Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10296

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
C/15/246645 / FA RK 16-4533
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het verzoek van de man om de Raad te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten van de bodemprocedures en de appelprocedure afgewezen. De rechtbank ziet ook anderszins geen redenen om af te wijken van de gebruikelijke gang van zaken waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

De rechtbank is van oordeel dat de man dan wel zijn advocaat kon weten dan wel verwachten dat het gerechtshof in de beroepsprocedure geen uitspraak zou kunnen doen voor de datum waarop de beide bodemprocedures bij de rechtbank behandeld zouden worden, terwijl ook niet gebleken is dat er daadwerkelijk een dringende noodzaak bestond al vóór de datum van waarop de bodemprocedures behandeld zouden worden beroep in te stellen bij het gerechtshof Amsterdam tegen de beschikking waarbij van de provisionele vordering door de rechtbank was afgewezen.

De advocaat was op dat moment reeds op de hoogte van de inhoud van het rapport en advies van de Raad, alsmede van de datum van de zitting bij de rechtbank in de afstammingszaak en van het streven van de rechtbank beide verzoeken op die dag te behandelen.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat de Raad niet kan worden verweten dat de man extra proceskosten heeft moeten maken voor het instellen van de beroepsprocedure, zoals griffierecht en eigen bijdrage. Het instellen van beroep is een bewuste keuze van de man dan wel zijn advocaat. Ditzelfde geldt voor het standpunt van de man dat zijn advocaat (weliswaar op pro deo basis) meer uren aan de zaak heeft moeten besteden.

Ook kan de Raad niet worden veroordeeld in de kosten van de gezagsprocedure, nu niet de Raad dit verzoek heeft ingediend, maar de Raad op verzoek van de rechtbank slechts een advies heeft uitgebracht over de vraag op welke wijze moet worden voorzien in het opengevallen gezag over de kinderen, waarna de rechtbank heeft beslist. Dat dit rapport onder een nieuw zaaknummer wordt ingeschreven doet daaraan niet af evenals de stelling van de advocaat van de man dat de bijzondere curator het verzoek van de man hem met de voorlopige voogdij te belasten had overgenomen. De bijzondere curator is op grond van artikel 1:212 BW immers slechts benoemd om in de afstammingskwestie te toetsen of het belang van de kinderen gediend is met het verlenen van de vervangende toestemming tot erkenning.

De Raad kan evenmin worden veroordeeld in de door de man gestelde kosten in de afstammingsprocedure, nu de man deze procedure zelf heeft ingesteld en deze procedure noodzakelijk is om juridisch vader van zijn kinderen te worden. Ook anderszins zijn er geen redenen om af te wijken van de gebruikelijke gang van zaken waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

kostenveroordeling

zaak-/rekestnr.: C/15/246645 / FA RK 16-4533

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 14 december 2016

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L.A. Mulders, kantoorhoudende te Purmerend,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

hierna te noemen: de Raad.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man ingekomen ter zitting van 28 juli 2016;

- het verweerschrift van de Raad ingekomen op 2 augustus 2016;

- de brief / schriftelijke reactie op het verweer van de Raad van de advocaat van de vader, ingekomen op 24 augustus 2016;

- de brief, / schriftelijke reactie van de Raad van 7 september 2016.

1.2

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 juli 2016 in aanwezigheid van de man bijgestaan door mr. L.A. Mulders en de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw [naam] .

Ter zitting was tevens aanwezig [bijzonder curator] , bijzondere curator van na te melden minderjarige kinderen.

Na de zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld nader schriftelijk te reageren.

Het verzoek is tegelijkertijd behandeld met:

- het verzoek van de man met zaaknummer C/15/244896 / FA RK 16 /3761 (hierna: de afstammingsprocedure) tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarigen [minderjarige] en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (in deze procedure aangeduid als de tweeling)

en

het verzoek van de Raad met zaaknummer C/15/246305 / FA RK 16-4379 (hierna: de voogdijprocedure) om de man te benoemen tot voogd over de tweeling.

2 Feiten en omstandigheden

Bij de rechtbank zijn de volgende procedures aanhangig (geweest) waarbij de man verzoeker dan wel belanghebbende is:

C/15/244896 / FA RK /16 3761: verzoek van de man tot

  • -

    het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de tweeling;

  • -

    hem te belasten met het ouderlijk gezag over de tweeling;

C/15/245080 /FA RK /16 /3837: provisionele vordering ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van de man hem te benoemen tot voorlopig voogd over de tweeling;

C/15/246305 / FA RK /16/4379: verzoek van de Raad tot benoeming van de man tot voogd over de tweeling.

3 Verzoek

3.1

De man heeft op grond van artikel 282 Rv ter zitting van 28 juli 2016 een zelfstandig verzoek ingediend. De man voldoet aan de in het vierde lid gestelde voorwaarde, nu dit verzoek betrekking heeft op het verzoek van de Raad van 13 juli 2016 met zaaknummer C/15/246305 / FA RK 16/4379.

De man stelt dat hij op grond van artikel 283 Rv bevoegd is het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen.

3.2

De man verzoekt de rechtbank in zowel de voogdijprocedure als in de afstammingsprocedure:

Primair: de Raad te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten

De man stelt dat in totaal 18 uren gemoeid zijn geweest met de procedures in eerste aanleg en hoger beroep en heeft als bewijs daarvan urenspecificaties over gelegd. Rekening houdende met een uurtarief van € 185,--, te vermeerderen met 21% BTW en 6% kantoorkosten (het normale uurtarief), zou dit uitkomen op een bedrag van € 4.271,06.

Daarenboven zullen door de man onnodig griffierechten moeten worden voldaan van € 314,-- in hoger beroep. Dat maakt samen een bedrag van € 4.110,50.

De advocaat van de man heeft ter zitting meegedeeld dat bij de berekening van de kosten sprake is geweest van een kennelijke telfout.

Subsidiair: de Raad te veroordelen in de proceskosten, rekening houdende met het liquidatietarief (tarief II) van de drie gevoerde procedures.

Meer subsidiair: de Raad te veroordelen in de proceskosten ter hoogte van € 1.175,--, omdat de man in totaal drie keer een eigen bijdrage heeft moeten voldoen van € 287,-- (eerste aanleg, hoger beroep en nu dit verzoek van de Raad). Daarnaast dient hij onnodig een griffierecht in hoger beroep te voldoen van € 314,--. waardoor de man tenminste een schade heeft geleden van € 1.175.

3.3

De man grondt zijn verzoek op de stelling dat de Raad de rechtbank negatief heeft geadviseerd in zijn op 22 juni 2016, bij de afstammingsprocedure, ingediende provisionele vordering ex artikel 223 Rv (hierna: provisionele vordering) om voor de duur van deze afstammingsprocedure een voorlopige voorziening te treffen en hem tot tijdelijk voogd te benoemen over de tweeling, zodat hij de nodige voorzieningen voor hen kon nemen. De rechtbank heeft dit advies overgenomen en heeft zijn verzoek bij beschikking van 13 juli 3016 afgewezen.

De man voert aan dat de Raad bij deze negatieve advisering had kunnen en moeten voorzien dat de bodemprocedure (de afstammingsprocedure), zelfs met een uitspraak bij vervroeging, tenminste nog drie maanden in beslag zou gaan nemen omdat de erkenning pas na afloop van deze termijn kan worden gerealiseerd.

Volgens de wetgever is een gezagsvacuüm onwenselijk en dienen er zo spoedig mogelijk maatregelen te worden genomen om het gezag over een kind te regelen. De man heeft door het negatieve advies van de Raad en de vertraging die daardoor is ontstaan veel stress doorgemaakt in een voor hem toch al zeer emotionele situatie. Daarnaast heeft de man veel hinder ondervonden bij zaken die voor de tweeling geregeld moesten worden én is hij financiële tegemoetkomingen misgelopen (kindgebonden budget en kinderbijslag).

Door het handelen van de Raad zijn door zijn advocaat meer uren –weliswaar op pro deo basis – aan de zaak besteed en heeft de man twee keer een aanvullende eigen bijdrage moeten voldoen (voor het hoger beroep van de provisionele vordering en de nieuwe procedure van de Raad) én is hij het hogere griffierecht bij het hof Amsterdam verschuldigd.

Door de opstelling van de Raad zijn de betrokken (financiële) belangen van de man geschaad. Omdat de Raad hier onvoldoende oog voor heeft gehad, heeft de Raad door de gedane advisering onrechtmatig jegens de man gehandeld en dient de Raad de werkelijke gemaakte proceskosten aan de zijde van de man te vergoeden.

