Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1004

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
4805494 OA VERZ 16-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werknemer verzoekt met een verzoekschrift dat de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van salaris. Zaak wordt verwezen naar de dagvaardingsprocedure. Ook na invoering van de Wwz moet een dergelijke vordering met een dagvaarding worden ingeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1427
NJF 2016/300
AR-Updates.nl 2016-0543
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 4805494 \ OA VERZ 16-30 WD

Uitspraakdatum: 17 februari 2016

Beschikking in de zaak van:

[de werknemer] , wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij [verder ook te noemen: de werknemer],

gemachtigde: mr. P.P.J.L. Appelman,

tegen

de besloten vennootschap Technische Dienstverlening David Mulder B.V., gevestigd te Warmenhuizen,

verwerende partij [verder ook te noemen: de werkgever]

niet verschenen.

Het procesverloop

De werknemer heeft een verzoekschrift ingediend.

Tenslotte is heden uitspraak bepaald.

Het verzoek

De werknemer verzoekt dat de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad de werkgever veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 7.338,43, bruto, te vermeerderen met vakantiegeld, wettelijke verhoging, wettelijke rente en proceskosten.

De beoordeling

Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 261 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) worden gedingen slechts aanhangig gemaakt middels een verzoekschrift, indien dit uit de wet voortvloeit. Voor zover niet uit enige wettelijke bepaling is te herleiden dat een geding ingeleid wordt met een verzoekschrift, dient dat te gebeuren door middel van het uitbrengen van een dagvaarding.

Onderhavige zaak betreft de nakoming van een arbeidsovereenkomst, meer specifiek een door de werknemer gestelde verplichting voor de werkgever om het verschuldigde loon aan de werknemer uit te betalen.

Een dergelijke zaak wordt in beginsel met het uitbrengen van een dagvaarding aanhangig gemaakt, nu een wettelijke bepaling die indiening van een verzoekschrift voorschrijft, niet voorhanden is.

Weliswaar behelst artikel 7: 686a lid 3 BW sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid een uitzondering op het voorgaande, maar dan slechts voor die situatie dat (behoudens onderhavig geding) tussen partijen al een geding aanhangig is dat is gebaseerd op het bij of krachtens afdeling 9 van Titel 10 van Boek 7 BW bepaalde, welke afdeling handelt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Een dergelijk geding is tussen partijen niet aanhangig.

De kantonrechter zal de werknemer op de voet van artikel 69 lid 3 Rv bevelen dat het geding in de stand waarin zich het bevindt wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure. De zaak zal worden verwezen naar de rol van woensdag 16 maart 2016 om 9:30 uur, voor welke datum en tijdstip de werknemer de werkgever bij exploot zal moeten oproepen, met inachtneming van de voor de dagvaarding voorgeschreven termijnen en formaliteiten.

De beslissing

De kantonrechter:

Beveelt dat het geding in de stand waarin het zich bevindt wordt voorgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure;

Verwijst de zaak hiertoe naar de rol van woensdag 16 maart 2016 om 9:30 uur voor het overleggen van een oproepingsexploot door de werknemer.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 17 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter