Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1026

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3770
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 5 juni 2008 heeft een nieuwe intranetpublicatie plaatsgevonden. Daarin is medegedeeld dat vanaf 1 juli 2008 voor voormalige medewerkers van de RVV geldt dat maximaal tweemaal 30 minuten per dag, afzonderlijk gemeten over de heen- en terugreis, niet als werktijd geldt. Verder is medegedeeld dat voor de voormalige medewerkers van de KvW, met uitzondering van de voormalige medewerkers in de regio Noord, en voor de medewerkers die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden bij de VWA, geldt: reistijd is werktijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 14/3770, 14/3771, 14/3924, 14/4164, 14/4866, 14/5058, 14/5062, 14/5064, 15/66, 15/69, 15/123, 15/124, 15/125, 15/319, 15/644 en 15/1458 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2016 in de zaken tussen

[eiser 1] , te [woonplaats 1] , [eiser 2] te [woonplaats 2] , [eiser 3] te [woonplaats 1] , [eiser 4] te [woonplaats 3] , drs. [eiser 5] te [woonplaats 4] , [eiser 6] te [woonplaats 5] , [eiser 7] te [woonplaats 6] , [eiser 8] te [woonplaats 7] , [eiser 9] te [woonplaats 8] , [eiser 10] te [woonplaats 9] , [eiser 11] te [woonplaats 10] , drs. [eiser 12] te [woonplaats 11] , drs. [eiser 13] te [woonplaats 12] , [eiser 14] te [woonplaats 13] , [eiser 15] te [woonplaats 14] en [eiser 16] te [woonplaats 13] , eisers

en

De Minister van Economische Zaken, Directie Bedrijfsvoering, verweerder

(gemachtigde: mr. M.B. de Witte-van den Haak).

Procesverloop

Eisers hebben allen bezwaar gemaakt tegen besluiten van verweerder, waarbij hun verzoek om compensatie toe te kennen voor de niet als werktijd aangemerkte reistijd over de periode vanaf 15 februari 2007 is afgewezen.

Bij de bestreden besluiten is op die bezwaren beslist, waarbij voor de onderhavige geschillen van belang is dat (in ieder geval) over de periode 15 februari 2007 tot 1 juli 2008 geen compensatie wordt toegekend.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn op 19 januari 2016 gevoegd ter zitting behandeld. Met uitzondering van de eisers [eiser 5] en [eiser 11] zijn de eisers in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, alsmede mr. E. Wies, kantoorgenote van mr. M.B. de Witte-van den Haak, [naam 1] , senior adviseur P&O en [naam 2] , hoofd SJZ.

Ter uitvoering van een ter zitting gedane toezegging heeft verweerder in de zaak van eiser [eiser 12] nader onderzoek gedaan en de rechtbank en eiser [eiser 12] over de uitkomst daarvan bericht. Namens eiser [eiser 12] is hierop schriftelijk gereageerd..

Overwegingen

1.1

Op 1 januari 2006 zijn de Keuringsdienst van Waren (KvW) en de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV) gefuseerd tot de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA).

Voorafgaand aan de fusie op 1 januari 2006 golden voor de zogenoemde ambulante medewerkers van de KvW en de RVV verschillende regelingen voor de compensatie van reistijd van huis naar een inspectielocatie en terug. De medewerkers van de KvW, met uitzondering van medewerkers in de regio Noord, maakten dergelijke reizen geheel in werktijd. Voor de medewerkers van de RVV gold op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling Werk- en Rusttijden VWA/RVV 2004 dat, voor zover deze heen- en terugreizen samen meer bedroegen dan één uur per dag, (alleen) het meerdere als werktijd werd aangemerkt.

1.2

Op 1 januari 2006 was nog geen voor alle medewerkers van de VWA geldende reisregeling tot stand gekomen. Medio 2006 is beslist om, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006, de inmiddels binnen de VWA gegroeide praktijk, inhoudende dat de reistijd tussen de woonplaats en de inspectielocatie en terug volledig als werktijd werd aangemerkt, te bestendigen. Deze praktijk heeft tot 15 februari 2007 voortgeduurd.

1.3

Bij besluit van 6 februari 2007 heeft de Inspecteur-Generaal van de VWA voor alle medewerkers van de VWA de regeling getroffen dat hun werkdag op de standplaats moet beginnen en eindigen en dat van die verplichting ontheffing kan worden verkregen onder de voorwaarde dat de reistijd van elke dienstreis tussen de woning en een dienstlocatie tot een maximum van 30 minuten enkele reis als eigen tijd wordt aangemerkt. Deze regeling is op 15 februari 2007 ingegaan en zou gelden totdat na overleg met de vakcentrales een definitieve regeling tot stand zou zijn gekomen. Ruim 100 VWA-medewerkers hebben tegen het besluit van 6 februari 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 8 april 2008 en 18 april 2008 zijn deze bezwaren gegrond verklaard, op de grond dat de Inspecteur-Generaal van de VWA niet bevoegd was het desbetreffende besluit te nemen. Het besluit van 6 februari 2007 is herroepen en bepaald is dat voor alle medewerkers de regelingen herleven die op hen van toepassing waren vóór de samenvoeging van de KvW en de RVV op 1 januari 2006. Op 8 mei 2008 zijn alle medewerkers van de VWA hierover door middel van een intranetpublicatie geïnformeerd.

1.4

Op 5 juni 2008 heeft een nieuwe intranetpublicatie plaatsgevonden. Daarin is medegedeeld dat vanaf 1 juli 2008 voor voormalige medewerkers van de RVV geldt dat maximaal tweemaal 30 minuten per dag, afzonderlijk gemeten over de heen- en terugreis, niet als werktijd geldt. Verder is medegedeeld dat voor de voormalige medewerkers van de KvW, met uitzondering van de voormalige medewerkers in de regio Noord, en voor de medewerkers die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden bij de VWA, geldt: reistijd is werktijd.

1.5

In een uitspraak van 13 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2940) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB ) geoordeeld dat het door verweerder gemaakte onderscheid tussen de verschillende groepen binnen de VWA in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De CRvB merkt hieromtrent op:
Van 1 januari 2006 tot 15 februari 2007 gold voor alle ambulante medewerkers binnen de VWA dat de reistijd tussen de woonplaats en de inspectielocaties en terug volledig als werktijd werd aangemerkt. Vanaf 15 februari 2007 en tot 1 januari 2012 is, met een kleine nuancering, teruggevallen op de verschillende regelingen van vóór 1 januari 2006. Daarbij is op de medewerkers die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden bij de VWA de gunstige reisregeling van toepassing verklaard. Als verklaring voor dit laatste is namens appellant ter zitting desgevraagd medegedeeld dat de nieuwe medewerkers niet konden worden ondergebracht bij een van de groepen van voormalige medewerkers van de RVV en de KvW. Dat is echter geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. Deze verklaring maakt namelijk niet duidelijk waarom op de medewerkers die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden de gunstige regeling is toegepast. Evenmin kan het standpunt van appellant worden gevolgd dat het van toepassing verklaren van de gunstige regeling op de nieuwe medewerkers, achteraf bezien, als een fout moet worden aangemerkt, die zich niet leent voor herhaalde toepassing. De vraag welke regeling op een categorie medewerkers moet worden toegepast, moet immers worden onderscheiden van de in dit geding aan de orde zijnde toepassing van de regeling in het concrete geval.”.

1.6

De CRvB heeft in die uitspraak eveneens verweerders standpunt onderschreven dat de vaste rechtspraak van de CRvB inzake duuraanspraken van toepassing is.
Volgens die rechtspraak moet de bestuursrechter zich met betrekking tot de periode voorafgaande aan een verzoek om terug te komen van eerdere besluitvorming, in beginsel beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien respectievelijk om aan het verzoek van de betrokkene tegemoet te komen. Met betrekking tot de periode daarna moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. In de regel zal het bij een duuraanspraak niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst immers van minder belang dan voor het verleden.

1.7

Met een beroep op met name deze uitspraak van de CRvB heeft verweerder bij de in geding zijnde beslissingen onder meer beslist dat (ook) over de periode 15 februari 2007 tot 1 juli 2008 geen compensatie wordt toegekend.

1.8

Eisers zijn het, voor zover de bestreden besluiten betrekking hebben op deze periode, niet eens met het besluit. Zij achten de jurisprudentie met betrekking tot duuraanspraken niet van toepassing, omdat verweerder in juli 2008 verschillende regelingen met terugwerkende kracht tot en met 15 februari 2007 van toepassing heeft verklaard, waardoor voor een bepaalde groep medewerkers over de periode 15 februari 2007 tot 1 juli 2008 de reeds toegepaste aftrek van (maximaal) tweemaal 30 minuten is teruggedraaid. Zij stellen dat vanwege de terugwerkende kracht en het eenmalige karakter van de toekenning er wat betreft de periode die al verstreken was (15 februari 2007 tot 1 juli 2008) geen sprake was van een aanspraak gedurende een bepaalde periode.

1.9

Ook voeren zij aan dat deze toekenning met terugwerkende kracht niet in de aan hen verstrekte specificaties zichtbaar is geweest. Om die reden zou het verzoek om over de periode van vóór juli 2008 te worden gecompenseerd niet mogen worden beschouwd als een verzoek om met terugwerkende kracht alsnog in aanmerking te komen voor een regeling die gedurende die periode zou hebben gegolden, maar als een verzoek om compensatie vanwege het, met terugwerkende kracht, ongelijk behandelen, waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.1

In december 2015 heeft de CRvB in een aantal soortgelijke zaken als die van eisers uitspraak gedaan. De rechtbank verwijst in dit verband onder andere naar de uitspraak van 10 december 2015 nr. 15/806 AW, gepubliceerd op 13 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4474).

De CRvB heeft in die uitspraak het standpunt van appellant (eiser) als volgt samengevat:
De rechtspraak van de Raad over de duuraanspraken is in dit geval voor de periode van 15 februari 2007 tot 1 juli 2008 niet van toepassing. De regeling op grond waarvan de oud-medewerkers van de KvW eenmalig en met terugwerkende kracht over de periode van 15 februari 2007 tot 1 juli 2008 compensatie is verstrekt en aan de oud-medewerkers van de RVV niet, bestond immers in die periode nog niet, zodat ook niet kan worden gezegd dat appellant in die periode heeft berust in een situatie van ongelijke behandeling. Nu voor de ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, dient ook aan appellant over de periode van 15 februari 2007 tot 1 juli 2008 alsnog een compensatie te worden toegekend..”

2.2

Ter zake van dit standpunt heeft de CRvB het volgende overwogen:
Anders dan appellant ziet de Raad geen grond om met betrekking tot de periode van
15 februari 2007 tot 1 juli 2008 tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van
13 december 2013. De op zich juiste stelling van appellant dat in de periode van 15 februari 2007 tot 1 juli 2008 zelf geen sprake is geweest van het berusten in een situatie van ongelijke behandeling, kan hem niet baten. Uit de intranetpublicaties van 9 mei 2008 en 5 juni 2008 volgt immers dat aan de oud-medewerkers van de KvW, anders dan aan appellant, met terugwerkende kracht over de periode van 15 februari 2007 tot 1 juli 2008 op of na 1 juli 2008 ambtshalve een compensatie is toegekend, bestaande uit de toekenning van compensatieverlof alsmede toelagen voor onregelmatige dienst en overwerkvergoedingen. De impliciete weigering om die compensatie op of na 1 juli 2008 aan appellant toe te kennen, waarin hij wel heeft berust, brengt mee dat ten aanzien van het verzoek van appellant van 12 april 2011 de rechtspraak van de Raad inzake verzoeken om terug te komen van in rechte onaantastbaar geworden besluiten van toepassing is. Appellant heeft met betrekking tot de periode vóór

1 juli 2010 geen nieuwe feiten dan wel veranderde omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding moeten geven de verzochte compensatie met ingang van een eerdere datum dan
12 april 2011 te verlenen..”

2.3

Gezien het hiervoor weergegeven duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar oordeel van de hogerberoepsrechter ziet de rechtbank geen aanleiding om een andersluidend standpunt in te nemen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij zich, als lagere rechter, in principe dient neer te leggen bij het oordeel van de CRvB.

2.4

Ook eisers hebben in 2008 kennis kunnen nemen van de intranetberichten. Ter zitting is door een aantal eisers betoogd dat toentertijd de mogelijkheid om gebruik te maken van het intranet beperkt, zo niet onmogelijk was. Het is de rechtbank ter zitting echter ook duidelijk geworden dat de problematiek vanaf 2008 binnen de dienst algemeen bekend was. In de OR was het onderwerp van gesprek en de medewerkers spraken er onderling en in vergaderingen over. De bezwaren werden eveneens aangekaart in onder andere functioneringsgesprekken en correspondentie met de plaatsvervangend Inspecteur-Generaal.

2.5

Niet kan worden volgehouden dat eisers niet toen al hebben geweten of konden weten dat zij niet vielen in de categorie die alsnog met terugwerkende kracht compensatie zou krijgen. Dit betekent dat zij op elk moment dat er sprake was van ongelijke behandeling direct actie hadden kunnen ondernemen. Het had derhalve op de weg van eisers gelegen om zodra hun bekend werd (2008) dat verweerder hun de compensatie impliciet weigerde, hun verzoek in te dienen.

2.6

Ter zitting is door eisers in dit verband betoogd dat zij niet hebben berust in de impliciete weigering van verweerder hen niet te compenseren en hun bezwaren wel degelijk in 2008 en daarna kenbaar hebben gemaakt. Zij hebben dit gedaan in vergaderingen, in functioneringsgesprekken en via de ondernemingsraad. Ook is aangegeven dat men er op vertrouwde dat het wel goed zou komen, omdat het management dit ook gesuggereerd zou hebben.

2.7

Dit betoog faalt. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven, kan een en ander immers - gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van de CRvB - niet worden beschouwd als (individueel) bezwaar maken in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8

Nu eisers eerst geruime tijd daarna (2011 – 2012) op de geëigende – juridische – wijze hebben verzocht om compensatie dient de rechtbank zich met inachtneming van de uitspraken van de CRvB van 13 december 2013 en in lijn met de uitspraken van 10 december 2015 te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of verweerder daarin aanleiding had moeten zien om aan het verzoek van eisers tegemoet te komen.

2.9

Eisers hebben met betrekking tot de periode voorafgaand aan hun verzoeken geen nieuwe feiten en of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding zouden kunnen vormen de door hen verzochte compensatie over de periode 15 februari 2007 tot 1 juli 2008 te verlenen. Evenmin is door hen aannemelijk gemaakt dat zij hun verzoek niet eerder hadden kunnen indienen. Verweerders besluiten kunnen dan ook de terughoudende toets doorstaan.

2.10

De beroepen worden ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L. Beijen, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. E.M. van der Linde, leden, in aanwezigheid van A.G.J. Deckers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.