden als de meest aangewezen persoon om het partneradoptieverzoek in te dienen, bij welk verzoek de minderjarige een zwaarwegend belang heeft. De vrouw heeft hierbij nog verwezen naar een drietal uitspraken, te weten: Rechtbank Leeuwarden van 9 februari 2005 (ECLI:NL: RBLEE:2005:AS9135), rechtbank Assen van 15 juni 2005 (ECLI:NL:RBASS:2005:AT7617) en rechtbank Noord-Holland van 20 februari 2013 (ECLI:NL:RBNHO:2013:9811).

Voor zover de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk zou achten, verzoekt de vrouw om een bijzondere curator te benoemen, om namens de minderjarige het onderhavige verzoek in te dienen.

Ter beantwoording van de hierboven onder 3.3 onder c. weergegeven vraag inzake de rechtsgevolgen van adoptie heeft de vrouw het volgende aangegeven. Het belang van de minderjarige brengt mee, dat het uitspreken van de adoptie ook gevolgen heeft in erfrechtelijke zin met betrekking tot de nalatenschap van [naam] . Wanneer de partneradoptie tijdens het leven van [naam] zou zijn uitgesproken, zou dit immers eveneens aan de orde zijn geweest. Er is ook niet van bezwaren gebleken, nu de erfgenamen van [naam] - zijn moeder en twee zussen - hebben aangegeven er volledig achter te staan dat de door [naam] tijdens leven gewenste adoptie alsnog wordt uitgesproken. De vrouw biedt hiervan nader bewijs aan, in die zin dat voormelde erfgenamen van [naam] als getuigen kunnen worden gehoord. Het is het meest in het belang van de minderjarige wanneer de adoptie met terugwerkende kracht zou worden uitgesproken tot de dag van voor het overlijden van [naam] , zijnde 4 juni 2016. Voor zover artikel 1:230 BW daaraan in de weg zou staan, zou de adoptie van kracht worden met ingang van de datum waarop de beschikking in kracht van gewijsde gaat. Dit zou voor de minderjarige betekenen dat zij geen aanspraken heeft in de nalatenschap van [naam] , maar voor de toekomst wel heeft te gelden als plaatsvervuller voor [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

3.8

De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat hier om een verzoek tot adoptie naar Nederlands recht. Meer specifiek betreft het een verzoek tot partneradoptie.

In de eerste plaats dient de vraag beantwoord te worden of [de vrouw] ontvankelijk is in dit verzoek tot partneradoptie van de minderjarige door [naam] .

Vast staat dat [naam] de minderjarige niet naar het recht van de Volksrepubliek China heeft geadopteerd. Op grond hiervan stond [naam] op het moment van zijn overlijden niet in familierechtelijke betrekking tot de minderjarige. Door zijn overlijden kan [naam] geen verzoek tot adoptie meer indienen. De rechtbank is van oordeel dat het systeem van de wet, waarbij een verzoek tot adoptie alleen gedaan kan worden door de beoogd adoptiefouder(s), zoals onder meer naar voren komt in artikel 1:227, lid 2, BW, in de weg staat aan de mogelijkheid dat de vrouw het adoptieverzoek namens [naam] indient. Naar het oordeel van de rechtbank kan genoemde wetsbepaling niet zodanig ruim worden geïnterpreteerd dat de vrouw kan worden ontvangen in het verzoek om namens haar overleden partner [naam] een verzoek in te dienen tot adoptie van de minderjarige door [naam] .

3.9

Het beroep dat de vrouw in dit kader heeft gedaan op de bepaling van artikel 3 IVRK kan haar evenmin baten. De rechtbank is weliswaar met de vrouw van oordeel dat bij beoordeling van het verzoek het belang van de minderjarige een overweging van de eerste orde dient te zijn, maar dit belang van het kind is door de wetgever echter reeds verdisconteerd in de wettelijke regeling in Boek 1 BW. Daaruit blijkt dat een verzoek tot adoptie slechts kan worden ingediend door de adoptiefouder zelf en dat adoptie na overlijden niet door een ander gedaan kan worden. De rechtbank overweegt hierbij dat de wetgever zich kennelijk bewust is geweest van een situatie als de onderhavige en er - in het belang van het kind - voor heeft gekozen om voor een dergelijke situatie geen bepaling in de wet op te nemen. Dit blijkt niet alleen uit het systeem van de wet als hiervoor beschreven, maar ook uit onder meer het bepaalde in artikel 1:230, lid 2, laatste volzin BW.

3.10

De rechtbank merkt op dat het beroep op postume adoptie in dit verband niet tot een ander oordeel kan leiden, ook niet met het oog op art. 3 IVRK. Tot 1 april 1998 was een verzoek tot postume adoptie op grond van artikel 1:227, lid 3, BW onder beperkte voorwaarden mogelijk. Het betrof dan een verzoek tot adoptie door de langstlevende echtgenoot na het overlijden van de andere echtgenoot. Het voornemen tot adoptie bestond reeds tijdens het huwelijk, maar was door het overlijden niet tot uitvoer gekomen. De adoptie kon dan, ondanks het overlijden van een van de echtgenoten, toch nog tot stand komen. De achtergrond van deze bepaling was dat onder het toen geldende recht adoptie uitsluitend door gehuwde paren was toegestaan. Deze regel zou met zich brengen dat de adoptie na het overlijden van de ene echtgenoot niet meer mogelijk zou zijn, hetgeen niet in het belang van het kind werd geacht.

In het licht van de wetgeschiedenis heeft bij de wetgever bij de aanpassing per 1 april 1998 van artikel 1:227, lid 3, BW een verruiming van de adoptiemogelijkheden voorop gestaan.

Die verruiming ziet op het feit dat sinds 1998 (ongeacht of van een overlijden sprake is) één persoon alleen kan adopteren. Daarmee heeft het overlijden van één van de aspirant adoptieouders niet langer het gevolg dat adoptie door de overlevende ouder daardoor niet meer mogelijk zou zijn.

Tegen deze achtergrond bezien, is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige verzoek niet kan worden aangemerkt als een verzoek tot postume adoptie. De vrouw en [naam] waren immers niet gehuwd, terwijl evenmin sprake was van een (beoogde) adoptie van de minderjarige door [naam] in het buitenland. In het onderhavige geval is juist sprake van een eenouderadoptie in het buitenland en betreft het verzoek een partneradoptie door de overleden ongehuwde partner naar Nederlands recht. In dit geval leidt het overlijden door de verruiming van de wetgeving in 1998 niet tot de onmogelijkheid van de (erkenning van de) adoptie door de vrouw in Nederland. De minderjarige staat door de erkenning van de adoptie in China immers al in een familierechtelijke betrekking tot de adoptiefmoeder.

De hierboven door de vrouw aangehaalde drie uitspraken maken dit oordeel niet anders, nu het daarbij om wezenlijk andere situaties gaat. De uitspraken van de rechtbank Leeuwarden en de rechtbank Noord-Holland betreffen immers een situatie waarbij de adoptanten gehuwd waren, waarbij beide adoptanten de minderjarige reeds in het buitenland hadden geadopteerd en waarna één adoptant is overleden, alvorens in Nederland de (erkenning van de buitenlandse) adoptie kon worden geëffectueerd. De door de vrouw aangehaalde uitspraak van de rechtbank Assen betrof een situatie dat de adoptanten waren gehuwd, zij naar Indiaas recht gezamenlijk belast waren met het gezag, toestemming was verleend voor de uitreis van de minderjarige en waarbij beide adoptanten zijn overleden. Alle drie voormelde uitspraken betreffen daarmee een wezenlijk andere situatie dan de situatie van de vrouw en [naam] .

Ook het beroep op art. 8 en art. 12 EVRM kunnen in dit verband niet tot een ander resultaat leiden. Uit geen van beide bepalingen vloeit namelijk het recht voort om (na overlijden) een kind te adopteren of om geadopteerd te mogen worden.

3.11

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek de adoptie uit te spreken van de minderjarige door [naam] .

3.12

Gezien het vorenstaande komt de rechtbank niet meer toe aan de vragen omtrent de rechtsgevolgen. De rechtbank zal daarom het bewijsaanbod van de vrouw om de erfgenamen van [naam] te horen passeren. Zelfs als de vrouw tot dit bewijsaanbod zou worden toegelaten, zou dit de uitkomst van deze procedure niet anders maken.

3.13

Het verzoek van de vrouw om een bijzondere curator te benoemen zal worden afgewezen. Nog afgezien van de vraag of de vrouw bevoegd is een dergelijk verzoek te doen, zou, zelfs indien dit verzoek zou worden ontvangen en gehonoreerd, het door de vrouw daarmee beoogde doel, te weten het op verzoek van de bijzondere curator namens de minderjarige in te dienen verzoek tot het uitspreken van de adoptie van de minderjarige door [naam] , niet kunnen worden bereikt. De wet biedt immers geen mogelijkheid aan een minderjarig kind zelf een verzoek in te dienen om te worden geadopteerd; een dergelijk uitgangspunt staat haaks op het systeem van de wet dat gebaseerd is op het beginsel dat de adoptie alleen kan plaatsvinden op verzoek van de aspirant adoptiefouder(s). Daarmee staat vast dat ook een door een bijzondere curator namens de minderjarige in te dienen verzoek tot adoptie niet voor toewijzing in aanmerking kan komen.

3.14

Tenslotte overweegt de rechtbank betreffende het door de vrouw namens [naam] gedane verzoek nog als volgt. Voor de rechtbank staat niet ter discussie dat het de oprechte wens van de vrouw en [naam] was om samen de minderjarige te adopteren en daarmee juridische ouders van de minderjarige te worden. Hoe begrijpelijk de wens van de vrouw ook is, de rechtbank heeft geen andere mogelijkheid dan de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek.

Geslachtsnaam minderjarige

3.15

De vrouw heeft primair verzocht dat de minderjarige de geslachtsnaam [geslachtsnaam] en subsidiair de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zal hebben.

3.16

Bij de adoptie naar het recht van de Volksrepubliek China heeft de minderjarige de geslachtsnaam [geslachtsnaam] gekregen. Deze naamswijziging dient in Nederland te worden erkend op grond van het bepaalde in artikel 10:24 BW. Met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het verzoek tot adoptie door [naam] zal het primaire verzoek worden afgewezen. Nu de in de Volksrepubliek China verkregen naamswijziging in Nederland dient te worden erkend, behoeft het subsidiaire verzoek geen verdere bespreking.

Voornamen minderjarige

3.17

Bij de adoptie naar het recht van de Volksrepubliek China heeft de minderjarige de voornamen [voornaam] gekregen. Deze voornaamswijziging dient in Nederland te worden erkend op grond van het bepaalde in artikel 10:24 BW.

Geboortegegevens minderjarige

3.18

Blijkens het hierboven onder 2.3 genoemde Notarial Certificate, is de minderjarige [minderjarige] van het vrouwelijk geslacht en geboren op [geboortedatum] en zijn haar biologische ouders niet bekend.

3.19

Uit het hierboven onder 2.4 genoemde Notarial Certificate blijkt dat de minderjarige te vondeling is gelegd.

3.20

Voormelde stukken betreffen geen voor inschrijving vatbare geboorteakte. Mede gezien de overgelegde stukken, met name de brief van de ABS, en alle andere omstandigheden en aanwijzingen, zal de rechtbank op de voet van artikel 1:25c, eerste en derde lid BW, de geboortegegevens van de minderjarige vaststellen, zoals hierna staat vermeld.

4
4 Beslissing

De rechtbank:

4.1

stelt vast dat op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Volksrepubliek China, is geboren een kind van het vrouwelijk geslacht, aan welk kind is gegeven de geslachtsnaam [geslachtsnaam] en de voornaam [voornaam] ;

4.2

verklaart voor recht dat wordt erkend de beslissing, zoals vervat in het stuk “Notarial Certificate”, van [datum] [nummer] tot de adoptie naar het recht van de Volksrepubliek China van de minderjarige van het vrouwelijk geslacht:

[minderjarige] , oorspronkelijk genaamd [naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Volksrepubliek China,

door de vrouw voornoemd;

4.3

gelast de inschrijving van de hierboven vastgestelde geboortegegevens van de minderjarige in de registers van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage;

4.4

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen;

4.5

verstaat dat de volledige namen van de minderjarige naar Nederlands recht zullen (blijven) luiden [namen] ;

4.6

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het verzoek de adoptie uit te spreken van de minderjarige door [naam] ;

4.7

wijst af het meer of anders verzochte;

4.8

draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking - en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld - een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
’s-Gravenhage.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, voorzitter, mr. A.M. Ayal en mr. W.M. Schrama, allen kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.