Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10091

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-07-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
10/960178-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex art. 552a SV.

Het klaagschrift strekt tot verkrijging van een last tot teruggave en een verbod op kennisneming en gebruik van de bij klaagster inbeslaggenomen (servers met) data van de door een klant van klaagster ([klaagster 2]) geëxploiteerde pornowebsite. Voorts strekt het klaagschrift tot het verkrijgen van een verbod op het gebruik van de gegevens die ex art. 126na Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op vordering van klaagster werden ontvangen.

De meervoudige raadkamer heeft het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard voor zover het ziet op de reeds teruggegeven servers, voor zoverre het gericht is tegen de kennisneming en het gebruik van gegevens en voor zover het ziet op gegevens ontvangen van klaagster op voet van art. 126na Sv. Voor het overige is het klaagschrift ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige raadkamer

Registratienummer: 16-002660

Parketnummer: 10/960178-16

Uitspraakdatum: 19 juli 2016

Beschikking (art. 552a Sv.)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 22 april 2016 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een klaagschrift, gedateerd 22 april 2016 van mr. P.T.C. van Kampen, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van

de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [klaagster 1], (hierna: klaagster)

statutair gevestigd te Amsterdam,

domicilie kiezende te (1054 GE) Amsterdam aan de Vondelstraat 54, ten kantore van mr. Van Kampen.

Het klaagschrift, zoals gepreciseerd bij de behandeling in raadkamer aan de hand van de daar overgelegde en voorgedragen pleitnota, strekt tot verkrijging van een last tot teruggave en een verbod op kennisneming en gebruik van de bij klaagster inbeslaggenomen (servers met) data van de door een klant van klaagster ([klaagster 2]) geëxploiteerde pornowebsite. Voorts strekt het klaagschrift tot het verkrijgen van een verbod op het gebruik van de gegevens die ex art. 126na Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op vordering van klaagster werden ontvangen.

Het klaagschrift is op 5 juli 2016 in openbare raadkamer behandeld. Voor klaagster is verschenen mr. P.T.C. van Kampen, voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. A.C. Kramer.

Het klaagschrift is gelijktijdig behandeld met het door [klaagster 2] ingediende klaagschrift ex art. 552a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), voor wie mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, bij de behandeling in raadkamer is verschenen. De raadslieden hebben zich bij elkaars verweren aangesloten.

Van de openbare behandeling in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2 Beoordeling

Feitelijke gang van zaken

2.1.

Uit de gedingstukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op 30 maart 2016 ontving inspecteur [inspecteur] via het Landelijke Internationaal Rechtshulp Centrum een gespreksverslag van de liaison officer Zuid Korea. Dit gespreksverslag houdt onder meer in:

“Datum Seoul, 29 maart 2016

Betreft Verzoek van de Zuid Koreaanse politie.

Gespreksverslag

Inleiding

Vanochtend had ik in Seoul een ontmoeting met Hoofdinspecteur KIM, [hoofdinspecteur], werkzaam bij het International Cooperation Team van het Cyber Safety Bureau, onderdeel van de Koreaanse Nationale Politie. In dit gesprek stond de samenwerking tussen de Nederlandse en Zuid Koreaanse autoriteiten centraal voor wat betreft het treffen van juridische maatregelen jegens een website/server die zich bevindt op Nederlands grondgebied en kennelijk kinderpornografisch materiaal bevat.

Hoewel de gespreksvoering werd gedaan door de KNPA, die de coördinatie doet van alle internationale onderzoeken, wordt het feitelijke onderzoek uitgevoerd door de Seoul Metropolitan Police. Teamleider van het onderzoek is [teamleider], werkzaam bij het Computer Crime Squad. In totaal waren 9 vertegenwoordigers van de Koreaanse politie bij het onderhoud aanwezig.

