Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10074

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
5373282 \ AO VERZ 16-270
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

De opzegging van de arbeidsovereenkomst, die kwalificeert als uitzendovereenkomst, valt niet aan te merken als een aanzegging van het verlopen van de bepaalde tijd. Veroordeling tot betaling van het loon over de opzegtermijn en van billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1867
AR-Updates.nl 2017-0469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 5373282 \ AO VERZ 16-270

Uitspraakdatum: 7 december 2016

Beschikking in de zaak van:

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. G.P. Geelkerken

tegen

[werkgeefster]

gevestigd te [vestigingsplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [werkgeefster]

gemachtigde: mr. J.L.R. Kenens

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft op 15 september 2016 een verzoek gedaan om - samengevat - primair [werkgeefster] te veroordelen tot betaling aan hem van een billijke vergoeding, een maandloon vanwege onregelmatige opzegging, dit onder afgifte van een bruto / netto specificatie onder verbeurte van een dwangsom, betaling van de wettelijke rente over de gevorderde bedragen, met veroordeling van [werkgeefster] in de proceskosten, subsidiair [werkgeefster] te veroordelen tot betaling van het loon over de periode van 15 juli 2106 tot en met 24 juli 2016 vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging.

1.2.

[werkgeefster] heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op 9 november 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De gemachtigde van [werknemer] heeft gebruik gemaakt van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten (verder) naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[werkgeefster] is een uitzendonderneming en valt onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao voor Uitzendkrachten 2014-2017 (de ABU cao, hierna kortweg : de cao).

2.2.

[werknemer] , geboren op [geboortedatum] , is op 3 augustus 2015 in dienst getreden als uitzendkracht bij de (rechtsvoorganger van) [werkgeefster] . De laatste functie die [werknemer] vervulde, is die van als vulploegmedewerker/chauffeur, met een salaris van € 10,43 per uur, vermeerderd met 8% vakantietoeslag.

2.3.

In de considerans van de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst een detacheringsovereenkomst zonder uitzendbeding is.

2.4.

Artikel 4 van de arbeidsovereenkomst luidt:
“1. Het dienstverband is aangegaan voor de duur van 1 week en eindigt derhalve automatisch en van rechtswege zonder dat daartoe voorafgaande opzegging is vereist op 09.08.2015. Dit laat onverlet dat ieder der partijen deze overeenkomst tussentijds schriftelijk tegen de eerstvolgende werkdag, kan opzeggen met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en hetgeen hierover in de cao is vermeld. (…)

2. Met betrekking tot het einde, de voortzetting en de tussentijdse opzegging van het dienstverband gelden de wettelijke bepalingen alsmede de bepalingen hieromtrent zoals deze zijn opgenomen in de cao.

3. Werknemer is werkzaam in fase A zoals bedoeld in de cao. De duur van deze arbeidsovereenkomst wordt steeds stilzwijgend verlengd met een week tot een maximum van 78 weken na aanvang van het eerste arbeidscontract. Dit contract eindigt in ieder geval op de laatste dag dat fase A van toepassing is op dit dienstverband.”

2.5.

In artikel 15 van de cao is bepaald:
“De detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd kan te allen tijde door de uitzendkracht en door de uitzendonderneming tussentijds worden opgezegd tegen de eerstvolgende werkdag, met inachtneming van de hierna in lid 2 vermelde opzegtermijn, tenzij tussentijdse opzegging uitdrukkelijk in de detacheringsovereenkomst is uitgesloten. Uitsluiting van tussentijdse opzegging is slechts mogelijk indien de detacheringsovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie maanden of langer.”

Artikel 15 lid 2 sub b luidt:
“ Voor de uitzendonderneming bedraagt de in lid 1 van dit artikel bedoelde opzegtermijn één maand.”

2.6.

[werkgeefster] heeft [werknemer] bij verschillende inleners (supermarkten) te werk gesteld.

2.7.

[werkgeefster] heeft aan [werknemer] woonruimte ter beschikking gesteld.

2.8.

Op vrijdag 15 juli 2016 heeft [werknemer] zich voor aanvang van de werkzaamheden ziek gemeld. Later op die dag heeft de direct leidinggevende van [werknemer] , [leidinggevende] ( [leidinggevende] ), telefonisch laten weten dat hij was ontslagen en dat hij de door [werkgeefster] aan hem ter beschikking gestelde woning moest verlaten. Na herhaalde verzoeken van [werkgeefster] daartoe, heeft [werknemer] deze woning voor 24 juli 2016 verlaten.

2.9.

In een brief van 31 augustus 2016 heeft [werknemer] onder meer aanspraak gemaakt op betaling van openstaande vakantiedagen en het loon over de opzegtermijn.

2.10.

In haar reactie van 7 september 2016 heeft [werkgeefster] zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd per 24 juli 2016, omdat opdrachtgevers klachten hadden over de persoonlijke hygiëne van [werknemer] . De loonvordering van [werknemer] is daarbij van de hand gewezen.

3 Het verzoek

3.1.

[werknemer] heeft primair gevorderd:
- een billijke vergoeding € 4.000,-- althans een in goede justitie te bepalen bedrag toe te kennen, op grond van artikel 7:681 lid 1 of 7:673 lid 9 van het Burgerlijk Wetboek (BW);
- een maandloon wegens onregelmatige opzegging;
dit alles onder verstrekking van een bruto/netto specificatie, op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag of een in goede justitie te bepalen bedrag met een maximum van
€ 10.000,-- voor elke dag dat [werkgeefster] hieraan vanaf zeven dagen na datum van de beschikking niet voldoet;
- de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen,

en [werkgeefster] te veroordelen in de proceskosten.

Subsidiair en voor zover de kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst niet op
15 juli 2016 is opgezegd, maar op 24 juli 2016 van rechtswege is geëindigd, heeft [werknemer] gevorderd de betaling van het loon over de periode van 15 juli 2016 tot en met 24 juli 2016 met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging daarover.

3.2.

Volgens [werknemer] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgeefster] . In dat kader heeft het volgende aangevoerd. [werknemer] heeft zich op vrijdag 15 juli 2016 om 03.00 uur ziek gemeld bij [werkgeefster] . Diezelfde dag is hij twee keer gebeld door [leidinggevende] met de vraag of hij kon werken en zijn collega naar het werk kon brengen. [werknemer] heeft gezegd dat hij de volgende dag wel zou kunnen werken. Rond 15.00 uur die dag heeft [leidinggevende] hem op staande voet ontslagen, omdat de inlener klachten zou hebben over slechte persoonlijke hygiëne van [werknemer] . Voor [werknemer] kwam dit bericht als een donderslag bij heldere hemel; hij had namelijk nooit klachten daarover ontvangen. Van de gestelde dringende reden was dan ook geen sprake, van verkregen toestemming van het UWV evenmin. [werkgeefster] heeft bovendien geen hoor en wederhoor toegepast. Verder heeft [werkgeefster] [werknemer] vanaf die dag onder druk gezet om de woning van [werkgeefster] te verlaten. [werknemer] is daarover verschillende keren gebeld en heeft uiteindelijk vlak voor de door [werkgeefster] gegeven deadline van 24 juli 2016 de woning verlaten. Dit alles heeft [werknemer] veel stress bezorgd.

3.3.

Verder stelt [werknemer] dat [werkgeefster] hem een vergoeding wegens onregelmatige opzegging moet betalen. Op grond van artikel 15 van de cao bedraagt de opzegtermijn immers één maand en deze termijn heeft [werkgeefster] niet in acht genomen, toen zij de arbeidsovereenkomst per 15 juli 2016 met onmiddellijke ingang opzegde.

4 Het verweer

4.1.

[werkgeefster] heeft zich verweerd en verzocht het verzoek af te wijzen. Daartoe heeft [werkgeefster] - samengevat - het volgende aangevoerd.

4.2.

Voor de toekenning van een billijke vergoeding bestaat geen grondslag, omdat geen sprake is geweest van een opzegging (met onmiddellijke ingang) van de arbeidsovereenkomst door [werkgeefster] maar van het rechtswege eindigen daarvan primair per
16 juli 2016, subsidiair per 24 juli 2016. Daarvoor heeft te gelden dat [werknemer] op vrijdag
15 juli 2016 van haar opdrachtgever/inlener [inlener] heeft gehoord dat deze [werknemer] niet wilde inzetten wegens zijn slechte persoonlijke hygiëne. Dit heeft [werkgeefster] daarop direct telefonisch aan [werknemer] laten weten. In dat gesprek is [werknemer] ook meegedeeld dat [werkgeefster] de detacheringsovereenkomst niet wilde verlengen. Deze wens hield geen verband met de ziekte op dat moment van [werknemer] . Het stond [werkgeefster] daarbij vrij om de overeenkomst niet voort te zetten. Per abuis heeft [werkgeefster] naar aanleiding van het verzoek van [werknemer] om tot een eindafrekening te komen, in haar brief van 7 september 2016 gemeld dat de arbeidsovereenkomst per 24 juli 2016 van rechtswege is geëindigd. Uit het telefoongesprek van 15 juli 2016 had [werknemer] echter moeten begrijpen dat de lopende detacheringsovereenkomst per 16 juli 2016 niet zou worden voortgezet. Dit geldt temeer, omdat [werknemer] daarna niet meer is opgeroepen en [werknemer] zich ook niet beschikbaar heeft gehouden voor de bedongen uitzendarbeid. In het verlengde van het einde van de arbeids-overeenkomst lag ook dat [werknemer] de aan hem beschikbaar gestelde woonruimte diende te verlaten.

4.3.

Ook voor de gevorderde loon over de periode van 15 juli 2016 tot en met 24 juli 2016 bestaat geen grondslag, gelet op het feit dat de arbeidsovereenkomst op 16 juli 2016 van rechtswege is geëindigd. Voor het geval komt vast te staan dat de overeenkomst per
24 juli 2016 is geëindigd, geldt dat sprake is geweest van een nul-uren contract en dat [werknemer] niet heeft gewerkt in die periode.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [werknemer] recht heeft op een maandloon wegens onregelmatige opzegging dan wel het loon over de periode 15 juli 2016 tot en met 24 juli 2016 als wordt geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op laatstgenoemde datum.

5.2.

[werknemer] heeft het verzoek tijdig ingediend.

5.3.

De kantonrechter stelt voorop dat niet ter discussie staat dat de onderhavige

arbeidsovereenkomst kwalificeert als een uitzendovereenkomst in de zin van
artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek (BW) en dat het hier gaat om een detacherings-overeenkomst (een overeenkomst zonder uitzendbeding) voor bepaalde tijd.

5.4.

Vraag is hoe de telefonische mededeling van [leidinggevende] op 15 juli 2016 - dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd - moet worden aangemerkt. Met [werknemer] is de kantonrechter van oordeel dat deze mededeling als een opzegging van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang is aan te merken en niet als een aanzegging van het verlopen van de bepaalde tijd, zoals [werkgeefster] kennelijk bedoelt.

5.5.

Op grond van artikel 4, lid 1 en lid 3, van de arbeidsovereenkomst in verbinding met artikel 15 lid 1 en 2 sub b van de cao is tussentijdse opzegging van de arbeidsovereenkomst door de uitzendonderneming mogelijk en dient deze schriftelijk plaats te vinden tegen de eerstvolgende werkdag met in achtneming van een opzegtermijn van één maand. Opzegging van de arbeidsovereenkomst op 15 juli 2016 had dus schriftelijk pas tegen 16 augustus 2016 rechtsgeldig kunnen plaatsvinden. Dit betekent dat de overeenkomst niet rechtsgeldig op 15 juli 2016 is opgezegd.

5.6.