4 Verweer

4.1

De Raad heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire verzoek af te wijzen. De Raad stelt dat hij zorgvuldig en niet onrechtmatig heeft gehandeld in het kader van de provisionele vordering ex artikel 223 Rv.

De Raad heeft op 23 juni 2016 van de rechtbank het verzoekschrift van de man ontvangen met het verzoek om uiterlijk op 23 juli 2016 te adviseren over het opengevallen gezag.

De Raad is op 27 juni 2016 door de kinderrechter, telefonisch benaderd naar aanleiding van de door de advocaat verzochte provisionele vordering, omdat de rechtbank onvoldoende informatie had om dit verzoek te kunnen beoordelen. De Raad heeft vervolgens nog diezelfde dag contact gezocht met de advocaat van de man om te overleggen of het ziekenhuis voldoende zorg kon bieden zonder dat er een gezaghebbende ouder is. De advocaat kon daarop geen antwoord geven. De Raad heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met de man. Uit het contactjournaal komt daarover het volgende naar voren: “Vader geeft aan dat hij met het ziekenhuis in [plaats] dezelfde afspraken heeft als in [plaats] . De kinderen krijgen alle zorg die nodig is en bij acute situaties wordt hij gebeld. Hij is dagelijks in het ziekenhuis en verzorgt de kinderen.”

Op grond van deze informatie heeft de Raad na intern overleg besloten dat er onvoldoende spoedeisendheid was die een voorlopige voogdijmaatregel dringend en onverwijld noodzakelijk maakte. In deze bijzondere situatie achtte de Raad het niet wenselijk en passend om een gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij, nu de man en het ziekenhuis duidelijke afspraken hadden gemaakt over de zorg voor de tweeling.

De Raad heeft op dat moment een inschatting gemaakt of een spoedmaatregel nodig was en de rechtbank meegedeeld dat er pas een advies over een passende voorziening in het gezag gegeven kon worden nadat een onderzoek was verricht. Dit advies is gegeven in het rapport van 13 juli 2016.

De Raad stelt dat er geen vertraging is ontstaan in het benoemen van de man tot voogd. De rechtbank heeft de Raad op 23 juni 2016 verzocht om voor 23 juli 2016 te adviseren over het opengevallen gezag. De Raad heeft haar onderzoek tijdig afgerond en het rapport op 13 juli 2016 bij de rechtbank ingediend voor de behandeling ter zitting op 28 juli 2016.

De Raad stelt voorts dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de door de man te betalen eigen bijdrage erkenningsprocedure en de gezagsprocedure omdat de man deze kosten in ieder geval zelf moet dragen.

De Raad kan evenmin aansprakelijk worden gesteld voor de kosten die de man heeft moeten maken in de beroepsprocedure van de provisionele vordering omdat de advocaat van de man de keuze heeft gemaakt om twee dagen voor de zitting bij de rechtbank op 28 juli 2016, waar de bodemprocedure zou worden behandeld, in hoger beroep te gaan. Volgens de Raad kan de hoger beroepsprocedure tegen de afwijzing provisionele vordering dan ook worden aangemerkt als een nodeloos ingestelde procedure.

De Raad stelt voorts dat niet duidelijk is waarom de advocaat van mening is dat de Raad een ongegrond advies heeft gegeven. De Raad heeft in zijn rapport en advies van 13 juli 2016 zijn advies duidelijk onderbouwd. Omdat uitslag van het DNA-onderzoek nog niet bekend was, hetgeen buiten de invloed van de Raad om gaat, heeft de Raad geadviseerd tot een tussenoplossing om de man met de voogdij te belasten totdat vaststaat dat bij de biologische vader van de tweeling is omdat er dan geen juridische bezwaren meer tegen een vervangende toestemming tot erkenning en toekenning van het gezag bestaan.

5 Schriftelijke reactie van de man op het verweer van de Raad

De man betwist uitdrukkelijk de stellingen van de Raad. De man is van mening dat het volkomen onbegrijpelijk is dat de Raad een voorlopige voogdijmaatregel niet spoedeisend acht, nu bij een gezagsvacuüm normaliter direct een regeling wordt getroffen en, normaal gesproken, een nader onderzoek niet nodig is. De man handhaaft zijn verzoek.

Indien de Raad de kinderrechter op 27 juni 2016 anders had geadviseerd, zou de rechtbank de provisionele vordering hebben toegewezen. Dat het ziekenhuis bereid is medewerking te verlenen wil niet zeggen dat iedere in te schakelen instantie / professional dit doet. De man heeft hinder ondervonden om zaken die voor de tweeling geregeld moest worden te regelen en is ook een financiële tegemoetkoming misgelopen. De Raad had moeten weten dat de afstammingsprocedure nog enige tijd zou duren.

De man betwist dat de Raad de rechtbank slechts een advies heeft gegeven. De man stelt voorts dat de door de Raad ingestelde procedure om hem met de voorlopige voogdij te belasten nodeloos is geweest, nu hij dit verzoek al eerder had gedaan én de bijzondere curator dit verzoek heeft overgenomen. Omdat de provisionele vordering van de man was afgewezen, heeft hij zich genoodzaakt gezien hoger beroep in te stellen.

6 Schriftelijke reactie van de Raad op de schriftelijke reactie van de man

De Raad handhaaf zijn eerder ingenomen standpunt dat hij zorgvuldig en niet onrechtmatig heeft gehandeld alsmede dat er geen reden is hem in de kosten van diverse procedures te veroordelen.

7 Beoordeling

bevoegdheid man in gezagsprocedure

7.1

Nu de rechtbank ten tijde van de zitting van 28 juli 2016 nog geen eindbeschikking heeft gegeven in de gezagsprocedure over de tweeling is de man, op grond van artikel 283 Rv bevoegd het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen nu het betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek en de Raad procespartij in deze procedure is.

het verzoek

7.2

De rechtbank kan, wanneer er onvoldoende informatie voorhanden is om direct te kunnen beslissen op een (spoed)voorziening betreffende een minderjarige telefonisch contact opnemen met de Raad om te overleggen of het treffen van een dergelijke voorziening noodzakelijk is. De rechtbank heeft dit in het kader van de door de man ingestelde vordering ex artikel 223 Rv ook gedaan en heeft het advies van de Raad gehoord.

Vervolgens heeft de rechtbank, gelet op haar eigen beslissingsbevoegdheid, een beslissing gegeven en is het verzoek van de man ex artikel 223 Rv bij beschikking van 13 juli 2016 afgewezen. De man heeft tegen deze beschikking op 25 juli 2016 beroep ingesteld. Uit de bijlage bij de schriftelijke reactie op het verweer van de Raad blijkt dat het beroepschrift op 26 juli 2016 bij het gerechtshof Amsterdam is binnenkomen.

7.3

De man heeft het recht appel in te stellen tegen een beslissing van de rechtbank waarmee hij het niet eens is. Het is echter de vraag of een dergelijk appel ingesteld moet worden enkele dagen voor de datum waarop de afstammingsprocedure bij de rechtbank werd behandeld (28 juli 2016) terwijl de termijn om een beroepschrift in te dienen is gesteld op drie maanden na de datum van de uitspraak, en met name voor wiens rekening het instellen van een dergelijk appel moet komen.

De rechtbank had immers na ontvangst van het verzoek op 22 juni 2016 de Raad verzocht een advies te geven over de vraag op welke wijze moet worden voorzien in het opengevallen gezag over de tweeling en de Raad verzocht het advies uiterlijk op 23 juli 2016 aan de rechtbank toe te zenden. De rechtbank heeft de advocaat van de man op 24 juni 2016 een kopie van haar brief aan de Raad van 23 juni 2016 gezonden.

De rechtbank heeft tevens, gelet op het belang van de tweeling bij beschikking van 22 juni 2016 direct een bijzondere curator ex artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek voor de tweeling benoemd en de man, zijn advocaat en de bijzondere curator reeds op 30 juni 2016 opgeroepen voor de zitting van de afstammingsprocedure op 28 juli 2016. Gelet op de problematiek rond de tweeling is besproken dat de rechtbank er naar streefde om beide verzoeken op een tijdstip te behandelen.

De Raad heeft op 13 juli 2016 een rapport en advies uitgebracht. Uit productie 4 van de op 26 juli 2016 van de advocaat van de man in de voogdijzaak ontvangen bijlagen blijkt dat de advocaat van de man dit rapport en advies op 15 juli 2016 heeft ontvangen. Uit het rapport blijkt voorts dat ook een kopie aan de man en de bijzondere curator is gezonden.

In voormeld rapport adviseert De Raad het verzoek van de man hem te belasten met het ouderlijk gezag over de tweeling toe te wijzen zodra hij door vervangende toestemming de tweeling heeft kunnen erkennen. De Raad geeft de rechtbank tevens in overweging om de biologische vader ambtshalve met de voogdij over de tweeling te belasten, indien deze afstammingsprocedure nog langere tijd in beslag gaat nemen.

Hoewel de oproep voor de zitting van de voogdijprocedure door de rechtbank pas op 15 juli 2016 aan de vader en zijn advocaat is gezonden, is de advocaat van de man bij mail van 23 juni 2016 door de rechtbank geïnformeerd dat er, gelet op de termijn waarbinnen de Raad een advies diende uit te brengen, een zitting zal plaatsvinden na 23 juli 2016 zodat zij had kunnen aannemen dat de rechtbank zowel de afstammingsprocedure als het gezag op een zitting zou behandelen.

7.4

De rechtbank is van oordeel dat de man dan wel zijn advocaat kon verwachten dat het gerechtshof in de beroepsprocedure geen uitspraak zou kunnen doen voor 28 juli 2016, de datum waarop de bodemprocedures bij de rechtbank behandeld zouden worden, terwijl ook niet gebleken is dat er daadwerkelijk een dringende noodzaak bestond op 25 juli 2016 een beroepschrift bij het gerechtshof Amsterdam in te dienen tegen de beschikking van de rechtbank van 13 juli 2016.

De advocaat was op dat moment reeds op de hoogte van de inhoud van het rapport en advies van de Raad van 13 juli 2016, alsmede van de datum van de zitting bij de rechtbank in de afstammingszaak en van de toezegging dat de rechtbank er naar streefde beide verzoeken op die dag te behandelen.

Het kan daarom niet aan de Raad worden verweten dat de man extra proceskosten heeft moeten maken voor het instellen van de beroepsprocedure, zoals griffierecht en eigen bijdrage. Het instellen van een beroepschrift is een bewuste keuze van de man dan wel zijn advocaat. Ditzelfde geldt voor het standpunt van de man dat zijn advocaat (weliswaar op pro deo basis) meer uren aan de zaak heeft moeten besteden. Ook kan de Raad niet worden veroordeeld in de kosten van de gezagsprocedure, nu niet de Raad dit verzoek heeft ingediend, maar de Raad op verzoek van de rechtbank slechts een advies heeft uitgebracht over de vraag op welke wijze moet worden voorzien in het opengevallen gezag over de tweeling, waarna de rechtbank heeft beslist. Dat dit rapport onder een nieuw zaaknummer wordt ingeschreven doet daaraan niet af evenals de stelling van de advocaat van de man dat de bijzondere curator het verzoek van de man hem met de voorlopige voogdij te belasten had overgenomen. De bijzondere curator is op grond van artikel 1:212 BW immers slechts benoemd om in de afstammingskwestie te toetsen of het belang van de tweeling gediend is met het verlenen van de vervangende toestemming tot erkenning.

De Raad kan evenmin worden veroordeeld in de door de man gestelde kosten in de afstammingsprocedure, nu de man deze procedure zelf heeft ingesteld en deze procedure noodzakelijk is om juridisch vader van de tweeling te worden.

Ook anderszins ziet de rechtbank geen redenen af te wijken van de gebruikelijke gang van zaken waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het primaire verzoek van de man afwijzen. De rechtbank ziet eveneens geen aanleiding het subsidiaire verzoek en het meer subsidiaire verzoek van de man toe te wijzen nu deze zien op de zelfde feiten en omstandigheden waarvoor de Raad, zoals hiervoor is overwogen, niet aansprakelijk gesteld kan worden.

bevoegdheid man in afstammingsprocedure

7.5

Nu de Raad geen procespartij dan wel belanghebbende is in de afstammingsprocedure, is de man niet ontvankelijk in zijn verzoek om de Raad te veroordelen in de kosten die hij heeft moeten maken in de procedures waarin hij verzoeker dan wel belanghebbende is.

8 Beslissing

De rechtbank:

8.1

Wijst af het verzoek van de man tot kostenveroordeling van de Raad in de gezagsprocedure.

8.2

Verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoek tot kostenveroordeling van de Raad in de afstammingsprocedure

Deze beschikking is gegeven door mr. Ph. Burgers, rechter, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.