Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10615

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3391
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2015 (het primaire besluit; ontheffing 45) heeft verweerder aan de stichting Stichting Faunabeheereenheid (hierna: de Faunabeheereenheid) op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c van de Flora- en faunawet (Ffw) onder het stellen van voorschriften ontheffing verleend om smienten te doden ter voorkoming en bestrijding van schade aan in het besluit genoemde gewassen in tweeëntwintig in het besluit genoemde wildbeheereenheden van een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsopkomst en vanaf een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsondergang met gebruikmaking van de middelen geweer en hond. De ontheffing is geldig vanaf datum ontvangst tot 15 april 2019 en kan jaarlijks worden gebruikt in de periode vanaf 1 oktober tot 1 april.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/3391

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen

stichting Stichting Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland,

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),

en

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen de stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland, te Haarlem,

(gemachtigde: mr. T. van der Weijde).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2015 (het primaire besluit; ontheffing 45) heeft verweerder aan de stichting Stichting Faunabeheereenheid (hierna: de Faunabeheereenheid) op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c van de Flora- en faunawet (Ffw) onder het stellen van voorschriften ontheffing verleend om smienten te doden ter voorkoming en bestrijding van schade aan in het besluit genoemde gewassen in tweeëntwintig in het besluit genoemde wildbeheereenheden van een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsopkomst en vanaf een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsondergang met gebruikmaking van de middelen geweer en hond. De ontheffing is geldig vanaf datum ontvangst tot 15 april 2019 en kan jaarlijks worden gebruikt in de periode vanaf 1 oktober tot 1 april.

Bij besluit van 10 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken voor zover daarbij ontheffing is verleend van het verbod om het geweer te gebruiken voor zonsopgang en na zonsondergang. Het primaire besluit is voor het overige in stand gelaten. Verweerder heeft in het bestreden besluit voorts de schadecijfers smient van de jaren 2014 en 2015 als bijlage opgenomen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016. Namens eiseres is
[naam 1] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. H.A. Schoordijk en mr. S.P.E. van der Zon. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] . Namens de de vereniging Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels (hierna: de Vogelbescherming) is [naam 3] verschenen.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat zij de Vogelbescherming ten onrechte heeft uitgenodigd om in het beroep van eiseres als derde-partij aan het geding deel te nemen. Daartoe is redengevend dat de Vogelbescherming geen aan eiseres tegengesteld belang heeft. Zij had voorts zelf de mogelijkheid beroep in te stellen en heeft daarvan ook gebruik gemaakt, maar dit beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van het griffierecht. De Algemene wet bestuursrecht voorziet niet in deelname aan het geding als derde-partij door belanghebbenden die niet-ontvankelijk (zouden) zijn in hun beroep. De Vogelbescherming wordt dus niet als derde-partij bij dit geding aangemerkt.

2. Bij het hier bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar (onder meer) het advies van de Hoor- en adviescommissie (hierna: HAC) van 26 februari 2016 en de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 29 april 2016 (ECLI:NL:RBNHO:2016:4560), het primaire besluit ingetrokken voor zover daarbij ontheffing was verleend van het bepaalde in artikel 7, negende lid, aanhef en onder a, van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (Bbsd). Dit betekent dat geen ontheffing is verleend voor het gebruik van het geweer vanaf een uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst en vanaf zonsondergang tot een uur na zonsondergang. Onder verwijzing naar en onder integrale overname van het advies van de HAC heeft verweerder het primaire besluit voor het overige in stand gelaten.

3.1

Het beroep van eiseres richt zich tegen het bestreden besluit voor zover daarbij de ontheffing van 30 november 2015 (ontheffing 45) in stand is gelaten.

3.2

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en een zorgvuldige voorbereiding ontbeert. Het besluit geeft, ondanks het advies van de HAC in bezwaar, geen blijk van een nauwkeurige en treffende motivering waarom de ontheffing noodzakelijk is. Verder blijkt uit het bestreden besluit niet waarop de schadecijfers zijn gebaseerd en hoe deze zijn beoordeeld. Op die verplichting had de HAC verweerder gewezen. Niet kan worden volstaan met het zonder enige vorm van analyse bij het besluit voegen van schadecijfers smient over de jaren 2014 en 2015, aldus eiseres. Anders dan door de HAC was geadviseerd geeft het bestreden besluit er ook geen blijk van dat is beoordeeld of de schadeomvang was toegenomen sinds de eerdere verlening van een ontheffing op 29 april 2014, de schorsing van deze ontheffing door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 15 oktober 2014 (zaaknummers HAA 14/3943, HAA 14/3944, HAA 14/3980 en HAA 14/3909) en vervolgens de intrekking van deze ontheffing door verweerder in 2015. Verder is volgens eiseres onvoldoende komen vast te staan dat de ontheffing geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de smient. Eiseres stelt verder dat, terwijl ook daar een opmerking over is geplaatst door de HAC, uit het bestreden besluit niet blijkt wat verweerder heeft gedaan met de kanttekeningen die het Faunafonds heeft geplaatst bij het hoofdstuk over smienten in het Faunabeheerplan.

4.1

Gezien de gronden van beroep tegen het bestreden besluit en in verband daarmee de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit, de kanttekeningen die de HAC naar aanleiding van deze bezwaren heeft geplaatst bij het primaire besluit alsmede de uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 januari 2016 (HAA 15/5730 en HAA 16/14) waarbij het onderhavige primaire besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover de bij het primaire besluit verleende ontheffing daarbij in stand is gelaten, in beroep geen stand kan houden. Verweerder heeft daarin immers geenszins gemotiveerd waarom het primaire besluit, ondanks voornoemde bezwaren en kanttekeningen, in stand zou kunnen blijven. De integrale overname in het bestreden besluit van het advies van de HAC volstaat in dit geval niet als motivering, nu de HAC niet ongeclausuleerd heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren, maar diverse op- en aanmerkingen heeft gemaakt en bovendien een aantal aanbevelingen heeft gedaan. Niet is gebleken dat verweerder de gemaakte op- en aanmerkingen en aanbevelingen in overweging heeft genomen. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb. Verder heeft verweerder zich niet gekweten van zijn onderzoeksplicht als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb nu uit het bestreden besluit niet blijkt dat en, zo ja, op welke wijze de door de Faunabeheereenheid aangeleverde gegevens op juistheid zijn beoordeeld. Op die verplichting had de voorzieningenrechter verweerder in de uitspraak van 7 januari 2016 gewezen. Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

4.2

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek middels het toepassen van de zogenoemde bestuurlijke lus te herstellen. Daartoe is redengevend dat elke vorm van motivering van het besluit ontbreekt en een goede motivering ook niet binnen afzienbare tijd is te verwachten. De rechtbank draagt verweerder derhalve opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.3

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van de bij besluit van 30 november 2015 verleende ontheffing totdat opnieuw op het bezwaar is beslist.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de bij het primaire besluit verleende ontheffing in stand is gelaten;

  • -

    schorst het primaire besluit tot de datum waarop opnieuw op het bezwaar is beslist;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. D.M. de Feijter en mr. drs. L. Beijen, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.