Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10613

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
16_1650
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de uitspraak van 16 maart 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:737) overwogen dat voor de belanghebbendheid bij een milieuomgevingsvergunning aannemelijk moet zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij naar objectieve maatstaven gemeten als gevolg van de verleende omgevingsvergunning, gevolgen van enige betekenis ondervindt. Vast staat dat eiser geen zicht heeft op de locatie die betrekking heeft op de vergunde uitbreiding. Niet kan daarom worden gezegd dat de ruimtelijke uitstraling zodanig is dat eiser op grond daarvan gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. Ook ten aanzien van geluid, geur en lucht is niet aannemelijk geworden dat de toename van de belasting voldoet aan het vereiste toetsingscriterium om eiser als belanghebbende bij de in geding zijnde omgevingsvergunning voor milieu te kunnen aanmerken.

Eiser heeft – gegeven ook de in het dossier voorhanden zijnde gegevens en mede in aanmerking genomen de ter zitting gegeven toelichting door de gemachtigde van derde-partij – niet aannemelijk gemaakt dat de stortactiviteiten vergund met eerdere vergunningen zouden zijn beëindigd vóór 1 april 2022. Daarom kan ook niet worden gezegd dat eiser in dit opzicht van de vergunning gevolgen van enige betekenis zal kunnen gaan ondervinden.

Eiser wordt dan ook door de omgevingsvergunning voor milieu niet geraakt in een objectief bepaalbaar belang dat rechtstreeks bij de vergunningverlening is betrokken. Eiser kan dan ook ten aanzien daarvan niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb worden aangemerkt. Ook bij de omgevingsvergunning voor zover daarbij toestemming is verleend voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan is eiser geen belanghebbende. Daartoe is redengevend dat eiser, zoals ook hiervoor is overwogen, op de locatie waarvoor de uitbreiding van de stortcapaciteit is gevraagd en waar de verhoging van de stort zal plaatsvinden, geen zicht heeft. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder is overwogen valt voorts, ook gelet op de afstand van eisers woning tot de locatie waar de uitbreiding plaatsvindt, niet te verwachten dat de ruimtelijke uitstraling van de uitbreiding zodanig groot is dat eiser daardoor rechtstreeks in zijn belang wordt geschaad.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1650

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van13 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap Afvalzorg Deponie B.V., te Assendelft.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2016 heeft verweerder aan derde-partij omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van de stortcapaciteit van stortplaats Nauerna te Assendelft (hierna: de inrichting) met 1,678 miljoen m3, voor het storten van afval tot een hoogte van 36,5 en 37 meter, met dien verstande dat de stortactiviteiten niet mogen plaatsvinden na 1 april 2022 alsmede het openbaar toegankelijk maken van een deel van de inrichting als het Park (fase I) alsmede voor een stikstofemissie van 21.700 kg NOx per jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. P.C. Speelman, drs. ing. A. Snijder, drs. W.E. Pieters, H.J. Janssen en L. Glasbergen. Namens derde-partij is mr. ir. [naam] verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Bij besluit van 15 februari 2016 is omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo. Bij het besluit is tevens vergunning verleend voor het realiseren van een project of het verrichten van andere handelingen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw).

3.1

Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor zover deze ziet op de activiteit milieu geldt het volgende.

3.2

Op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit te hebben.

3.3

In de uitspraak van 16 maart 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:737) overwogen dat voor de belanghebbendheid bij een milieuomgevingsvergunning aannemelijk moet zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden.

3.4

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij naar objectieve maatstaven gemeten als gevolg van de verleende omgevingsvergunning, gevolgen van enige betekenis ondervindt. Vast staat dat eiser geen zicht heeft op de locatie die betrekking heeft op de vergunde uitbreiding. Niet kan daarom worden gezegd dat de ruimtelijke uitstraling zodanig is dat eiser op grond daarvan gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. Ook ten aanzien van geluid, geur en lucht is niet aannemelijk geworden dat de toename van de belasting voldoet aan het vereiste toetsingscriterium om eiser als belanghebbende bij de in geding zijnde omgevingsvergunning voor milieu te kunnen aanmerken.

Eiser heeft – gegeven ook de in het dossier voorhanden zijnde gegevens en mede in aanmerking genomen de ter zitting gegeven toelichting door de gemachtigde van derde-partij – niet aannemelijk gemaakt dat de stortactiviteiten vergund met eerdere vergunningen zouden zijn beëindigd vóór 1 april 2022. Daarom kan ook niet worden gezegd dat eiser in dit opzicht van de vergunning gevolgen van enige betekenis zal kunnen gaan ondervinden.

Eiser wordt dan ook door de omgevingsvergunning voor milieu niet geraakt in een objectief bepaalbaar belang dat rechtstreeks bij de vergunningverlening is betrokken. Eiser kan dan ook ten aanzien daarvan niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb worden aangemerkt.

4. Ook bij de omgevingsvergunning voor zover daarbij toestemming is verleend voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan is eiser geen belanghebbende. Daartoe is redengevend dat eiser, zoals ook hiervoor is overwogen, op de locatie waarvoor de uitbreiding van de stortcapaciteit is gevraagd en waar de verhoging van de stort zal plaatsvinden, geen zicht heeft. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen valt voorts, ook gelet op de afstand van eisers woning tot de locatie waar de uitbreiding plaatsvindt, niet te verwachten dat de ruimtelijke uitstraling van de uitbreiding zodanig groot is dat eiser daardoor rechtstreeks in zijn belang wordt geschaad.

5. Eiser heeft geen zienswijze gericht tegen het ontwerpbesluit waarbij toestemming is verleend op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw. Van omstandigheden op grond waarvan hem dit redelijkerwijs niet zou kunnen worden verweten is gesteld noch gebleken. Gelet op het voorgaande stond op grond van artikel 6:13 van de Awb voor eiser niet de mogelijkheid open om in zoverre tegen het besluit van 15 februari 2016 beroep in te stellen bij de bestuursrechter.

6. Het beroep is niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. D.M. de Feijter, en mr. drs. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier, op 13 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.