Nu [werknemer] kennelijk in de opzegging heeft berust, heeft hij recht heeft op betaling van het loon over de opzegtermijn. Voor de bepaling van het maandloon zal de kantonrechter uitgaan van het gemiddelde aantal gewerkte uren gedurende drie vierwekelijkse periodes voorafgaand aan de opzegging. Het gaat onweersproken om (144,5, 133,75 en 115 uren, totaal 393,25 gewerkte uren) (afgerond) 131 uren gemiddeld per periode, neerkomend op een arbeidsomvang van (afgerond) 106 uren per maand. Het bruto maandloon bedraagt dan
(131 x € 10,43 x 8%=) € 1.599,54. Dit bedrag zal [werkgeefster] aan [werknemer] moeten betalen met de daarover gevorderde wettelijke rente. Deze rente is [werkgeefster] verschuldigd geworden doordat zij niet tijdig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Dat Skribinski na
15 juli 2016 niet meer heeft gewerkt doet aan dit oordeel niet af, omdat dat een omstandigheid is die voor rekening en risico van [werkgeefster] dient te komen.

5.7.

Partijen strijden erover of [werkgeefster] een billijke vergoeding aan [werknemer] is verschuldigd. Uit artikel 7:673 lid 9 onder b BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer een billijke vergoeding kan toekennen indien de arbeidsovereenkomst eindigt door opzegging door de werkgever en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan sprake is, alleen al omdat [werkgeefster] niet de toepasselijke opzegtermijn in acht heeft genomen. Daarbij komt dat [werknemer] op het moment van de opzegging ziek was en was gehuisvest in een woning die [werkgeefster] aan hem ter beschikking had gesteld. Op aandringen van [werkgeefster] heeft [werknemer] deze woning op zeer korte termijn moeten verlaten. Nog los van de vraag of [werknemer] zich had kunnen beroepen op huurbescherming, zou hij bij een rechtsgeldige opzegging de woning pas hebben moeten verlaten bij het einde van de arbeidsovereenkomst, op zijn vroegst op 16 augustus 2016.
Deze omstandigheden, in samenhang met het feit dat het voor [werknemer] naast het moeten missen van zijn baan extra druk heeft gegeven om op stel en sprong ook nog andere woonruimte te moeten zoeken, maken dat de kantonrechter een billijke vergoeding van
€ 4.000,-- bruto op zijn plaats acht. [werkgeefster] is daarnaast de over deze vergoeding gevorderde wettelijke rente verschuldigd.

5.8.

Tegen de gevorderde afgifte van de bruto/netto specificatie van voornoemde bedragen heeft [werkgeefster] geen inhoudelijk verweer gevoerd, net zo min als tegen de gevorderde dwangsom, zodat de vordering op deze onderdelen toewijsbaar is. [werkgeefster] zal de dwangsommen vanaf zeven dagen na de datum van betekening van deze beschikking verbeuren.

5.9.

Omdat de primaire vorderingen van het verzoek worden toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire vordering.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van [werkgeefster] , omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [werkgeefster] om aan [werknemer] te betalen een billijke vergoeding van € 4.000,-- bruto;

6.2.

veroordeelt [werkgeefster] tot betaling aan [werknemer] van één maandloon van € 1.599,54 bruto;

6.3.

veroordeelt [werkgeefster] tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke rente over de onder 6.1. en 6.2. genoemde bedragen vanaf 16 augustus 2016 tot de dag van algehele voldoening;

6.4.

veroordeelt [werkgeefster] aan [werknemer] schriftelijke en deugdelijke bruto/netto specificaties te verstrekken binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking;

6.4.

bepaalt dat [werkgeefster] een dwangsom verschuldigd is van € 100,-- per dag, indien niet binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking aan de veroordeling onder 6.4 wordt voldaan, met een maximum van € 10.000,--;

6.5

veroordeelt [werkgeefster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 679,--, te weten:

griffierecht € 79,--

salaris gemachtigde € 600,--;

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A. van Dijk, kantonrechter, en op 7 december 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter