Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10315

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 345
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij de opgelegde aanslagen waarin sprake is van omkering van de bewijslast heeft inspecteur onvoldoende concreet gemaakt dat sprake is van een redelijke schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2942
V-N 2017/7.24.13
FutD 2017-0017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 15/345 tot en met HAA 15/350 en HAA 15/352

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 november 2016 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigden: mr. B.J.G.L. Jaeger en mr. M.H.W.N. Lammers),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van
fl 10.000.000. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van fl 269.339.

(HAA 15/345)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1995 een aanslag vermogensbelasting (hierna: vb) opgelegd, berekend naar een vermogen van fl 10.000.000. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van fl 3.558.

(HAA 15/347)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1995 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van fl 10.000.000. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van fl 108.962.

(HAA 15/346)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1996 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van fl 9.990.706. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van fl 450.202.

(HAA 15/348)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1997 een aanslag vb opgelegd, berekend naar een vermogen van fl 30.000.000. Daarbij is tevens heffingsrente in rekening gebracht.

(HAA 15/350)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1997 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van fl 1.906.031. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van fl 90.823.

(HAA 15/349)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1998 een aanslag vb opgelegd, berekend naar een vermogen van fl 13.119.000. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van fl 5.611.

(HAA 15/352)

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor vermelde aanslagen en beschikkingen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen door verweerder van besluiten naar aanleiding van voormeld bezwaar.

De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak van 27 maart 2014.

Eiser heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij – in één geschrift vervatte – uitspraken van 21 oktober 2014 alsnog op eisers bezwaar beslist.

Bij uitspraak van 13 november 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam de uitspraak van de rechtbank vernietigd, de beroepen gegrond verklaard en de zaken naar de rechtbank teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing.

Eiser en verweerder hebben de volgende (nadere) stukken ingediend, welke stukken telkens in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij:

- brief met dagtekening 20 november 2014 (eiser);

- brief met dagtekening 24 november 2014 (eiser);

- brief met dagtekening 6 februari 2015 (eiser);

- brief met dagtekening 25 maart 2015 (eiser);

- brief met dagtekening 24 april 2015 (eiser);

- brief met dagtekening 8 september 2015 (verweerder);

- brief met dagtekening 11 september 2015 met bijlage (eiser).

Verweerder heeft op 15 september 2015 op de zaken betrekking hebbende stukken ingediend en op 24 september 2015 een verweerschrift. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015 te Haarlem. Namens eiser zijn diens gemachtigden verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H.W.G. Sweerts. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst.

Eiser heeft op 19 januari 2016, 9 maart 2016 en 22 maart 2016 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Verweerder heeft op 1 april 2016 kopieën van verminderingsbeschikkingen met dagtekening 4 maart 2016 en 18 maart 2016 overgelegd. Blijkens deze beschikkingen zijn de aanslagen en de beschikkingen als volgt verminderd:

  • -

    de aanslag ib/pvv 1994 is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl 7.492.452. De heffingsrente is verminderd tot fl 200.417;

  • -

    de aanslag vb 1995 is verminderd tot een aanslag berekend naar een vermogen van fl 1.517.348. De heffingsrente is verminderd tot fl 496;

  • -

    de aanslag ib/pvv 1995 is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl 7.491.383. De heffingsrente is verminderd tot fl 79.514;

  • -

    de aanslag ib/pvv 1996 is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl 7.708.706. De heffingsrente is verminderd tot fl 344.821;

  • -

    de aanslag vb 1997 is verminderd tot een aanslag berekend naar een vermogen van fl 4.543.585. De heffingsrente is verminderd tot fl 2.162;

  • -

    de aanslag ib/pvv 1997 is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl 1.525.910. De heffingsrente is verminderd tot fl 69.695;

  • -

    de aanslag vb 1998 is verminderd tot een aanslag berekend naar een vermogen van fl 4.520.406. De heffingsrente is verminderd tot fl 1.864.

Het onderzoek is hervat ter zitting van 14 april 2016 te Haarlem. Namens eiser zijn diens gemachtigden verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H.W.G. Sweerts, vergezeld van [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is mede-eigenaar van meerdere panden en bezit de helft van de aandelen in [A BEDRIJF] BV.

2. Vanaf 9 december 1996 verbleef eiser in voorlopige hechtenis op verdenking van handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie.

3. In eerste aanleg is eiser op 26 januari 1998 door rechtbank Amsterdam veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij van die organisatie bestuurder was’. Voorts achtte de rechtbank bewezen dat eiser in de periode 1 april 1994 tot en met 9 december 1996 in verdovende middelen handelde.

4. In hoger beroep is eiser door het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) bij arrest van 29 maart 1999 vrijgesproken van het (mede) leiding geven aan dan wel deelneming aan een organisatie die onder andere als oogmerk had de invoer en handel in verdovende middelen. Het hof heeft hem wel veroordeeld wegens het in de periode 1 april 1994 tot en met 9 december 1996 opzettelijk verkopen van handelshoeveelheden hashish te Amsterdam, in totaal 1.000 kilogram. Het hof heeft hiertoe onder meer als volgt overwogen:

De bewijslevering

Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde niet bewezen. Er zijn sterke aanwijzingen voorhanden dat verdachte en zijn medeverdachten met enigen van de in de tenlastelegging met name genoemde anderen deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat zich bezighield met zaken die het daglicht niet konden velen. Naar her oordeel van het hof is er geen andere verklaring voor het feit dat verdachte, zijn medeverdachten en de hiervoor bedoelde anderen het kennelijk noodzakelijk vonden om -onder meer- het afluisteren en begrijpen door derden van door hen (onderling) gevoerde telefoongesprekken te belemmeren door gebruik te maken van wisselende telefoonaansluitingen en verhullende taal. Er viel blijkbaar iets te verbergen. In dit verband verwijst het hof naar de door de rechtbank terzake gebezigde bewijsmiddelen.

Bij gebrek aan wettig bewijs kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte deel uitmaakte van een samenwerkingsverband dat het plegen van een of meer van de in de tenlastelegging onder 1 opgesomde misdrijven als oogmerk had. Voor enige is er geen enkel concreet bewijs. Voor andere is er wel iets, maar om de twijfel te overwinnen of dat aangevuld of in verband gebracht mag worden met andere voorhanden gegevens dient gebruik gemaakt te worden van op speculatie rustende redeneringen. Dat kan geen wettig bewijs opleveren.

Naar het oordeel van het hof is voorts niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2, 3 en 4 is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het eenparig oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 is tenlastegelegd, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 april 1994 tot en met 9 december 1996 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht handelshoeveelheden hashish.

Hetgeen onder 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.”

5. Het arrest van het hof is door de Hoge Raad op 24 oktober 2000 vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie. Na terugwijzing van de zaak heeft het hof eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar.

6. Inmiddels had de officier van justitie jegens eiser een procedure opgestart ter ontneming van het wederrechtelijk genoten voordeel. Bij vonnis van 22 januari 2001 heeft rechtbank Amsterdam het te ontnemen bedrag gesteld op fl. 844.300. In hoger beroep heeft het hof het te ontnemen bedrag gesteld op fl. 1.038.000. In het (verkorte) arrest van 15 maart 2005 heeft het hof hiertoe onder meer als volgt overwogen:

“2. Het wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.1 Bemiddelaar of handelen voor eigen rekening en risico.

Mr. [B] heeft betoogd dat veroordeelde geen wederechtelijk voordeel heeft verkregen.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de veroordeelde bij de verkoop van de partij hasj van 1000 kilogram in het najaar van 1995 slecht is opgetreden als bemiddelaar en niet voor eigen rekening en risico als verkoper heeft opgetreden. De commissie die hij voor zijn bemiddeling zou krijgen heeft hij nooit ontvangen. Het geld dat hij wel heeft ontvangen, heeft hij doorgestort, aldus de raadsman.

Ter beoordeling van de rol van de veroordeelde heeft het hof de door het gerechtshof in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen in aanmerking genomen en voorts de hieronder vermelde verklaringen, afgelegd ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep:

1. (…) heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2005 gehoord, aldaar -voorzover van belang en zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

“Ik zocht een persoon die een partij van 1000 kilo hasj kon leveren. Ik ben toen door (…) naar [eiser] verwezen. [Eiser] had een ‘kantoor’. Met [eiser] bedoel ik de veroordeelde [eiser]. Ik ben met [eiser] overeengekomen dat er voor de eerste 200 kilogram f1. 500.000,- vooruit zou worden betaald. Dit is ook gebeurd. Vervolgens zou voor 400 kilogram fl. 1.000.000,- betaald worden. De resterende 400 kilogram zou op krediet worden geleverd.

Iedereen handelde hierbij voor eigen rekening en risico, ook [eiser]. Omdat de verkoop van de resterende 400 kilogram niet lukte en de betalingen uitbleven, heeft [eiser] mij gebeld om te informeren naar zijn geld van de partij hasj die ik bij hem gekocht had. Vervolgens heb ik tegen (…) verteld dat het ‘kantoor’ geld wilde zien en dat er daarom geld over de brug diende te komen”.

Tevens heeft (…) bij de politie op 28 maart 1997, nr. [A NUMMER] , verklaard dat hij met [eiser] is overeengekomen dat er deels op krediet kon worden gekocht.

Voorts blijkt uit de verklaring van (…) van 31 maart, nr. [B NUMMER] dat met [eiser] overeengekomen was dat (…) 400 kilo à 2500 gulden op krediet zou krijgen als hij 400 kilo hasj voor [eiser] zou verkopen. (…) verklaart dat hij in september, oktober 1995 in verband met de levering van de 1000 kilogram hasj fl. 500.000,- aan [eiser] heeft betaald. In februari 1996 heeft (…) CAD 200.000,- en f1. 300.000,- van (…) ontvangen. Deze geldbedragen heeft (…) vervolgens aan [eiser] betaald. Hij voegt hier nog aan toe dat hij [eiser] telefonisch probeerde te ontwijken omdat hij hem geld schuldig was.

(…)

Kennelijk had veroordeelde de ruimte om afspraken met de koper omtrent de levering en de betaling van de 1000 kilogram hasj te maken.

Op grond hiervan acht het hof bewezen dat veroordeelde als koper voor eigen rekening en risico is opgetreden bij de verkoop van een partij hasj van 1000 kilogram in het najaar van 1995. Veroordeelde is daarbij met de koper overeengekomen dat een deel van de partij bij aflevering moest worden betaald en een deel van de partij op krediet werd gekocht. De koper heeft vervolgens van de overeengekomen verkoopprijs de bedragen van fl. 500.000,-, fl. 300.000,- en CAD 200.000 voldaan.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er aan [eiser] voor de verkoop van de hasj daadwerkelijk is betaald een bedrag van in totaal fl. 1.038.000,-, van welk bedrag ook mr. [B] in zijn betoog uitgaat, als zijnde door [eiser] ontvangen.

2 Nederlandse partij of hasj geïmporteerd uit Pakistan.

(..)

Het hof overweegt met betrekking tot de kosten als volgt.

Wat betreft de door de veroordeelde gemaakte kosten merkt het hof op dat door de veroordeelde op geen enkele wijze inzicht is gegeven in de kosten die hij stelt te hebben gemaakt. Ook heeft hij deze niet feitelijk onderbouwd. Ook overigens is door de verdediging niets gesteld of aannemelijk geworden dat er kosten zijn gemaakt die daadwerkelijk voor rekening van veroordeelde kwamen.

3 De inbaarheid en oneisbaarheid van de vordering.

(…)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voorzover er al sprake is van een opeisbare vordering van veroordeelde op (…) heeft de rechtbank terecht beslist dat deze vordering als oninbaar moet worden beschouwd. Het hof acht de vordering oninbaar nu (…) ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2005 heeft verklaard dat hij een sociale uitkering ontvangt en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verblijft.

Het hof acht het niet aannemelijk dat veroordeelde de rest van het hem als verkoper toekomende bedrag zal ontvangen. Het hof zal bedoelde vordering dan ook buiten beschouwing laten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en zal dan ook niet overgaan tot het begroten van de omvang van de vordering. Alle overige verweren die samenhangen met deze vordering kunnen dan ook onbesproken blijven.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van EUR 471 .023,86 (equivalent fl. 1.038.000,-) heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten ter zaken waarbij hij bij arrest van 21 december 2000 is veroordeeld.

Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt begroot:

Inkomsten

Ontvangen betalingen NLG 1.038.000,-”

7. Het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 27 juni 2006.

8. Bij uitspraak van 22 januari 2008 heeft gerechtshof Den Haag – na verwijzing – beslist in de belastingprocedure van een medeverdachte van eiser, tevens mede-eigenaar van de panden van eiser en medeaandeelhouder in [A BEDRIJF] BV. De procedure had betrekking op de aanslagen ib/pvv voor de jaren 1994 en 1995 en de aanslagen vb voor de jaren 1995 en 1996. Het cassatieberoep daartegen is door de Hoge Raad ongegrond verklaard bij arrest van 9 april 2010.

Geschil
9. Voor alle jaren is in geschil of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. Voorts zijn de correcties in geschil. Daarnaast houdt partijen verdeeld of verweerder voldaan heeft aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Tevens is de hoogte van de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn in geschil.

Beoordeling van het geschil

Gedingstukken

10. Eiser neemt het standpunt in dat verweerder zijn verplichtingen ingevolge artikel 8:42 van de Awb heeft geschonden doordat hij te selectief is (geweest) bij het opvragen van stukken uit de strafdossiers. Eiser beroept zich hierbij op jurisprudentie van de Hoge Raad.

11. De rechtbank volgt eiser niet in diens standpunt. Uit de jurisprudentie op dit punt is niet af te leiden dat een partij gehouden is op de voet van artikel 8:42 van de Awb stukken bij een derde op te vragen. Dat verweerder zich in deze procedure, naar eiser stelt, heeft gebaseerd op hem wel ter beschikking staande stukken uit de strafzaak maar daarmee voorbij gaat aan de daaraan door de strafkamer van het hof verbonden conclusies, doet hieraan niet af.

Aanslag ib/pvv 1994

12. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, nu eiser verzuimd heeft aangifte te doen, zodat het inkomen met omkering van de bewijslast en met behulp van een redelijke schatting moet worden vastgesteld. Eiser betwist dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan, stellende dat niet vaststaat dat hij op juiste wijze is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van de aangifte ib/pvv voor het jaar 1994.

13. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient de rechtbank het beroep, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Van het niet doen van de vereiste aangifte kan alleen sprake zijn indien verweerder eiser heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (vgl. HR 24 juni 2016, nr. 15/02345, ECLI:NL:HR:2016:1268). Het ligt op de weg van verweerder aannemelijk te maken dat de uitnodiging tot het doen van aangifte op het adres van eiser is ontvangen of aangeboden dan wel eiser anderszins heeft bereikt, waarbij verweerder in eerste instantie kan volstaan met verzending van de uitnodiging naar het juiste adres (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416).

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de uitnodiging tot het doen van aangifte eiser heeft bereikt en wel op grond van het volgende. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van de uitnodiging in de vorm van de omslag van een aangiftebiljet (bijlage 1.21 bij het verweerschrift). Daarop zijn onder meer vermeld de uitreikdatum (25 februari 1995), de datum waarvóór de aangifte bij de Belastingdienst binnen moet zijn (1 april 1995), het sofinummer en de naam en de juiste adresgegevens van eiser. Op het afschrift is door de indiener van het biljet een handtekening geplaatst, onder vermelding van de datum (29 april 1999). Aan het stuk is een afzonderlijk afgedrukte en ingevulde aangifte ib/pvv 1994 gehecht. Over dit stuk heeft verweerder desgevraagd ter zitting verklaard dat de indertijd uitgereikte omslag van het aangiftebiljet (met daarachter de ingevulde aangifte) uiteindelijk – tijdens de bezwaarfase – door of namens eiser is ingediend. De rechtbank heeft geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen, gelet op de handtekening op de omslag en de bij de omslag van het aangiftebiljet gevoegde stukken. Op de eerste bladzijde van de bijgevoegde stukken is vermeld dat de handtekening is geplaatst op “origineel aangiftebiljet”.

15. Gelet op het voorgaande is aannemelijk geworden dat eiser op juiste wijze is uitgenodigd tot het doen van aangifte. De enkele ontkenning van eiser is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Eiser heeft vervolgens niet tijdig aangifte gedaan. Dat eiser vanaf 9 december 1996 in voorarrest heeft gezeten, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat het verzuim eiser niet kan worden aangerekend, reeds omdat het voorarrest liep vanaf 9 december 1996, dus geruime tijd na afloop van de aangiftetermijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, als gevolg waarvan omkering en verzwaring van de bewijslast gegeven is. Voor zover eiser betoogt dat in dit verband (mede) van belang is of eiser met betrekking tot deze aangifte is herinnerd en is aangemaand, volgt de rechtbank eiser daarin niet.

16. Gelet op het voorgaande is het aan eiser om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de aanslag verder dient te worden verminderd dan is gebeurd bij verminderingsbeschikking. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting bij het vaststellen van de aanslag niet naar willekeur te handelen; er dient sprake te zijn van een redelijke schatting. Hierbij moet verweerder een zekere armslag worden gegeven om een redelijke schatting te maken van het belastbare inkomen van eiser.

17. In het kader van de redelijke schatting heeft verweerder al het volgende naar voren gebracht. Van april 1994 tot eind 1998 is naar onder meer eiser een strafrechtrechtelijk onderzoek ingesteld door het Kernteam Randstad Noord en Midden (hierna: KTR), een samenwerkingsverband van diverse politiekorpsen en diverse bijzondere opsporingsdiensten, waaronder de FIOD. Tegen eiser is indertijd een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld op verdenking van deelname aan een criminele organisatie alsmede overtreding van de Opiumwet. Het is zeer aannemelijk dat eiser zich gedurende de periode vanaf 1 januari 1994 tot aan zijn aanhouding op 9 december 1996 heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen dan wel andere illegale goederen of diensten, aldus nog steeds verweerder. Verweerder wijst in dit verband op diverse processen-verbaal van het KTR. Voorts wijst hij op een rapport van het KTR betreffende onder meer eiser en een tweetal vennootschappen onder firma, waarvan eiser firmant is en waarin coffeeshops worden geëxploiteerd. In het rapport wordt geconcludeerd dat in de jaren 1994 tot en met 1996 niet de volledige omzetten zijn aangegeven.

18. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht, tegenover de uitgebreide weerspreking door eiser, onvoldoende concreet en te vaag is om daaraan het oordeel te verbinden dat sprake is van een redelijke schatting. Verweerder heeft volstaan met verwijzing naar de strafprocedures en daarbij overgelegde stukken. De door verweerder overgelegde stukken (die ook in de strafprocedures een rol hebben gespeeld) zijn niet toereikend, mede gelet op het feit dat eiser in hoger beroep is vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie en uitsluitend (onherroepelijk) veroordeeld is wegens de opzettelijke verkoop van 1 april 1994 tot en met 9 december 1996 van handelshoeveelheden hasj, in totaal 1.000 kilogram. Vervolgens is in de ontnemingsprocedure door het hof enkel bewezen geacht dat veroordeelde als verkoper voor eigen rekening en risico is opgetreden bij de verkoop van een partij hasj van 1.000 kilogram in het najaar van 1995. Voor het vermoeden dat eiser ook in 1994 voordeel heeft behaald met illegale activiteiten, heeft verweerder onvoldoende aangedragen. Dat – naar verweerder heeft gesteld – het een feit van algemene bekendheid is dat met de grootschalige handel in verdovende middelen grote bedragen zijn gemoeid en derhalve grote winsten zijn te behalen, is onvoldoende om daaraan de conclusie te koppelen dat eiser in 1994 verkopen of andere activiteiten heeft verricht waarmee hij voordeel heeft behaald. Verweerder heeft nog verwezen naar de volgende overweging uit het arrest van het hof in de strafzaak (zie ook onderdeel 4 van deze uitspraak):

“Er zijn sterke aanwijzingen voorhanden dat verdachte en zijn medeverdachten met enigen van de in de tenlastelegging met name genoemde anderen deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat zich bezighield met zaken die het daglicht niet konden velen.”

Deze overweging van het hof doet aan de voorgaande conclusie van de rechtbank niet af, reeds omdat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt wat die sterke aanwijzingen dan zouden zijn. Ook de verwijzing naar de – in onderdeel 8 van deze uitspraak genoemde – uitspraak van gerechtshof Den Haag kan verweerder onvoldoende baten. De rechtbank stelt in deze procedure de feiten zelfstandig vast aan de hand van de stellingen van eiser en verweerder in deze procedure en op basis van de gedingstukken. Voor zover verweerder betoogt dat de rechtbank gehouden is zich te conformeren aan de vaststellingen en oordelen in een andere belastingzaak ten aanzien van een andere belastingplichtige, gaat hij dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting.

19. Gezien al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schatting van verweerder voor de heffing van ib/pvv voor het jaar 1994 niet redelijk is. Omdat er geen aanknopingspunten zijn voor een hogere aanslag, zal de rechtbank de aanslag verminderen overeenkomstig de door eiser tijdens de bezwaarfase aangeleverde inkomensgegevens (belastbaar inkomen aangegeven van fl 83.519).

Aanslag vb 1995

20. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, nu eiser verzuimd heeft aangifte te doen, zodat het vermogen met omkering van de bewijslast en met behulp van een redelijke schatting moet worden vastgesteld. Eiser betwist dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan, stellende dat niet vaststaat dat hij op juiste wijze is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van de aangifte vb voor het jaar 1995.

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de uitnodiging tot het doen van aangifte eiser heeft bereikt en wel op grond van het volgende. Verweerder heeft in antwoord op vragen van de rechtbank ter zitting naar voren gebracht dat eiser middels uitreiking van het aangiftebiljet ib/pvv voor het jaar 1994 is uitgenodigd tevens aangifte vb voor het jaar 1995 te doen. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de handgeschreven opmerking bovenaan het biljet “Gelieve dit te behandelen als een U-biljet”. De rechtbank acht een dergelijke handgeschreven opmerking op het aangiftebiljet ib/pvv ontoereikend bewijs van de stelling dat eiser door verweerder op juiste wijze is uitgenodigd. Dat in het kader van de vaststelling van de aanslag op het als bijlage 1.2 bij het verweerschrift gevoegde stuk zowel “IB” als “VB” is aangekruist, heeft evenmin als (voldoende) bewijs te gelden. Nu verweerder geen (ander) bewijs heeft aangedragen, kan niet worden geoordeeld dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan.

22. Het voorgaande brengt mee dat omkering (en verzwaring) van de bewijslast niet aan de orde is en het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de aanslag (na vermindering) terecht is berekend naar een vermogen per 1 januari 1995 van fl 1.517.348. Verweerder heeft in dit kader naar voren gebracht dat eiser in de onderhavige en ook voorgaande kalenderjaren inkomsten heeft genoten uit zijn verborgen gehouden (illegale) activiteiten die zullen hebben geleid tot de vorming van (te belasten) vermogen. Volgens verweerder heeft eiser getracht dit vermogen buiten het zicht te houden van de Belastingdienst door (een deel van) het geld te investeren in vermoedelijk voor de Belastingdienst niet of nauwelijks te traceren vermogensbestanddelen. Eiser heeft de stellingen van verweerder weersproken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn stellingen, bij gebreke van enig concreet bewijs, niet aannemelijk heeft gemaakt. Voor zover verweerder onder verwijzing naar de belastingprocedure van de mede-eigenaar van meerdere panden (zie onderdeel 8 van deze uitspraak) stelt dat deze – evenals het 50%-aandelenbelang in [A BEDRIJF] BV – meer waard zijn dan door eiser is bepleit, kan hij daarin niet worden gevolgd. Zoals hiervoor reeds overwogen, dient de rechtbank zelfstandig de feiten vast te stellen. Het ligt op de weg van verweerder om van zijn stellingen – gezien de betwisting daarvan door eiser – bewijs te leveren, hetgeen hij heeft nagelaten.

23. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslag vb 1995 te hoog is vastgesteld en dat deze dient te worden verminderd overeenkomstig de door eiser tijdens de bezwaarfase aangeleverde vermogensgegevens (vermogen aangegeven van fl 689.939).

Aanslag ib/pvv 1995

24. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, nu eiser verzuimd heeft aangifte te doen, zodat het inkomen met omkering van de bewijslast en met behulp van een redelijke schatting moet worden vastgesteld. Eiser betwist dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan, stellende dat niet vaststaat dat hij op juiste wijze is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van de aangifte ib/pvv voor het jaar 1995.

25. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de uitnodiging tot het doen van aangifte eiser heeft bereikt en wel op grond van het volgende. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van de uitnodiging in de vorm van de omslag van een aangiftebiljet (bijlage 3.12 bij het verweerschrift). Daarop zijn onder meer vermeld de uitreikdatum (26 februari 1996), de datum waarvóór de aangifte bij de Belastingdienst binnen moet zijn (1 april 1996), het sofinummer en de naam en de juiste adresgegevens van eiser. Op het afschrift is door de indiener van het biljet een handtekening geplaatst, onder vermelding van de datum (29 april 1999). Aan het stuk is een afzonderlijk afgedrukte en ingevulde aangifte ib/pvv 1995 gehecht. Over dit stuk heeft verweerder desgevraagd ter zitting verklaard dat de indertijd uitgereikte omslag van het aangiftebiljet (met daarachter de ingevulde aangifte) uiteindelijk – tijdens de bezwaarfase – door of namens eiser is ingediend. De rechtbank heeft geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen, gelet op de handtekening op de omslag en de bij de omslag van het aangiftebiljet gevoegde stukken. Op de eerste bladzijde van de bijgevoegde stukken is vermeld dat de handtekening is geplaatst op “origineel aangiftebiljet”.

26. Gelet op het voorgaande is aannemelijk geworden dat eiser is uitgenodigd tot het doen van aangifte. De enkele ontkenning van eiser is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Eiser heeft vervolgens niet tijdig aangifte gedaan. Dat eiser vanaf 9 december 1996 in voorarrest heeft gezeten, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat het verzuim eiser niet kan worden aangerekend, reeds omdat het voorarrest liep vanaf 9 december 1996, dus geruime tijd na afloop van de aangiftetermijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, als gevolg waarvan omkering en verzwaring van de bewijslast gegeven is. Voor zover eiser betoogt dat in dit verband (mede) van belang is of eiser met betrekking tot deze aangifte is herinnerd en is aangemaand, volgt de rechtbank eiser daarin niet.

27. Gelet op het voorgaande is het aan eiser om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de aanslag verder dient te worden verminderd dan is gebeurd bij verminderingsbeschikking. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting bij het vaststellen van de aanslag niet naar willekeur te handelen; er dient sprake te zijn van een redelijke schatting. Hierbij moet verweerder een zekere armslag worden gegeven om een redelijke schatting te maken van het belastbare inkomen van eiser.

28. Eiser heeft niet overtuigend aangetoond dat de aanslag verder dient te worden verminderd. Al hetgeen hij naar voren heeft gebracht, is feitelijk een reactie op de stellingen en standpunten van verweerder, maar maakt niet dat op basis daarvan onomstotelijk is komen vast te staan dat verweerder uitgaat van een te hoog belastbaar inkomen.

29. Verweerder heeft in het kader van de redelijke schatting onder meer dezelfde stellingen naar voren gebracht als ten aanzien van de aanslag ib/pvv 1994 (zie onderdeel 17 van deze uitspraak). De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel op dit punt (zie onderdeel 18 van deze uitspraak).

30. Verweerder heeft voorts gewezen op het voordeel dat eiser heeft behaald met de transactie in het najaar van 1995. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het door eiser ontvangen bedrag van fl 500.000, waarvan in de ontnemingsprocedure is uitgegaan, in aanmerking neemt. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd en het onder 29 overwogene, geen aanleiding van een hoger bedrag uit te gaan, zoals verweerder heeft betoogd.

31. Eiser heeft in dit verband – onder verwijzing naar het per 1 juli 2015 vervallen besluit Samenloop belastingheffing en strafrechtelijke ontneming van de Staatssecretaris van Financiën (DGB2001/602M) – nog betoogd dat de inkomsten niet in de belastingheffing kunnen worden betrokken, nu met de ontneming rekening moet worden gehouden. De rechtbank volgt eiser hierin niet, nu – naar tussen partijen niet in geschil is – met de ontneming reeds rekening is gehouden bij de inkomstenbelastingheffing over 2007.

32. Voor het geval de ontneming niet fiscaal in 1995 in aanmerking kan worden genomen, heeft eiser betoogd dat hij op grond van goed koopmansgebruik een voorziening kan opnemen voor de betaling van de ontneming in de jaren 1995 en volgende. De rechtbank verwerpt dit argument. Eiser heeft primair betoogd dat de transactie in het najaar van 1995 een eenmalige gebeurtenis was. De rechtbank ziet geen aanleiding eiser hierin niet te volgen. Daarvan uitgaande zijn de met de transactie verkregen inkomsten belastbaar op de voet van artikel 22, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het vormen van een voorziening is dan niet mogelijk.

33. De rechtbank ziet wel aanleiding op het bedrag van fl 500.000 een bedrag van fl 193.700 in mindering te brengen. Eiser heeft in deze procedure van meet af aan onder verwijzing naar de ontnemingsprocedure gesteld dat hij in het kader van de transactie in 1995 kosten heeft gemaakt. Verweerder heeft hier tot op de zitting nimmer iets tegenin gebracht. Gelet hierop en op het vonnis van de rechtbank in de ontnemingszaak acht de rechtbank het redelijk met het door eiser als kosten gekwalificeerde bedrag rekening te houden.

34. Gelet op het voorgaande zal de aanslag worden verminderd en zal voor de vaststelling van het belastbaar inkomen worden uitgegaan van de door eiser tijdens de bezwaarfase aangeleverde inkomensgegevens (belastbaar inkomen aangegeven van fl 219.434), te vermeerderen met (fl 500.000 minus fl 193.700 is) fl 306.300.

Aanslag ib/pvv 1996

35. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, nu eiser niet het volledige inkomen heeft aangegeven met als gevolg dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser betwist dit standpunt.

36. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in 1996 relatief omvangrijke inkomsten heeft genoten die niet zijn aangegeven. Eiser heeft in februari 1996 immers nog een deelbetaling van fl 538.000 ontvangen voor de transactie in het daaraan voorafgaande jaar, welk bedrag hij – indachtig het hiervoor geldende kasstelsel – had dienen te vermelden in de aangifte. Er is geen aanleiding om een lager bedrag in aanmerking te nemen, nu – anders dan eiser heeft bepleit – het in 1996 niet mogelijk was een voorziening te vormen. Voorts is er geen aanleiding om het bedrag wegens vermeende samenloop met de ontnemingsprocedure buiten aanmerking te laten. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij hiervoor ten aanzien van de aanslag ib/pvv 1995 heeft overwogen (onderdelen 31 en 32 van deze uitspraak). Door de ontvangen deelbetaling niet in de aangifte te vermelden is naar het oordeel van de rechtbank zowel absoluut als relatief sprake van een aanzienlijk te lage aangifte.

37. Gelet op het voorgaande is het aan eiser om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de aanslag verder dient te worden verminderd dan is gebeurd bij verminderingsbeschikking. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Al hetgeen hij naar voren heeft gebracht, is feitelijk een reactie op de stellingen en standpunten van verweerder, maar maakt niet dat op basis daarvan onomstotelijk is komen vast te staan dat verweerder uitgaat van een te hoog belastbaar inkomen.

38. Verweerder heeft in het kader van de redelijke schatting dezelfde stellingen naar voren gebracht als ten aanzien van de hiervoor besproken aanslagen (zie onder andere onderdeel 17 van deze uitspraak). De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel op dit punt, zodat de oordelen (zie onder andere onderdeel 18 van deze uitspraak) in zoverre gelijkluidend zijn.

39. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aanslag ib/pvv 1996 verminderen. Voor de vaststelling van het belastbaar inkomen zal de rechtbank tot uitgangspunt nemen de door eiser tijdens de bezwaarfase aangeleverde inkomensgegevens (belastbaar inkomen aangegeven van fl 148.232), alsmede het niet-aangegeven bedrag van fl 538.000.

Aanslag vb 1997

40. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, nu eiser niet het volledige vermogen heeft aangegeven met als gevolg dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser betwist dit standpunt.

41. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser per 1 januari 1997 relatief omvangrijke vermogensbestanddelen heeft gehad die niet zijn aangegeven. Er zijn geen aanwijzingen voorhanden dat de door eiser in respectievelijk 1995 en 1996 gerealiseerde voordelen van (netto) fl 306.300 en fl 538.000 door hem in zijn aangiftes waaronder de aangifte vb voor het jaar 1997 zijn opgenomen als vermogensbestanddeel. Er is geen reden om aan te nemen dat deze bedragen het vermogen van eiser tussentijds hebben verlaten. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank zowel absoluut als relatief sprake van een aanzienlijk te lage aangifte.

42. Gelet op het voorgaande is het aan eiser om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de aanslag verder dient te worden verminderd dan is gebeurd bij verminderingsbeschikking. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Al hetgeen hij naar voren heeft gebracht, is feitelijk een reactie op de stellingen en standpunten van verweerder, maar maakt niet dat op basis daarvan onomstotelijk is komen vast te staan dat verweerder uitgaat van een te hoog vermogen.

43. Verweerder heeft in het kader van de redelijke schatting dezelfde stellingen naar voren gebracht als ten aanzien van de hiervoor besproken aanslagen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel op dit punt, zodat de oordelen in zoverre gelijkluidend zijn. Voor zover verweerder betoogt dat eiser in verband met de transactie in het najaar 1995 recht had op meer deelbetalingen en hij nog een vordering had op een derde en daarmee bij de vaststelling van het vermogen rekening moet worden gehouden, gaat de rechtbank daarin niet mee. In de ontnemingsprocedure heeft zowel de rechtbank als het hof een dergelijke, eventuele vordering als oninbaar beschouwd, gelet op de situatie van die derde. De rechtbank acht het niet redelijk om die vordering dan als vermogensbestanddeel in aanmerking te nemen. Dat verweerder de vordering niet als oninbaar beschouwt, omdat “men in het criminele milieu vorderingen niet snel pleegt prijs te geven”, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende.

44. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aanslag vb 1997 verminderen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van de door eiser tijdens de bezwaarfase aangeleverde vermogensgegevens (vermogen aangegeven van fl 441.917), te vermeerderen met fl 844.300 (zie onderdeel 41 van deze uitspraak).

Aanslag ib/pvv 1997

45. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, nu eiser niet het volledige inkomen heeft aangegeven met als gevolg dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser betwist dit standpunt.

46. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in 1997 relatief omvangrijke inkomsten heeft gehad die niet zijn aangegeven. Uitgaande van het feit dat eiser de door hem in respectievelijk 1995 en 1996 gerealiseerde voordelen van (netto) fl 306.300 en fl 538.000 nimmer heeft aangegeven in zijn aangiftes, zal eiser ook het daarmee behaalde rendement nimmer hebben verantwoord. Dit rendement stellende op 5% leidt dit tot de conclusie dat eiser een bedrag van in ieder geval fl 42.215 niet heeft verantwoord. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank zowel absoluut als relatief sprake van een aanzienlijk te lage aangifte.

47. Gelet op het voorgaande is het aan eiser om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de aanslag verder dient te worden verminderd dan is gebeurd bij verminderingsbeschikking. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Al hetgeen hij naar voren heeft gebracht, is feitelijk een reactie op de stellingen en standpunten van verweerder, maar maakt niet dat op basis daarvan onomstotelijk is komen vast te staan dat verweerder uitgaat van een te hoog belastbaar inkomen.

48. Verweerder heeft in het kader van de redelijke schatting dezelfde stellingen naar voren gebracht als ten aanzien van de hiervoor besproken aanslagen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel op dit punt, zodat de oordelen in zoverre gelijkluidend zijn.

49. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aanslag ib/pvv 1997 verminderen. De rechtbank zal daarbij tot uitgangspunt nemen de door eiser tijdens de bezwaarfase aangeleverde inkomensgegevens (belastbaar inkomen aangegeven van fl 340.030), alsmede het niet-aangegeven hiervoor in onderdeel 46 van deze uitspraak becijferde rendement van
fl 42.215.

Aanslag vb 1998

50. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, nu eiser niet het volledige vermogen heeft aangegeven met als gevolg dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser betwist dit standpunt.

51. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser per 1 januari 1998 relatief omvangrijke vermogensbestanddelen heeft gehad die niet zijn aangegeven. Er zijn geen aanwijzingen voorhanden dat de door eiser in respectievelijk 1995 en 1996 gerealiseerde voordelen van (netto) fl 306.300 en fl 538.000 door hem in zijn aangiftes waaronder de aangifte vb voor het jaar 1998 zijn opgenomen als vermogensbestanddeel. Er is geen reden om aan te nemen dat deze bedragen het vermogen van eiser tussentijds hebben verlaten. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank zowel absoluut als relatief sprake van een aanzienlijk te lage aangifte.

52. Gelet op het voorgaande is het aan eiser om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de aanslag verder dient te worden verminderd dan is gebeurd bij verminderingsbeschikking. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Al hetgeen hij naar voren heeft gebracht, is feitelijk een reactie op de stellingen en standpunten van verweerder, maar maakt niet dat op basis daarvan onomstotelijk is komen vast te staan dat verweerder uitgaat van een te hoog vermogen.

53. Verweerder heeft in het kader van de redelijke schatting dezelfde stellingen naar voren gebracht als ten aanzien van alle hiervoor besproken aanslagen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel op dit punt, zodat de oordelen in zoverre gelijkluidend zijn.

54. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aanslag vb 1998 verminderen. Daarbij zal de rechtbank uitgaan van de door eiser tijdens de bezwaarfase aangeleverde vermogensgegevens (vermogen aangegeven van fl 533.947), te vermeerderen met fl 886.515 (fl 844.300 plus het hierover in aanmerking te nemen rendement van 5% over 1997 (zie onderdeel 46 van deze uitspraak)).

Slotsom

55. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen gegrond dienen te worden verklaard.

Proceskosten

56. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Eiser heeft verzocht om een integrale kostenvergoeding. Volgens eiser rechtvaardigt de handelwijze van verweerder een dergelijke vergoeding. Van verregaand onzorgvuldig handelen of handelen tegen beter weten door verweerder is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Aangezien niet van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is gebleken, ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers verzoek te honoreren. De rechtbank zal dan ook een vergoeding vaststellen op basis van de forfaitaire vergoedingsregeling van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt de kosten voor alle zaken tezamen vast op € 1.488 (0,5 punt voor nadere stukken, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 496, een wegingsfactor van 1 wegens het gewicht van de zaken en een wegingsfactor voor de samenhang van 1,5 wegens het aantal zaken). Voor de eerdere proceshandelingen is aan eiser reeds een proceskostenvergoeding toegekend in de voorafgaande hofprocedure.

Immateriële schadevergoeding

57. Eiser heeft verzocht om immateriële schadevergoeding. Volgens eiser is, gelet op de datum van indiening van het eerste bezwaarschrift, sprake van overschrijding van de redelijke beslistermijn van – inmiddels – 17 jaar. Verweerder gaat uit van overschrijding vanaf 2013.

58. De rechtbank overweegt als volgt. Het eerst ingediende bezwaarschrift betreffende de aanslag ib/pvv 1994 is ingekomen op 23 december 1997. Daarin heeft de (toenmalige) gemachtigde van eiser verzocht om een nadere termijn voor motivering van het bezwaar. In de daarop volgende correspondentie betreffende dit bezwaarschrift én de nadien ingediende bezwaarschriften heeft de gemachtigde steeds verzocht om de bezwaarprocedures aan te houden in afwachting van de uitkomst in de strafrechtelijke procedure jegens eiser. Later heeft eisers gemachtigde voorgesteld om de bezwaarprocedures aan te houden in afwachting van de uitkomst van de ontnemingsprocedure (zie bijvoorbeeld de brieven van 14 december 2000 en 7 januari 2002). Bij arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2006 is de ontnemingsprocedure tot een eind gekomen. Daarop hebben besprekingen plaatsgevonden tussen de gemachtigde van eiser en verweerder. Uit de hierover gewisselde stukken leidt de rechtbank af dat partijen doende waren compromisbesprekingen over onder andere onderhavige jaren te voeren, gelijktijdig met de gemachtigde van de medeverdachte in de strafprocedure, tevens mede-eigenaar en medevennoot. Vervolgens zijn de belastingprocedures van die medeverdachte afgewacht. Dit heeft de huidige gemachtigde ook betoogd in hoger beroep in deze procedure (zie de brief van 27 april 2014 en de hofuitspraak):

“In deze lopende geschillen zijn uitkomsten van vergelijkbare procedures van (…) afgewacht. Vanzelfsprekend is tussentijds wel gecorrespondeerd. Hof Den Haag heeft op 22 januari 2008 in een aantal procedures van (…) (na verwijzing) uitspraak gedaan over de geschillen met betrekking tot de kalenderjaren 1994 en 1995. Nadien is een civiele procedure (…) geëntameerd en zijn de latere jaren, overigens veelal eveneens zonder dat uitspraak op bezwaar is gedaan, aan uw rechtbank voorgelegd. Bij de mondelinge behandeling van die (gevoegde) aangelegenheid is, nadat de rechtbank partijen in kennis had gesteld van voorzichtig geformuleerde voorlopige standpunten, door de behandelend voorzitter gevraagd of er niet nog ruimte was voor een compromis, indachtig die voorlopige standpunten. Dat heeft tot nieuwe compromisbesprekingen aanleiding gegeven.

Eind december 2012 is vervolgens alsnog een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen (…) en de belastingdienst over alle geschillen. Het leek partijen onwenselijk, mede vanwege een aantal van belang zijnde verschillen en omdat het al moeilijk genoeg was met één feitencomplex, om tegelijkertijd ook overleg te voeren over de hier aan de orde zijnde aanslagen. [Eiser] is wel steeds over de voortgang op de hoogte gebracht. Direct na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst met (…), heeft [eiser] (nogmaals) aangegeven (ook) in gesprek te willen komen over het al zeer lang slepende geschil. Nadat [de gemachtigde] een eerste aanzet heeft gedaan richting de inspecteur en de verschillen in kaart heeft gebracht, is er een aantal malen gesproken over het op minnelijke wijze oplossen van alle geschillen. Op 13 december 2013 bleken de verschillen van inzicht niet te overbruggen.”

59. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat niet de volledige periode vanaf indiening van het bezwaarschrift (23 december 1997) tot heden in aanmerking dient te worden aangenomen. De rechtbank ziet in de brief van eiser van 25 november 2011, meer in het bijzonder het daarin vervatte verzoek aan verweerder om uitspraken op bezwaar te doen, aanleiding de periode tot 25 november 2011 buiten beschouwing te laten. Vanaf 25 november 2011 tot deze uitspraak is een periode van bijna vijf jaar (60 maanden) verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met afgerond drie jaar (36 maanden). Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 3.000. De rechtbank neemt hierbij alle zaken tezamen in aanmerking. De rechtbank rekent aan de beroepsfase toe de periode vanaf de datum van de hofuitspraak (13 november 2014) tot aan de datum van deze uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding deze periode niet te laten aanvangen per de dagtekening van de uitspraken op bezwaar, nu verweerder in deze zaken, ondanks een daartoe strekkende ingebrekestelling, niet tijdig op de bezwaren heeft beslist. Aan de beroepsfase dient derhalve een tijdsverloop van afgerond 24 maanden te worden toegerekend. Aan de bezwaarfase dient het tijdsverloop van afgerond 36 maanden te worden toegerekend. Van de overschrijding van de redelijke termijn moet een periode van (36 minus 6 is) 30 maanden worden toegerekend aan verweerder en een periode van (24 maanden minus 18 is) 6 maanden aan de Staat. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding 30/36e deel van € 3.000 te betalen, namelijk € 2.500, en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) 6/36e deel, is € 500.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag ib/pvv 1994 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van fl 83.519 (€ 37.890) en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de aanslag vb 1995 tot een berekend naar een vermogen van fl 689.939 (€ 313.080) en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de aanslag ib/pvv 1995 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl 525.734 (€ 238.68) en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de aanslag ib/pvv 1996 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl 686.232 (€ 311.398) en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de aanslag vb 1997 tot een berekend naar een vermogen van fl 1.286.217 (€ 583.660) en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de aanslag ib/pvv 1997 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl 382.245 (€ 173.455) en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de aanslag vb 1998 tot een berekend naar een vermogen van fl 1.420.462 (€ 644.578) en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.488;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.500;

- veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, en mr. H. de Jong en
mr. J. Gooijer, leden, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.