Achtergrond

De Koreaanse politie is al geruime tijd bezig om 2 verdachten achter een website op te sporen, aan te houden en in Korea te berechten. De website, [website] voorziet hoofdzakelijk in gedragingen die in Zuid Korea strafbaar zijn: waaronder het bekijken en downloaden van kinderporno. Inmiddels is er veel maatschappelijke druk ontstaan om deze illegale en aanstootgevende activiteiten zo snel als mogelijk te beëindigen. Vanuit Zuid Korea is de website niet meer te benaderen. De verdachten gebruiken echter andere domeinen om de toegang tot de oorspronkelijke website te herstellen.

Verdachten:

Sinds 2003 zijn de verdachten actief met deze website. De 2 verdachten zijn van origine Koreanen, waarvan er 1 inmiddels de Australische nationaliteit aangenomen heeft. Zij verblijven op dit moment in Nieuw Zeeland en zullen volgens de Koreaanse politie volgende maand verhuizen naar Maleisië. De verdachten worden door de Koreaanse politie gekenmerkt als sluw en intelligent. Zij handelen snel om het risico op arrestatie te kunnen ontlopen. Niet alleen verplaatsen zij zichzelf snel over de wereld, maar zijn zij kennelijk ook zeer gewiekst in het verplaatsen van de website door het huren van servers over de hele wereld. Op dit moment huren de verdachten een server bij het in Nederland gevestigde [klaagster 1]. In dit verband meldde de Koreaanse politie dat het hen bekend is dat de daders voornemens zijn op korte termijn de website te verplaatsen naar Duitsland. Tot slot meldde de Zuid Koreaanse politie te beschikken over betaalinformatie van bezoekers die de kinderporno bekeken/gedownload hebben, maar ook de beschikking hebben over IP-adressen. Tot slot werd medegedeeld dat de afbeeldingen voor zover bekend geen Nederlandse slachtoffers bevat. Mocht dat bij nader inzien toch zo zijn, dan zijn zij bereid deze informatie te delen.

Gevraagde medewerking

Zuid Koreaanse politie vraagt om medewerking om enerzijds de website uit de lucht te halen/te houden en anderzijds om de inhoud in beslag te nemen en via rechtshulp over te dragen aan Zuid Korea. Er van uitgaande dat het om strafbare inhoud gaat is het Zuid Koreaanse Openbaar Ministerie voornemens om het in Nederland nog in beslag te nemen materiaal te gebruiken voor bewijsvoering in Zuid Korea. De Zuid Koreaanse politie heeft hiertoe een MLA in voorbereiding dat in een vergevorderd stadium is, maar vraagt desalniettemin om zeer snelle actie van de zijde van de Nederlandse politie en Openbaar Ministerie aangezien niet uitgesloten kan worden dat verdachten de website met inhoud kunnen verplaatsen of anderszins buiten de rechtsmacht van de Nederlandse autoriteiten brengen. Hierdoor zou de strafrechtelijke bewijspositie aan Koreaanse zijde aanmerkelijk verminderd worden. Gelet op de werkwijze van de verdachten moet rekening worden gehouden dat zij alles aan zullen wenden om de website enerzijds weer in de lucht te brengen en anderzijds elders op de wereld onder te brengen met als doel een ongestoord bereik te kunnen garanderen.”

2.2.

Naar aanleiding van deze informatie is een opsporingsonderzoek gestart. Op 31 maart 2016 is een machtiging tot doorzoeking aangevraagd ter vastlegging van gegevens ex art. 125i Sv. In de aanvraag is de van de Zuid Koreaanse politie verkregen informatie genoemd en is voorts opgemerkt dat ‘gelet op het feit dat de servers op Nederlands grondgebied staan, niet valt uit te sluiten dat er een nog onbekende Nederlandse verdachte betrokken is bij het begaan van de voornoemde strafbare feiten’.

In de aanvraag wordt een negental IP-adressen genoemd waarop volgens het Zuid Koreaanse onderzoek de data van de betreffende website zou staan. Ook is in de aanvraag vermeld dat uit – door verbalisant uitgevoerd – onderzoek is gebleken dat deze IP-adressen in beheer zijn bij [klaagster 1] Van haar is op 31 maart 2016 de verstrekking van de gebruikersgegevens gevorderd van deze IP-adressen op de voet van art. 126na Sv.

2.3.

In de op 31 maart 2016 door de officier van justitie verstrekte machtiging tot doorzoeking ter vastlegging van gegevens worden naast de artikelen 125i en 96c Sv genoemd art. 552k Sv en het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken.

2.4.

Op 31 maart 2016 is in het bedrijfspand van klaagster, serverhostingbedrijf [klaagster 1] (hierna: [klaagster 1]), aan de [adres] te Haarlem de doorzoeking om 15.43 uur geopend. Uit voorafgaand aan de doorzoeking telefonisch door [klaagster 1] verstrekte informatie kwam naar voren dat de negen IP-adressen in gebruik waren op zes dedicated servers.1 Uit bij aanvang van de doorzoeking uit het klantsysteem van [klaagster 1] verkregen informatie bleek dat dezelfde klant nog negen dedicated servers, een VPS2 en een VPS private cloud omgeving3huurde van [klaagster 1].

Alle 15 gehuurde servers waren via netwerkkabels met elkaar verbonden naar een privé switch. Een medewerker van [klaagster 1] verklaarde daarover dat klanten een privé switch gebruiken om het netwerkverkeer in een lokaal netwerk te regelen zonder dat gebruik gemaakt wordt van het reguliere netwerk van [klaagster 1] en dat op deze wijze niemand inzage heeft in de data die tussen de servers in dat privé netwerk onderling wordt uitgewisseld, ook [klaagster 1] niet.

De officier van justitie heeft op 31 maart 2016 om 16:28 uur beslist tot uitbreiding van de doorzoeking ter vastlegging van gegevens met voormelde negen servers, de VPS en de VPS private cloud omgeving.

Kort hierop zijn op verzoek van de met de uitvoering van de doorzoeking belaste politieambtenaar de netwerkstekkers van de 15 servers uit de servers verwijderd om te verzekeren dat de gegevens op de servers vanaf dat moment niet meer gewijzigd konden worden. Vanwege de omvang van de aangetroffen gegevens kon op dat moment geen toereikend onderzoek worden gedaan naar de inhoud van de servers en werd de doorzoeking geschorst.

In de schriftelijke weerslag van de beslissing tot uitbreiding van de doorzoeking ter vastlegging van gegevens ex art. 125i Sv van 4 april 2016 is tevens vermeld dat de verwijzing naar het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken op een vergissing berust en als niet geschreven moet worden beschouwd.

2.5.

Op 5 april 2016 is de doorzoeking hervat. In de servers werd een groot aantal harde schijven aangetroffen. Gezien de grote hoeveelheid data op die harde schijven, bleek het niet mogelijk daarvan ter plaatse kopieën te maken. Hierop zijn – na telefonisch overleg tussen de politie en de officier van justitie op grond van de beslissing daartoe van de officier van justitie – de servers in beslag genomen en overgebracht naar Zoetermeer naar het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de Landelijke Eenheid.

2.6.

Het maken van een forensische kopie van de gegevens op de inbeslaggenomen servers en het inzichtelijk maken van de data nam meer tijd dan gebruikelijk, vanwege de wijze van opslag (RAID4 volumes) en de gebruikte bestandstructuren (Cinder5). Tijdens het onderzoek zijn afbeeldingen aangetroffen waarvan de hashwaarden6 zijn vergeleken met een database met daarin hashwaarden van afbeeldingen die eerder door gecertificeerde zedenrechercheurs zijn beoordeeld als kinderpornografisch. Op enkele servers werden afbeeldingen aangetroffen waarvan de berekende hashwaarde een treffer opleverde met een hashwaarde in de database.

2.7.

Gecertificeerde zedenrechercheurs hebben vervolgens het materiaal op de servers nader onderzocht. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van 23 juni 2016, werden op harde schijven in zes van de 15 inbeslaggenomen servers in totaal meer dan 200 kinderpornografische afbeeldingen (foto’s) aangetroffen.

2.8.

Op 30 juni 2016 zijn de inbeslaggenomen 15 servers, inclusief de zich daarop bevindende data, teruggegeven aan [klaagster 1], met uitzondering van de harde schijven uit zes servers waarop kinderpornografische afbeeldingen zijn aangetroffen. De politie heeft [klaagster 1] aangeboden gelijkwaardige harde schijven zonder data erop terug te geven.

2.9.

Bij de behandeling in raadkamer heeft de officier van justitie gezegd dat zij verwacht dat de Zuid Koreaanse autoriteiten een rechtshulpverzoek zullen doen strekkende tot overdracht van de inbeslaggenomen data, maar dat een dergelijk verzoek nog niet is ingekomen.

Het standpunt van klaagster

2.10.

Namens klaagster is door mr. Van Kampen aangevoerd dat de inbeslagneming onrechtmatig is, omdat:

  • -

    a) slechts een beslissing ex art. 125i Sv is genomen en deze bevoegdheid ziet op het vastleggen (kopiëren) van gegevens en niet op fysieke inbeslagneming van servers;

  • -

    b) het optreden van justitie is ingegeven door de wens rechtshulp te verlenen, terwijl het daarvoor benodigde rechtshulpverzoek (nog) niet was ontvangen;

  • -

    c) voor zover niet van het verlenen van rechtshulp wordt uitgegaan, maar van een gewoon Nederlands onderzoek (i) sprake is van detournement de pouvoir, omdat dit Nederlandse onderzoek kennelijk alleen is gestart om snel tot actie te kunnen overgaan zonder het rechtshulpverzoek te hoeven afwachten en alle waarborgen die gelden in het kader van het verlenen van rechtshulp zijn omzeild, (ii) geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden schuld, maar gehandeld is op basis van enkel mededelingen van de Zuid Koreaanse politie (hetgeen niet de bevoegde autoriteit is waarop justitie zonder meer mag vertrouwen), zonder dat daarnaar ter verificatie enig eigen onderzoek is verricht, hoewel dit vrij eenvoudig gedaan had kunnen worden, bijvoorbeeld door de inhoud van de betreffende website te bekijken, terwijl aan de mededelingen van de Zuid Koreaanse politie gelet op de inhoud van mediaberichten getwijfeld kan worden, zoals inmiddels door de resultaten van het onderzoek wordt bevestigd;

  • -

    d) in strijd is gehandeld met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu een hele website offline is gehaald, zonder dat enig inzicht bestond (of onderzoek was gedaan naar de vraag) hoeveel kinderporno de website wellicht zou bevatten;

  • -

    e) sprake is geweest van een doelbewuste actie om de website uit de lucht te halen, terwijl de officier van justitie daartoe, gelet op art. 54a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en het wetsvoorstel tot invoering van art 125p Sv, zonder machtiging van de rechter-commissaris niet bevoegd is, mede gelet op Richtlijn 2000/31/EU van 8 juni 2000.

Het standpunt van de officier van justitie

2.11.

De officier van justitie heeft erop gewezen dat de inbeslaggenomen servers met data zijn teruggegeven voor zover de zich daarin bevindende harde schijven geen kinderporno bevatten en dat een belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de resterende harde schijven, nu daarop kinderporno is aangetroffen en deze harde schijven om die reden vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. In dit licht dient het beklag naar het oordeel van de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard bij gebrek aan belang, voor zover het strekt tot teruggave. Daarbij heeft zij ook gewezen op het aanbod van de politie tot teruggave aan [klaagster 1] van gelijkwaardige lege harde schijven.

2.12.Voor het overige dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard, aldus de officier van justitie. Zij heeft betoogd dat de inbeslagneming rechtmatig heeft plaatsgevonden en zij heeft het standpunt ingenomen dat het belang van strafvordering zich verzet tegen – zo begrijpt de rechtbank – gegrondverklaring van het beklag voor zover dat is gericht tegen het gebruik dan wel strekt tot vernietiging van de inbeslaggenomen gegevens waarvan een forensische kopie is gemaakt, welk belang van strafvordering hierin bestaat dat het onderzoek van deze gegevens nog niet is afgerond.

2.13.

Met betrekking tot de rechtmatigheid van de inbeslagneming heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze heeft plaatsgevonden op de voet van art. 94 Sv ten behoeve van de waarheidsvinding in het kader van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek ter zake van overtreding van art. 240b Sr, terwijl voor een deel sprake is van inbeslagneming van voorwerpen welker onttrekking aan het verkeer kan (en zal) worden gevorderd.

Naar de opvatting van de officier van justitie kon op grond van het bericht van de liaison officer, zoals dat ten grondslag is gelegd aan de beslissingen ex art. 125i Sv, wel degelijk het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld worden aangenomen.

Van detournement de pouvoir is volgens de officier van justitie geen sprake. In reactie op de stelling dat beoogd werd waarborgen te omzeilen die gelden bij rechtshulpverlening, heeft de officier van justitie erop gewezen dat nog geen inhoudelijke data afkomstig van de servers aan Zuid Korea zijn verstrekt. Zij heeft haar eerder aan mr. Van der Laan gedane toezegging herhaald daartoe ook niet te zullen overgaan, zonder hem als raadsman van [klaagster 2] in de gelegenheid te stellen daarover een oordeel van de rechter uit te lokken in ofwel een 552p Sv-procedure ofwel in een procedure voor de voorzieningenrechter.

Volgens de officier van justitie is gehandeld in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarbij heeft zij erop gewezen dat pas tot inbeslagneming van de servers is overgegaan nadat bleek dat het maken van een forensische kopie van de zich daarop bevindende data praktisch niet uitvoerbaar bleek vanwege de omvang van die data. Ook heeft zij gewezen op het maatschappelijk belang dat betrokken is bij de bestrijding van kinderporno, tegen de achtergrond waarvan teruggave van kinderporno onaanvaardbaar is. Daarnaast heeft zij gesteld dat de afweging bij het overgaan tot inbeslagneming anders kan uitvallen bij een pornowebsite met kinderpornografisch materiaal dan wanneer het gaat om een server waarop een website van bijvoorbeeld een landelijk dagblad draait. Aldus de officier van justitie is de inbeslagneming zo spoedig mogelijk geëindigd nadat het onderzoeksbelang dat toeliet.

Ontvankelijkheid van het beklag

2.14.

Naar het oordeel van de rechtbank kan klaagster als serverhostingbedrijf waarvan door haar verhuurde servers met harde schijven met data van haar huurder in beslag zijn genomen, als belanghebbende worden aangemerkt.

2.15.

Het klaagschrift is niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op de 15 servers met harde schijven met data waarvan uit onderzoek is gebleken dat daarop geen kinderporno staat, omdat deze servers inclusief de harde schijven met data van negen van deze servers op 30 juni 2016 aan [klaagster 1] zijn geretourneerd.

Ook is het klaagschrift niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de kennisneming en het gebruik van de gegevens die zijn ontleend aan de harde schijven in de inbeslaggenomen – en inmiddels teruggegeven – servers (de forensische kopie). Art. 552a Sv voorziet niet in het doen van beklag tegen kennisneming en gebruik van gegevens die zijn ontleend aan inbeslaggenomen voorwerpen. Ook kunnen de voormelde gegevens van de harde schijven in de servers niet worden beschouwd als gegevens "opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk" (vgl. HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5510).

Voor zover het klaagschrift strekt tot het verkrijgen van een verbod op het gebruik van de gegevens die ex art. 126na Sv op vordering van klaagster werden ontvangen, is het niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang, nu niet door klaagster is aangeduid of en zo ja welke gegevens aldus in beslag zijn genomen en zich thans nog in beslag bevinden.

De rechtbank acht het klaagschrift ontvankelijk voor zover het strekt teruggave en opkomt tegen het gebruik van de harde schijven (uit zes servers) die zich nog in beslag bevinden.

Beoordelingskader

2.16.

Bij de beoordeling van het klaagschrift is de volgende rechtspraak van de Hoge Raad in het bijzonder van belang. In zijn overzichtsarrest van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, heeft de Hoge Raad overwogen dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofdzaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofdzaak te geven oordeel.

Hieruit volgt dat het onderzoek in raadkamer zich niet kan uitstrekken tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen (vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV3004).

Indien de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelve waarmee wordt gedoeld op de formaliteiten (zoals de in art. 94b Sv gestelde vereisten) waaraan de inbeslagneming moet voldoen – van onwaarde moet worden geacht, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beroep voldoende aannemelijk acht en zo ja, of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden (vgl. HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735).

2.17.

Voorts dient de rechtbank bij een beklag als het onderhavige tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zich verzet tegen gegrondverklaring van het beklag tegen het gebruik van het inbeslaggenome dan wel tegen de vernietiging daarvan. Het belang van strafvordering kan zich daartegen verzetten indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen. Ook verzet het belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823).

Beoordeling

2.18.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave en tegen gegrondverklaring van het beklag voor zover dat is gericht tegen het gebruik van de nog in beslag zijnde harde schijven (afkomstig uit de zes servers).

Het strafrechtelijk onderzoek op basis van de verdenking van overtreding van art. 240b Sr heeft inmiddels geleid tot het aantreffen op de nog in beslag zijnde harde schijven van materiaal dat naar het oordeel van gecertificeerde zedenrechercheurs moet worden aangemerkt als kinderporno, waardoor niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van deze nog in beslag zijnde harde schijven zal bevelen. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de mededeling van de officier van justitie bij de behandeling in raadkamer, dat het niet zonder meer praktisch uitvoerbaar is om het kinderpornografische materiaal te scheiden van de niet strafbare inhoud van de harde schijven.

In het licht van dit strafvorderlijke belang kan in beginsel teruggave noch een verbod op het gebruik van de in beslag zijnde harde schijven aan de orde zijn en moet het klaagschrift in zoverre ongegrond worden verklaard.

Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat het ‘gebruik’ – gelet op de onder 2.13. genoemde toezegging van de officier van justitie – niet zal zijn het overdragen van de gegevens aan de autoriteiten van Zuid Korea, zonder dat [klaagster 2] de gelegenheid zal worden geboden daartegen in een afzonderlijke rechterlijke procedure op te komen.

2.19.

In het klaagschrift is – kort gezegd – teruggave en een gebruiksverbod van de harde schijven bepleit, niet omdat het belang van strafvordering zich daartegen niet zou verzetten, maar omdat de inbeslagneming op verschillende gronden onrechtmatig zou moeten worden geacht.

De onrechtmatigheden die namens klaagster zijn aangevoerd betreffen geen formaliteiten vergelijkbaar met de in art. 94b Sv gestelde vereisten. Indien zou worden vastgesteld dat van de gestelde onrechtmatigheden sprake is, gaat het om vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek (tegen thans nog NN-verdachte). Gegrondbevinding van het klaagschrift zou in het lopende Nederlandse strafrechtelijke onderzoek wat het gevolg betreft voor een mogelijke Nederlandse strafzaak, vergelijkbaar zijn met bewijsuitsluiting. Dat zou betekenen dat de rechtbank vooruitloopt op het in die hoofdzaak te geven oordeel, zonder dat de voor toepassing van dit rechtsgevolg in een strafzaak vereiste belangenafweging kan worden gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep op onrechtmatigheid van de inbeslagneming op de daartoe aangevoerde gronden niet kan leiden tot gegrondverklaring van het klaagschrift. Voor een beoordeling van die verweren is in de beklagprocedure geen plaats.

2.20.

Ten overvloede zij hier vermeld dat de rechtbank van oordeel is dat de rechtmatigheidsverweren ook indien zij wel inhoudelijk zouden moeten worden beoordeeld, in het licht van het thans aangevoerde, verworpen dienen te worden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Ad (a) Toen bleek dat het vastleggen (kopiëren) van de gegevens feitelijk niet mogelijk was zonder de servers in beslag te nemen, is na overleg tussen politie en de officier van justitie door laatstgenoemde besloten tot inbeslagneming. De bevoegdheid daartoe kon worden ontleend aan art. 94 Sv.

Ad (b en c) Van het verlenen van rechtshulp in de zin van handelen op basis van een rechtshulpverzoek is geen sprake geweest. Wel vormde de door de Zuid Koreaanse politie verstrekte informatie en het daarbij gevoegde verzoek aanleiding om direct een Nederlands strafrechtelijk onderzoek te starten en tot handelen over te gaan. Daarbij is geen sprake van detournement de pouvoir, maar van een behoorlijke aanwending van bevoegdheden, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten overtredingen van art. 240b Sr te bestrijden.

Opmerking verdient hierbij dat, anders dan namens klaagster is betoogd, naar het oordeel van de rechtbank wel sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Dat kon immers worden ontleend aan de door de liaison officer verstrekte informatie, die in zoverre is geverifieerd dat uit eigen Nederlands onderzoek is gebleken dat de IP-adressen waarop volgens het Zuid Koreaanse onderzoek de betreffende website stond in beheer waren bij [klaagster 1].

Ad (d) Niet aannemelijk is geworden dat in strijd is gehandeld met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, gelet op de aard en de ernst van de verdenking, de spoedeisendheid en de technische onmogelijkheid voor de betrokken opsporingsambtenaren om op minder ingrijpende wijze tot de vastlegging van de desbetreffende gegevens te komen. Ook is niet aannemelijk geworden dat langer dan met het oog op het daaraan verrichte onderzoek nodig was, is gewacht met de teruggave van servers met daarop data.

Ad (e) Het besluit tot doorzoeking ter vastlegging van gegevens bracht de reële mogelijkheid met zich dat de desbetreffende website ‘uit de lucht zou gaan’, welke mogelijkheid een zekerheid werd toen besloten werd de netwerkstekkers van de betrokken servers te ontkoppelen teneinde te voorkomen dat nog gegevens op de servers gewijzigd zouden kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie door daartoe beslissen en vervolgens te beslissen tot inbeslagneming van de servers, niet buiten haar bevoegdheid is getreden. De stelling dat de officier van justitie hiertoe niet had mogen overgaan zonder machtiging van de rechter-commissaris vindt geen steun in het (geldende) recht.

2.21.

Het beklag dient derhalve ook bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheidsverweren ongegrond te worden verklaard.

3 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk voor zover dat ziet op de op 30 juni 2016 reeds aan klaagster teruggegeven 15 servers inclusief harde schijven met data van negen van deze servers;

verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de kennisneming en het gebruik van de gegevens (de forensische kopie) die zijn ontleend aan de inbeslaggenomen – en inmiddels teruggegeven – servers;

verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk voor zover dat ziet op gegevens ontvangen van klaagster op de voet van art. 126na Sv;

verklaart het klaagschrift voor het overige ongegrond.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.

4 Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. R. Kuiper, voorzitter,

mr. I.A.M. Tel en mr. I.S. Burggraaff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Os, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2016.

Mr. Tel is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

1 Een server die kan worden gehuurd bij een serverhostingbedrijf, waarbij de klant de mogelijkheid heeft zelf het volledige beheer van de computer hardware en software te hebben.

2 Virtual Private Server: een deel van een fysieke server die softwarematig is opgesplitst verscheidene virtuele servers.

3 Een platform bestaande uit hardware en software waarbij de klant zelf VPS-en kan aanmaken.

4 Een methode van opslag waarbij de gegevens over meer harde schijven verdeeld wordt ten behoeve van snelheidswinst en/of beveiliging tegen gegevensverlies.

5 Een bestandstructuur die het gemakkelijk maakt grote data opslageenheden te beheren.

6 Tijdens het veiligstellen van afbeeldingen wordt van elke afbeelding de hashwaarde berekend. De hashwaarde is het resultaat van een cryptografische hashfunctie, die de waarde van een invoer omzet in een kleiner bereik van karaktertekens (uitvoer). De uitkomst is een onbegrijpelijke reeks van tekens met een heel kleine kans dat twee verschillende invoerwaarden dezelfde uitvoer geven.