Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1032

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
15/800335-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geldigheid dagvaarding bij tenlastelegging grootschalig bezit kinderporno na terugverwijzing zie ECLI:NL:GHAMS:2015:4435, zie ook ECLI:NL:RBNHO:2015:2845

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 240b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800335-14 (P)

Uitspraakdatum: 4 februari 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 januari 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.C. van Hoogmoed, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Procesverloop

De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 26 maart 2015 de dagvaarding nietig verklaard, waarna officier van justitie mr. A.M.H.G. Peters op 7 april 2015 beroep heeft ingesteld tegen voornoemd vonnis. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 29 oktober 2015, gewezen op het hoger beroep, het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de zaak teruggewezen naar de rechtbank Noord-Holland, teneinde op de inleidende dagvaarding opnieuw recht te doen. De rechtbank heeft de zaak vervolgens behandeld ter terechtzitting van 21 januari 2016.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging op 21 januari 2016, ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2012 tot en met 07 oktober 2013 te Purmerend, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal (telkens) afbeelding(en),

te weten (een) foto('s) en/of (een) video(‘s) en/of (een) film(s) en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en) (te weten: een computer (merk LG) en/of een harde schijf (merk Western Digital, type Caviar-blue) en/of een harde schijf (merk Western Digital, type Caviar-green) en/of een externe harde schijf en/of een USB-stick blauw),

heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

terwijl op die afbeelding(en) (telkens) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - (telkens) bestonden uit:

het oraal en/of vaginaal penetreren (met de penis) van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

( [bestandsnaam 1] )

en/of

het vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (met de penis)

( [bestandsnaam 2] )

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (met (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong)

( [bestandsnaam 3] )

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen en/of de borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (met (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong)

( [bestandsnaam 4] )

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn en/of opgemaakt is/zijn en/of poseert/poseren in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) en/of in (een) (erotisch getinte) houding(en) (op een wijze) die niet bij zijn/haar/hun leeftijd past/passen en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar/hun kleding ontdoet/ontdoen en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling,

( [bestandsnaam 5] )

van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, (telkens) een gewoonte heeft gemaakt.

Daarbij is onder de tenlastelegging op de dagvaarding het volgende vermeld:

De Officier van Justitie deelt mede dat een representatieve collectie van bovengenoemde afbeeldingen/filmfragmenten is samengesteld, maar ter voorkoming van strafbare feiten en verdere verspreiding van bovengenoemd materiaal, niet in het dossier zijn gevoegd en ook niet in afschrift zullen worden verstrekt. De Officier van Justitie zal deze collectie als stuk van overtuiging op de terechtzitting aanwezig hebben en aan de rechtbank overleggen. Voorafgaand aan de terechtzitting kan inzage in genoemd materiaal verleend worden op afspraak met de Officier van Justitie.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

Procesgang

Rechtbank

De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 26 maart 2015 geoordeeld dat de dagvaarding niet voldeed aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en heeft de dagvaarding, overeenkomstig het verzoek van de verdediging, nietig verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, het volgende overwogen.

Anders dan de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 2014 heeft aanbevolen, heeft het Openbaar Ministerie gekozen voor een werkwijze waarbij - in plaats van het opnemen van omschrijvingen van een aantal individuele afbeeldingen - een categoriale omschrijving werd gegeven van de op de afbeeldingen en films waargenomen handelingen, die de seksuele gedragingen als bedoeld in artikel 240b Sr zouden opleveren. Omdat zich bij de processtukken geen proces-verbaal bevond waarin een nadere feitelijke concretisering was opgenomen van de waargenomen handelingen, was de rechtbank naar haar oordeel niet in staat de tenlastelegging naar behoren te beoordelen.

Hof

Naar aanleiding van het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep, heeft het hof in zijn arrest van 29 oktober 2015 overwogen dat, door (per categorie) specifieke kenmerken van de afbeeldingen van seksuele gedragingen te beschrijven, in combinatie met de voorhanden zijnde toonmap en in samenhang bezien met het dossier, de tenlastelegging voldoende geconcretiseerd en specifiek is en voldoet aan de eis van voldoende duidelijke opgave van het feit. Daaraan heeft het hof toegevoegd dat het hof onmiddellijk erkent dat de gehanteerde wijze van ten laste leggen een onwenselijke verzwaring van de werklast voor de rechter en de verdediging bij (de voorbereiding van) het te houden onderzoek ter terechtzitting betekent. Het verdient dan ook verreweg de voorkeur om, óók om te voorkomen dat de tenlastelegging in een zoekplaatje voor de rechter en de verdediging ontaardt, de tenlastelegging in te kleden op de wijze zoals de Hoge Raad in zijn reeds genoemde arrest van 24 juni 2014 heeft geschetst, aldus het hof. Vervolgens beveelt het hof aan dat, indien het Openbaar Ministerie desalniettemin zou volharden in de gehanteerde wijze van ten laste leggen, de beschrijving van de collectiescan wordt aangevuld met bestandsnamen van de kinderpornografische afbeeldingen die zich in de toonmap bevinden, welke afbeeldingen meer specifiek in een proces-verbaal worden beschreven.
Het hof heeft daarop de onderhavige zaak teruggewezen naar de rechtbank.

Hoge Raad

Op 17 november 2015 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een zaak die zag op de tenlastelegging van grootschalig bezit van kinderpornografie. In dit arrest overweegt de Hoge Raad als volgt:

“2.4.

Ingevolge de art. 348 en 350 Sv, die krachtens art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn, dient de rechter te beraadslagen op de grondslag van de tenlastelegging. De tenlastelegging strekt er daarbij toe voor de procesdeelnemers - zowel voor het openbaar ministerie en de rechter als voor de verdachte en eventueel de benadeelde partij - de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen (vgl. HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126 en ECLI:NL:HR:1995:ZD0096, NJ 1996/127). Met het oog daarop dient ingevolge art. 261 Sv de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan.

2.5.

Aangezien het de Hoge Raad bekend was dat onduidelijkheid bestond over de wijze waarop in het bijzonder het grootschalige bezit van - kort gezegd - kinderporno kan of moet worden tenlastegelegd, zijn in HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1739, NJ 2012/147 en HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1497, NJ 2014/339 enkele uitgangspunten geformuleerd met het oog op de strafrechtelijke beoordeling van het op grote(re) schaal voorhanden hebben van kinderporno. Die uitgangspunten komen hierop neer dat de steller van de tenlastelegging zich bij voorkeur zou moeten beperken tot het beschrijven van een selectie van een gering aantal (representatieve) afbeeldingen - zo mogelijk ten hoogste vijf - zonder in de tenlastelegging zelf enige aanduiding van of verwijzing op te nemen naar een wellicht grotere hoeveelheid waarvan die afbeeldingen deel uitmaken. In geval van bewezenverklaring van het handelen van de verdachte met betrekking tot een of meer van die in de tenlastelegging omschreven afbeeldingen kan vervolgens bij de straftoemeting rekening worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict, bijvoorbeeld op grond van de erkenning door de verdachte van het grootschalige karakter, hetgeen betekent dat de concrete afbeeldingen of de exacte hoeveelheid kinderporno niet behoeven te worden besproken, of op grond van de uitkomst van een in het voorbereidend onderzoek uitgevoerde steekproef uit het aangetroffen materiaal, mits de verdachte in de gelegenheid is gesteld de bij de steekproef gehanteerde methode aan de orde te stellen.

2.6.

De onderhavige tenlastelegging heeft, in afwijking van de hiervoor onder 2.5 aanbevolen werkwijze, betrekking op het bezit van 864 afbeeldingen, dus op grootschalige kinderporno, die - zonder nadere verduidelijking of herleidbaarheid tot die 864 afbeeldingen - in vier nader omschreven categorieën is onderverdeeld. De steller van de tenlastelegging heeft zich dus niet beperkt tot - een beschrijving van - een beperkte selectie van (representatieve) afbeeldingen. Uit de eisen die art. 261 Sv in gevallen als de onderhavige stelt aan de dagvaarding, vloeit voort dat de tenlastelegging met het oog op de in 2.4 genoemde duidelijkheid voor in het bijzonder de verdachte en de rechter ten aanzien van elk van die afbeeldingen, hetzij een voldoende concrete beschrijving dient te bevatten, hetzij de vindplaats van die beschrijving in het dossier dient te vermelden. Indien de tenlastelegging niet aan die eisen voldoet en de verdachte daarop beroep doet, kan zulks grond vormen voor nietigverklaring van de dagvaarding.”

Beoordeling van de onderhavige tenlastelegging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 21 januari 2016 een vordering wijziging tenlastelegging overgelegd, waarin (onder meer) aan de categoriale omschrijving van de waargenomen handelingen, per gedraging een bestandsnaam is toegevoegd, welke bestandsnamen zijn terug te vinden in het aanvullend proces-verbaal onderzoek in beslaggenomen goed van 14 september 2015. De rechtbank heeft de vordering wijziging tenlastelegging, met instemming van de verdediging, toegelaten.

De rechtbank overweegt thans, naar aanleiding van het voorgaande, als volgt.

Bij de beoordeling van de onderhavige tenlastelegging slaat de rechtbank niet slechts acht op het in hoger beroep gewezen arrest van het gerechtshof maar ook op laatstgenoemd arrest.
Het Openbaar Ministerie heeft wat betreft de categoriale omschrijving volhard in de gehanteerde wijze van ten laste leggen - en het daarmee afwijken van de door de Hoge Raad aanbevolen werkwijze -, maar het komt tegemoet aan de eis die de Hoge Raad in zijn arrest van 17 november 2015 stelt om, als de tenlastelegging geen voldoende concrete beschrijving bevat, in de tenlastelegging de vindplaats van die beschrijving in het dossier te vermelden. De dagvaarding voldoet dan ook, zo oordeelt de rechtbank, aan de eisen die art. 261 Sv stelt. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de verdediging na wijziging van de tenlastelegging expliciet geen beroep meer heeft gedaan op nietigverklaring van de dagvaarding.

3.2.

De overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met zaaknummer 2012-10843 van verbalisant [verbalisant 1] van 11 april 2012 (doorgenummerde pagina’s 10 en 11);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal beeldmateriaal van verbalisant [verbalisant 2] met zaaknummer 2012-10843/A van 11 april 2012 (doorgenummerde pagina’s 29 en 30);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] met proces-verbaalnummer 12KPKIA-DZ-01 van 22 oktober 2013 (doorgenummerde pagina’s 35 en 36, evenals doorgenummerde pagina 42);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal onderzoek in beslag genomen goed met proces-verbaalnummer 12KP Kia-BEV-01 van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 2 april 2014 (doorgenummerde pagina’s 54 tot en met 57, met bijlage II (doorgenummerde pagina’s 60-62) en bijlage III (doorgenummerde pagina’s 63 en 64);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte aanvullend proces-verbaal onderzoek in beslag genomen goed met proces-verbaalnummer KIA van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 14 september 2015 (los in het dossier gevoegd).

4.3.

Bewijsoverweging

In de onderhavige zaak zijn gegevensdragers aangetroffen die verdachte toebehoren en die een groot aantal foto’s en films bevatten met daarop afbeeldingen van kinderpornografische aard. Verdachte heeft erkend in het bezit te zijn geweest van een grootschalige collectie kinderporno.

De aangetroffen collectie is voor een klein deel nader feitelijk uitgewerkt in het aanvullend proces-verbaal onderzoek in beslag genomen goed van 14 september 2015. Dit aanvullend proces-verbaal behelst (de beschrijving van) zeven foto’s en één film. In de – ter terechtzitting gewijzigde – tenlastelegging wordt per categoriaal omschreven gedraging verwezen naar één van de in het aanvullend proces-verbaal beschreven bestanden, met in totaal vijf verwijzingen naar - achtereenvolgens - de foto genummerd als 1, de film genummerd als 8, de foto genummerd als 2, de foto genummerd als 3 en de foto genummerd als 4. Voor zover de in de tenlastelegging vermelde seksuele gedragingen zijn te herleiden tot de in de tenlastelegging genoemde bestandsnamen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte gegevensdragers in het bezit heeft gehad die kinderpornografische afbeeldingen bevatten. Daarbij verdient opmerking dat de rechtbank, daar waar een in de tenlastelegging vermelde gedraging en het daarbij genoemde bestand in meer of mindere mate niet op elkaar aansluiten, eveneens acht heeft geslagen op de (overige) bestanden die in de tenlastelegging zijn vermeld en niet specifiek aan de eerder genoemde gedraging zijn gekoppeld. Omdat het Openbaar Ministerie, naar men mag aannemen, er bewust voor heeft gekozen om enkele in het aanvullend proces-verbaal omschreven bestanden niet in de tenlastelegging te vermelden, zal de rechtbank deze bestanden voor de bewijsvoering buiten beschouwing laten.

Periode

Anders dan de verdediging ter terechtzitting heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte hetgeen hem wordt verweten heeft begaan in de tenlastegelegde periode. Daarbij zoekt de rechtbank aansluiting bij de begindatum zoals vermeld in de rapporten van het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children, in samenhang met de beoordeling van het beeldmateriaal blijkens het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] ,
en de einddatum, zijnde de datum van inbeslagneming van de gegevensdragers.
Ten overvloede tekent de rechtbank daarbij aan dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard reeds in 2011 te hebben gehoord dat hij zich in dit opzicht bezig hield met ongeoorloofde praktijken.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 14 februari 2012 tot en met 7 oktober 2013 te Purmerend,

gegevensdragers te weten: een computer (merk LG) en een harde schijf (merk Western Digital, type Caviar-blue) en een harde schijf (merk Western Digital, type Caviar-green) en een externe harde schijf en een USB-stick blauw,

bevattende afbeeldingen, te weten:

  • -

    [bestandsnaam 1]

  • -

    [bestandsnaam 2]

  • -

    [bestandsnaam 3]

  • -

    [bestandsnaam 4]

  • -

    [bestandsnaam 5]

in bezit heeft gehad,

terwijl op die afbeeldingen (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het oraal en vaginaal penetreren (met de penis) van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en

het betasten en aanraken van de geslachtsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (met (een) vinger(s)/hand en de tong)

en

het betasten en aanraken van de geslachtsdelen van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (met (een) vinger(s)/hand en de tong)

en

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn en/of poseert/poseren in (een) (erotisch getinte) houding(en) (op een wijze) die niet bij zijn/haar/hun leeftijd past/passen en/of door de (onnatuurlijke) pose van deze perso(o)n(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling,

van welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt.

Overigens heeft de rechtbank, anders dan in de tenlastelegging het geval was, ter verduidelijking bij de bewezenverklaring de bestandsnamen gegroepeerd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

In het bijzonder acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte in het bezit is geweest van afbeeldingen bevattende seksuele gedragingen bestaande uit het vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, nu op dergelijke gedragingen volgens de beschrijving niet zichtbaar zijn op de film noch de andere afbeeldingen waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 178 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de in inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat bij het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, waarvan 90 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich in zoverre aangesloten bij de eis van de officier van justitie, dat een gevangenisstraf zoals gevorderd redelijk wordt bevonden. De verdediging kan zich, gelet op de fysieke gesteldheid van verdachte en het gegeven dat hij reeds sinds zijn 40e jaar is afgekeurd, evenwel niet vinden in de gevorderde werkstraf.

In zijn algemeenheid heeft de verdediging verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de medische achtergrond van verdachte, die ten tijde van het feit nog zorgwekkender was, de inhoud van de collectie, die voornamelijk bestond uit het enkele poseren door oudere kinderen, de meewerkende houding van verdachte en het tijdsverloop in de onderhavige zaak.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno. Hij heeft deze afbeeldingen gedownload en op zijn computer, op externe harde schijven en op een USB-stick opgeslagen.

Het hoeft geen betoog dat kinderporno bijzonder verwerpelijk is, met name omdat bij de vervaardiging ervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Verdachte moet daarvoor mede verantwoordelijk gehouden worden, nu hij door zijn handelen heeft bijgedragen aan de instandhouding daarvan.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat het bewezenverklaarde feit een ouder feit betreft. Het onderzoek hiernaar heeft bijna vier jaar geleden een aanvang genomen.

Om juridisch-technische redenen zoals hiervoor omschreven onder de bewijsoverweging heeft de rechtbank slechts een deel van de aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen bewezen verklaard, met dien verstande dat de rechtbank wel bewezen heeft verklaard dat verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Gelet op het feit dat verdachte heeft erkend in het bezit te zijn geweest van een grootschalige collectie kinderpornografische afbeeldingen, hetgeen wordt ondersteund door de inhoud van het strafdossier, ziet de rechtbank aanleiding om bij de strafoplegging uit te gaan van een zeer omvangrijke collectie kinderporno. Dit geldt ook indien tot uitgangspunt wordt genomen de Caviar Green schijf die als basis heeft gediend voor de talrijke back-ups vanuit een autoback-up systeem.

Ten aanzien van de inhoud van deze collectie, met name waar het gaat om de leeftijd van de getoonde kinderen, is de rechtbank met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de collectiescan daarbij als uitgangspunt moet dienen en de omschrijvingen in het aanvullend proces-verbaal van 14 september 2015 in dat verband minder representatief moeten worden geacht. Dat laat onverlet dat de collectie voor 5% bestond uit afbeeldingen van zeer jeugdige (namelijk jonger dan 12 jaar) kinderen.

Daarbij acht de rechtbank het van belang te benadrukken dat de collectie weliswaar voor het overgrote deel bestond uit geposeerde afbeeldingen - hetgeen op zich ook strafwaardig is - maar dat niet veronachtzaamd mag worden dat een - zij het kleiner - deel van de collectie gedragingen bevatte die als nog ernstiger kunnen worden aangemerkt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 30 december 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;

- de inhoud van het reclasseringsadvies van 26 september 2014, opgemaakt door C. Staats, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, waarin wordt vermeld dat verdachte risicovol gedrag vertoont waar het gaat om het gebruik van internet. Geadviseerd wordt om een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling.

Met de conclusies van genoemde rapportage kan de rechtbank zich verenigen. Verdachte heeft reeds getoond en ook ter zitting te kennen gegeven dat hij bereid is zich aan de geadviseerde voorwaarden te houden. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is verdachte momenteel reeds lange tijd onder (ambulante) behandeling bij De Waag.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf, een en ander zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank acht een werkstraf, mede gelet op de fysieke gesteldheid van verdachte, niet opportuun en zal de strafeis van de officier van justitie in zoverre niet volgen.

7.4.

Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK Computer

AAFE1012NL

434981

2 1.00 STK Harddisk

Externe AAFE1013NL

434991

3 1.00 STK USB-stick

AAFE1019NL

435011

4 1.00 STK USB-stick

AAFE1020NL

435013

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan en het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 240b van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 183 (honderddrieëntachtig) dagen.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich wanneer hij een schrijven daartoe ontvangt zal melden bij Reclassering Nederland, Stationsstraat 73, 1506 DE Zaandam en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht.

  • -

    gedurende de proeftijd zijn behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg zal voortzetten, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland toe te zien op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Onttrekt aan het verkeer:

1. STK Computer

[nummer]

434981

2 1.00 STK Harddisk

Externe [nummer]

434991

3 1.00 STK USB-stick

[nummer]

435011

4 1.00 STK USB-stick

[nummer]

435013

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. N. Boots en mr. C.A.J. van Yperen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. de Roo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2016.