Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10635

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
5078390 CV EXPL 16-4213
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Identiteitsfraude

Gedaagde heeft, als werkgever, door zonder eiseres persoonlijk te hebben gezien en gesproken, op basis van haar identiteitsgegevens, een arbeidsovereenkomst op haar naam gesteld.

Hiermee heeft gedaagde gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van haar als werkgever in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht.

Eiseres heeft als gevolg van handelwijze van gedaagde schade geleden. Gevorderde immateriële schade is toegewezen tot € 1000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/616
Prg. 2017/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 5078390 CV EXPL 16-4213

Uitspraakdatum: 28 december 2016

Vonnis in de zaak van:

[X]

woonplaats kiezende te [Woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [x]

gemachtigde: mr. M.M.A. Appelman

[toevoegingsnummer: 4LE4934]

tegen

1 de vennootschap onder firma Schoonmaakbedrijf [K. van Hees] v.o.f.

gevestigd en kantoorhoudende te Barsingerhorn

gedaagde sub 1

verder te noemen: [Van Hees] v.o.f.
alsmede de vennoten
2. [y]

wonende te [woonplaats]
gedaagde sub 2
verder te noemen: [y]
3. [y1]
wonende te [plaats]
gedaagde sub 3
verder te noemen: [y1]
4. [y2]
wonende te [Plaats]
gedaagde sub 4
verder te noemen: [y2]
5. [y3]
wonende te [Plaats]
gedaagde sub 5
verder te noemen: [y3]
gedaagden gezamenlijk ook te noemen: [yy]
gemachtigde: mr. R.V.H. Jonker

1 Het procesverloop

1.1.

[x] heeft bij dagvaarding van 4 mei 2016 een vordering tegen [yy] ingesteld. [yy] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 24 november 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft eiseres bij brief van 15 november 2016 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

In de periode van 21 februari 2011 tot en met 31 januari 2012 is een persoon bij [yy] in dienst geweest als medewerker schoonmaak. Deze persoon heeft zich bij indiensttreding gelegitimeerd met een verblijfsdocument en een paspoort met daarop de personalia en foto’s van [x] .
2.2. Op 13 maart 2013 heeft [x] een dwangbevel ontvangen van de Belastingdienst terzake van een aanslag Zorgtoeslag 2012. Op 1 februari 2014 heeft [x] een brief ontvangen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarbij een bedrag aan studiefinanciering wordt teruggevorderd vanwege een teveel aan bijverdiensten in 2011.

2.3.

Op 4 maart 2014 heeft [x] bij de politie melding gemaakt van identiteitsfraude.

2.4.

[yy] heeft op 2 april 2015 de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:
“Hierbij delen wij U mede dat mevr [x] niet bij ons gewerkt heeft in de periode 21-02-2011 t/m 31-01-2012. Er is in deze periode wel loonbelasting betaald en er is toen ook contante uitkering gedaan. Er is er toen wel door iemand anders bij ons gewerkt die toen haar sofie nummer heeft gebruikt.”

3 De vordering

3.1.

[x] vordert dat de kantonrechter [yy] hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van de schade van € 25.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van gehele betaling, met veroordeling van [yy] in de kosten van deze procedure. Zij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [yy] onrechtmatig jegens [x] heeft gehandeld door een andere persoon op basis van (verouderde) identiteitsgegevens van [x] te laten werken en daarvoor ook haar BSN nummer te gebruiken. Hiermee heeft [yy] inbreuk gemaakt op het persoonlijkheidsrecht van [x] . Voorts heeft [yy] de verplichtingen op grond van de Wet Identificatieplicht (WID) en Wet arbeid vreemdelingen geschonden. [yy] is op basis van een paspoort en een verblijfsdocument een arbeidsovereenkomst aangegaan, zonder zich ervan te vergewissen dat de persoon die de werkzaamheden zou gaan verrichten ook daadwerkelijk de persoon was aan wie de identiteitspapieren toebehoorden. Door dit onrechtmatig handelen van [yy] heeft [x] schade geleden. [x] begroot haar schade op ongeveer € 30.181,- netto, waarvan € 3.150,- aan kosten voor advocaten, brief/reisverkeer en kosten deurwaarders, € 4.531,- ter zake van niet-genoten inrichtingskosten voor een woning, derving van inkomsten ad € 18.000,- en immateriële schade ad € 4.500,- In het kader van deze procedure heeft [x] haar vordering gematigd tot een bedrag van € 25.000,-. Ter zitting heeft [x] voorts bevestigd dat zij, toen zij bij de politie melding heeft gemaakt van identiteitsfraude, daarbij het vermoeden heeft geuit dat haar vader misbruik heeft gemaakt van haar identiteitsgegevens. Zij heeft echter geen contact meer met haar vader en verblijft op een geheim adres.

4 Het verweer

4.1.

[yy] betwist de vordering. Hiertoe voert [yy] aan – samengevat – dat ten aanzien van [y2] en [y3] de vordering, voor zover deze al ontvankelijk is, dient te worden afgewezen. Zij zijn eind 2013 tot de vennootschap toegetreden en maakten in de periode 2011-2012, waarop de vordering ziet, geen deel uit van de vennootschap. [yy] stelt voorts pas begin 2015 te zijn geconfronteerd met de vraag of [x] al dan niet bij de v.o.f. in dienst was geweest. [yy] betwist de brief van 21 maart 2013, waarin namens [x] vragen worden gesteld, te hebben ontvangen. In april 2015 heeft [yy] onderzoek laten verrichten bij haar loonadministrateur. Daarbij is gebleken dat [yy] een arbeidsovereenkomst is aangegaan met [x] , op basis van haar paspoort en haar verblijfsdocument, dat werken toestond. Van deze originele documenten is een kopie gemaakt. Op basis van deze gegevens is het salaris uitbetaald. Pas in 2015 is door [x] aannemelijk gemaakt dat sprake kon zijn van een persoonsverwisseling. Ter zitting heeft [y] de gang van zaken bij indiensttreding nader toegelicht. Hij heeft daartoe verklaard dat hij gesproken heeft met de vader van [x] , die bij hem kwam met de vraag of [yy] werk had voor zijn dochter. Op basis van het paspoort en het verblijfsdocument zoals door vader getoond, is een arbeidsovereenkomst opgemaakt die per post aan vader dan wel [x] is toegezonden en vervolgens ondertekend retour is ontvangen. [y] heeft ter zitting voorts verklaard dat hij niet heeft gecontroleerd of de persoon die bij [yy] heeft gewerkt ook daadwerkelijk [x] was. De loonbetaling verliep contant, waarbij de betaling in een envelop aan de medewerker werd overhandigd. Dit werd niet door de vennoten, maar door andere medewerkers gedaan. [y] heeft ter zitting voorts bevestigd dat [x] niet degene was die voor de v.o.f. heeft gewerkt, de keren dat hij op de werkvloer was, heeft hij haar daar niet gezien.

5 De beoordeling

5.1.

Ten aanzien van de stelling van [yy] , dat [y2] en [y3] pas eind 2013 tot de vennootschap zijn toegetreden, zodat de vordering ten aanzien van hen moet worden afgewezen, overweegt de kantonrechter als volgt. Onbetwist is, dat [y2] en [y3] thans vennoten zijn van de vennootschap onder firma [y] v.o.f.. Dit brengt met zich dat zij op grond van artikel 6:7 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vorderingen op de vennootschap. Dat [y2] en [y3] ten tijde van de bewuste arbeidsovereenkomst nog geen vennoot waren kan, zo blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad, 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588, aan hun aansprakelijkheid dan ook niet afdoen. Deze omstandigheid kan slechts aan de orde komen bij de vraag in hoeverre zij, bij een toewijzing van de vordering, draagplichtig zijn in verhouding tot de andere vennoten.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [yy] weliswaar een arbeidsovereenkomst op naam van [x] heeft laten opmaken en [x] ter zake van loonbetaling ook in de loonadministratie heeft opgenomen, maar dat [x] feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht bij [yy] . Kern van het geschil betreft de vraag of [yy] hiermee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [x] . De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. [yy] heeft, zonder [x] persoonlijk te hebben gezien en gesproken, op basis van haar identiteitsgegevens, een arbeidsovereenkomst op haar naam gesteld. Hiermee heeft [yy] gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van haar als werkgever in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht. [yy] is immers als werkgever gehouden om de identiteit van haar werknemers op deugdelijke wijze te controleren. Dit geldt eens te meer, nu op grond van artikel 8 sub a van de Wet bescherming persoonsgegevens, identiteitsgegevens een persoon betreffende, pas worden opgenomen in een administratie of worden doorgegeven aan derden, indien betrokkene (degene wiens gegevens het betreft) daarvoor ondubbelzinnig toestemming heeft verleend. [yy] heeft persoonsgegevens van [x] opgenomen in haar loonadministratie, waaronder haar BSN nummer en heeft daarmee ook haar gegevens doorgegeven aan de belastingdienst, UWV en Pensioenfonds, zonder zich ervan te verzekeren dat [x] ook daadwerkelijk de persoon was die uitvoering gaf aan de arbeidsovereenkomst en zonder zich te vergewissen van de ondubbelzinnige en persoonlijke instemming van [x] met de verwerking van haar persoonsgegevens. Dit heeft ertoe geleid dat [x] vanwege inkomsten die zij genoten zou hebben, door deze overheidsinstanties is benaderd, waarbij haar werd verzocht ontvangen toeslagen en studiegeld (DUO) terug te betalen en waarbij ter executie van deze vorderingen beslag werd gelegd op haar goederen. De kantonrechter is voorts van oordeel dat dit onrechtmatig handelen aan [yy] kan worden toegerekend. [yy] heeft nagelaten te verifiëren of [x] daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst met [yy] wilde aangaan. [yy] heeft enkel op basis van de door de vader verstrekte papieren en zonder [x] persoonlijk te ontmoeten, een arbeidsovereenkomst met haar gegevens opgesteld en heeft ook nadien nagelaten om te controleren of de persoon die bij [yy] kwam werken, daadwerkelijk [x] was. Hiervan valt aan [yy] een verwijt te maken. Dat [yy] mogelijk (de vader van) [x] terwille heeft willen zijn en dat het een in de schoonmaakbranche niet ongebruikelijke werkwijze is, kan hieraan niet afdoen.

5.3.

[x] stelt dat zij ten gevolge van het handelen van [yy] schade heeft geleden. Teneinde vast te kunnen stellen welke door [x] gestelde schade voor rekening van [yy] komt, dient allereerst te worden beoordeeld of de schade voldoende aannemelijk is gemaakt en, zo ja, of de schade is aan te merken als een (rechtstreeks) gevolg van het handelen van [yy] . De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt. Voor zover [yy] bij wijze van verweer stelt dat de materiële schade zoals door [x] gevorderd, moet worden afgewezen, omdat [x] pas in 2015 maatregelen heeft getroffen om haar schade te beperken, faalt dit verweer. Uit de door [x] overgelegde stukken is genoegzaam gebleken dat zij al sinds 2013 in contact was met de Belastingdienst, uitkeringsinstanties, advocaten, de Nationale ombudsman en maatschappelijk werk, om de onjuiste gegevens te corrigeren. Uit deze stukken is ook gebleken dat zij al vanaf 2013 hierover contact heeft opgenomen met [yy] . Dat [yy] eerst in 2015 aanleiding heeft gezien om de Belastingdienst te verzoeken de opgaves ten aanzien van [x] te corrigeren, kan aan [x] dan ook niet worden tegengeworpen.

5.4.

[x] heeft de gevorderde materiële schade van € 3.150,- onderbouwd met een overzicht van reiskosten, de kosten van de eigen bijdrage in bezwaarschriftenprocedures, telefoonkosten en administratiekosten (brieven/fax/bezwaarschriften), afschriften van de deurwaarderskosten en kosten van dwangbevelen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [x] de door haar gemaakte kosten hiermee voldoende inzichtelijk gemaakt en heeft [yy] heeft deze posten onvoldoende gemotiveerd betwist. Tevens zijn deze kosten noodzakelijk geworden ten gevolge van het handelen van [yy] . [x] heeft deze kosten immers moeten maken teneinde de onjuiste gegevens, zoals opgegeven door [yy] , te corrigeren. De vordering komt op dit punt dan ook voor toewijzing in aanmerking.

5.5.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor het mislopen van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, heeft [x] weliswaar een specificatie met betrekking tot haar bijstandsuitkering overgelegd waarop dit bedrag staat vermeld, hieruit blijkt echter van toekenning van dit bedrag en daaruit kan dan ook niet worden opgemaakt dat zij dit bedrag niet heeft ontvangen, vanwege (vermeende) inkomsten. [yy] heeft ten aanzien van de vordering op dit punt gemotiveerd verweer gevoerd. De vordering is op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd en zal worden afgewezen. Dit geldt eveneens voor de gevorderde € 18.000,- wegens gederfde inkomsten. Voor zover deze schade al voldoende is onderbouwd, is niet aangetoond dat [x] dit inkomen is misgelopen vanwege de onjuiste gegevensverstrekking door [yy] aan diverse instanties. De gestelde schade is op dit punt dan ook niet aan te merken als een rechtstreeks gevolg van het handelen van [yy] .

5.6.

[x] vordert een bedrag van € 4.500,- ter zake van immateriële schade. Zij voert daartoe aan dat zij zeer veel leed heeft ondervonden ten gevolge van de identiteitsfraude. In aanvulling hierop heeft zij ter zitting verklaard dat zij zich angstig en onveilig voelde, omdat zij er niet in slaagde de onjuistheden ten aanzien van haar inkomen te corrigeren, nu de betreffende instanties zich steeds weer baseerden op de door [yy] verstrekte gegevens. Dit maakte dat haar verhaal niet werd geloofd. Voorts durfde zij weken lang haar huis niet te verlaten, uit angst dat de deurwaarder haar huis leeg zou komen halen. Ook had zij het gevoel dat buren haar negatief beoordeelden vanwege de frequente bezoeken van deurwaarders. Zij heeft hierdoor psychische schade opgelopen en heeft ook nu nog gevoelens van angst en onveiligheid.

5.7.

Op grond van artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek, heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De kantonrechter is van oordeel dat [yy] , door zonder deugdelijke verificatie, de identiteitsgegevens van [x] te gebruiken voor haar loonadministratie, [x] ook immateriële schade heeft toegebracht, nu zij hierdoor in haar persoonlijke levenssfeer is aangetast. Door de onjuiste verstrekking van gegevens, ontving [x] ten onrechte belastingaanslagen en vorderingen tot terugbetaling van studiegelden en toeslagen. Het feit dat zij door instanties niet werd geloofd en het gegeven dat op basis van haar persoonsgegevens door iemand anders werkzaamheden zijn verricht, brachten voor haar gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee. De kantonrechter is, het voorgaande in acht genomen dan ook van oordeel dat een immateriële schadevergoeding op zijn plaats is. De kantonrechter stelt deze vergoeding, alle omstandigheden in aanmerking nemend, naar billijkheid vast op een bedrag van € 1.000,-.

5.8.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [x] als zal toewijzen tot een bedrag van (€ 3.150,- + € 1.000,-)= € 4.150,-

5.9.

De proceskosten komen voor rekening van [yy] , omdat zij ongelijk krijgt. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de exploot- en/of advertentiekosten niet mogelijk.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [yy] hoofdelijk tot betaling aan [x] van € 4.150,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [yy] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [x] tot en met vandaag vaststelt op:

griffierecht € 79,-

salaris gemachtigde € 400,- ;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter