Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:10016

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
04-12-2016
Zaaknummer
15/710253-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft in de uitoefening van zijn functie als politieambtenaar, in een poging een persoon aan te houden, gericht geschoten op de auto die door deze persoon werd bestuurd. De achterruit van de auto is daardoor gesneuveld en de bestuurder is door een (gedeelte van een) metalen projectiel in zijn been geraakt.

Verdachte moet zich, gelet op zijn ervaring, bewust zijn geweest van de risico’s van het afvuren van een schot in de zich voordoende omstandigheden en door desondanks te schieten op het rijdende voertuig heeft verdachte de kans op dodelijk letsel van de bestuurder bewust aanvaard.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat verdachte met zijn optreden heeft gehandeld conform de van toepassing zijnde bepalingen in de Ambtsinstructie. Artikel 7 lid 1 van de Politiewet 2012 bevat echter tevens een clausulering in de vorm van een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van verdachte deze toets niet doorstaan. Kort gezegd rechtvaardigde het doel, namelijk de aanhouding van verdachte, mede gelet op de risico’s voor zowel verdachte als de omstanders, niet het vuurwapengebruik van verdachte en waren er andere mogelijkheden om de bestuurder aan te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710253-15 (P)

Uitspraakdatum: 10 november 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 oktober 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.C. Hollander en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 januari 2015 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, éénmaal, met een vuurwapen, heeft geschoten op een (rijdende) auto waarin die [slachtoffer] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte bij gebreke van bewijs voor (voorwaardelijk) opzet op het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte, brigadier van politie en ten tijde van het tenlastegelegde coördinator van het Robuust Interventie Team Haarlem, bevindt zich op 26 januari 2015 samen met collega [verbalisant 1] in het centrum van Haarlem. Zij zijn op dat moment belast met het opsporen van winkeldieven en zakkenrollers.2 Door verschillende feiten en omstandigheden ontstaat bij verdachte en zijn collega het vermoeden dat een door hen waargenomen man en een vrouw zich schuldig maken aan winkeldiefstal. Omdat verdachte en zijn collega de indruk krijgen dat de man, naar later blijkt [slachtoffer]3, in de gaten heeft dat zij hem en de vrouw volgen, besluiten verdachte en [verbalisant 1] het schaduwen te staken en [slachtoffer] en de vrouw op te wachten bij hun auto, waarvan zij eerder hebben gezien dat deze werd geparkeerd bij de in het centrum van Haarlem gelegen Botermarkt, om het stel daar te kunnen controleren.4 Op het moment dat [slachtoffer] bij de auto arriveert, merkt hij [verdachte] op die op enige afstand staat en op hem begint toe te lopen. [slachtoffer] stapt in zijn auto5 en probeert deze met de nodige moeite uit het parkeervak te krijgen.6 [verdachte] roept van de politie te zijn en maant [slachtoffer] tot stoppen.7 [slachtoffer] geeft hieraan geen gehoor en rijdt, eenmaal uitgeparkeerd, met vaart weg8, waarbij [verdachte] moet zorgen dat hij niet door de auto wordt geraakt.9 Vervolgens pakt verdachte zijn dienstwapen en schiet staand op een afstand van 15 meter éénmaal op de wegrijdende auto, als gevolg waarvan – hoewel verdachte mikt op de banden – de achterruit sneuvelt.10 Nadien wordt in de voorruit ter hoogte van het stuur een schotbeschadiging aangetroffen, waarvan de randen naar buiten zijn gekeerd.11 Verschillende omstanders bevinden zich op dat moment op de Botermarkt en zijn getuige van het incident.12

Verdachte had met het schot de intentie [slachtoffer] aan te houden ter zake van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling, gepleegd jegens verdachte.13 [slachtoffer] wordt als gevolg van het schot door (een gedeelte van) een metalen projectiel in zijn been geraakt.

Op in het ziekenhuis van het rechterbeen van [slachtoffer] gemaakte röntgenfoto’s is duidelijk te zien dat er een klein projectiel in diens bovenbeen zit, volgens de forensisch arts mogelijk een (stuk van een) kogel.14

3.4.

Bewijsoverweging ten aanzien van het voorwaardelijk opzet

De rechtbank hecht eraan voorop te stellen dat niet ter discussie staat dat verdachte niet de doelbewuste intentie had om [slachtoffer] te doden. Blijkens de bewijsmiddelen wilde verdachte [slachtoffer] aanhouden wegens een tegen verdachte gepleegd misdrijf en vuurde hij daartoe zijn wapen af, waarbij hij richtte op de banden van de auto waarin [slachtoffer] reed. Bij het ontbreken van doelopzet kan van strafrechtelijk verwijtbaar opzet echter ook sprake zijn indien verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft vanuit staande positie met zijn vuurwapen op een afstand van 15 meter gericht op een rijdende auto geschoten. De rechtbank is van oordeel dat het afvuren van een schot van relatief korte afstand op een rijdende auto in beginsel de aanmerkelijke kans met zich brengt dat de inzittende van die auto door het schot dodelijk kan worden geraakt. Dat verdachte – naar eigen zeggen – gericht op de banden heeft geschoten, maakt het voorgaande in het onderhavige geval niet anders. Het feit dat het voertuig in beweging was kon immers naar algemene ervaringsregels het beoogde effect van het schot negatief beïnvloeden, waarbij de staande positie van verdachte eveneens een rol kon spelen. Dat het afvuren van een schot in de gegeven omstandigheden de nodige risico’s met zich brengt, is gebleken, gelet op de hoogte van de uitschotbeschadiging in de voorruit. Al het voorgaande in acht nemende, acht de rechtbank de kans aanmerkelijk dat [slachtoffer] zou worden geraakt in een vitaal deel van het lichaam.

Met het afvuren van het schot, waarbij verdachte zich naar eigen zeggen heeft laten leiden door één doel, te weten het aanhouden van de bestuurder van de auto, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de bestuurder, [slachtoffer], bewust aanvaard. In zijn positie van geoefend en volledig gecertificeerd schutter en als ervaren politieagent kan het niet anders zijn dan dat verdachte zich van die kans bewust is geweest. Dat uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat er in het kader van de zogenaamde IBT-trainingen voor politieagenten vooralsnog geen duidelijke instructies worden gegeven waar het gaat om het schieten op een rijdend voertuig, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af. Verdachte moet zich, gelet op zijn ervaring, bewust zijn geweest van de risico’s van het afvuren van een schot in de zich voordoende omstandigheden en door desondanks te schieten op het rijdende voertuig heeft verdachte de kans op dodelijk letsel van [slachtoffer] bewust aanvaard.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank acht dan ook het ten laste gelegde bewezen. Het andersluidende verweer van de verdediging zoals weergegeven in de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie wordt op grond van het voorgaande verworpen.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 januari 2015 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, éénmaal, met een vuurwapen, heeft geschoten op een rijdende auto waarin die [slachtoffer] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

5.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift en dat hij dientengevolge moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld conform artikel 7 van de Ambtsinstructie, in welk artikel is weergegeven onder welke omstandigheden het gebruik van een vuurwapen geoorloofd is. Er was sprake van een redelijk vermoeden van schuld dat [slachtoffer] een misdrijf had gepleegd als omschreven in artikel 7 van de Ambtsinstructie lid 1 onder b, het doel – het aanhouden van [slachtoffer] – kon niet op andere wijze worden bereikt, verdachte heeft voldoende oog gehad voor eventuele risico’s voor omstanders en het niet stoppen van [slachtoffer] hield onaanvaardbare risico’s voor de omgeving in.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald omtrent de toepasselijkheid van de Ambtsinstructie, nu verdachte niet bekend was met de bij de Ambtsinstructie behorende Nota van Toelichting, waarin het schieten op rijdende voertuigen ernstig wordt ontraden en daarmee ook niet bekend hoefde te zijn aangezien een en ander niet aan bod is gekomen in de IBT-trainingen.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte weliswaar heeft gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen in de Ambtsinstructie, maar dat zijn optreden niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit als bedoeld in artikel 7 van de Politiewet 2012. Verdachte heeft immers een schot gelost op een druk, compact plein, met als doel een rijdende auto, waarbij het voertuig – als het werd geraakt – een gevaar op zichzelf kon vormen, terwijl het aanhouden van [slachtoffer] op een andere manier bewerkstelligd had kunnen worden, aldus de officier van justitie.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat verdachte met zijn optreden heeft gehandeld conform de van toepassing zijnde bepalingen in de Ambtsinstructie. Verdachte is immers als geoefend brigadier van politie gerechtigd tot het gebruik van een vuurwapen (artikel 4 van de Ambtsinstructie) en het gebruik van het vuurwapen was in het onderhavige geval in beginsel geoorloofd omdat verdachte de intentie had [slachtoffer] aan te houden, die zich aan zijn aanhouding trachtte te onttrekken door weg te rijden, terwijl hij werd verdacht van een jegens verdachte gepleegd misdrijf als bedoeld in artikel 7 van de Ambtsinstructie.

Artikel 7 lid 1 van de Politiewet 2012 bevat echter tevens een clausulering in de vorm van een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van verdachte deze toets niet doorstaan. Het zojuist genoemde artikellid luidt als volgt:

De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

In lid 5 van hetzelfde artikel wordt daaraan toegevoegd dat de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd dient te zijn.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat ten tijde van het schietincident verschillende omstanders op de Botermarkt aanwezig waren. Doordat verdachte op een rijdend voertuig schoot, bestond de kans dat niet alleen [slachtoffer] maar ook, of in plaats van [slachtoffer], één of meer van deze omstanders door de al dan niet afketsende kogel zouden worden geraakt. Dat geldt in het bijzonder voor de getuige [getuige 1], die welhaast in de baan van de kogel moet hebben gestaan, zo concludeert de rechtbank uit de overzichtsfoto op pagina 172 van het dossier. Ook gelet op het feit dat in het verlengde van de plaats waar verdachte heeft geschoten verschillende winkels en woonhuizen staan, leverde het schot de nodige risico’s op. Daarnaast bestond de mogelijkheid dat de auto waarin [slachtoffer] reed als gevolg van het schot onbestuurbaar zou worden, hetzij door het lekschieten van een van de banden, hetzij door onmacht van [slachtoffer] om de auto nog langer te besturen, zodat mensen in de nabijheid van de auto gevaar liepen. Van al deze risico’s die voortkwamen uit het schieten op een rijdend voertuig had verdachte zich, zoals hiervoor reeds werd overwogen, bewust moeten zijn, óók zonder dat in de IBT-trainingen een duidelijk standpunt was ingenomen over het schieten in een dergelijke situatie.

Voorts neemt de rechtbank in ogenschouw dat het signalement van [slachtoffer] en het kenteken van de auto waarin hij reed bekend waren, zodat het waarschijnlijk kan worden geacht dat [slachtoffer] ook na het verlaten van de Botermarkt opgespoord en aangehouden had kunnen worden.

Voor zover de raadsman bedoeld heeft te betogen dat onmiddellijke aanhouding van [slachtoffer] geboden was ter afwending van een noodweersituatie, is de rechtbank van oordeel dat noch uit de stukken van het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting van de dreiging van een dergelijke situatie is gebleken. In het bijzonder de verklaringen van verdachte bieden geen aanknopingspunt voor het aannemen van een dreigende noodweersituatie.

Nu de rechtbank oordeelt dat verdachte niet in overeenstemming met de geweldsinstructie geweld heeft gebruikt en hem dientengevolge niet een beroep op de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 42 Sr toekomt en ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 120 uren met een proeftijd van 2 jaren, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 850, met oplegging van de corresponderende schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich bij de eis rekenschap gegeven van de bijzondere positie van politieagenten, van het feit dat [slachtoffer] kort voor het schietincident op verdachte was afgereden en het tijdsverloop in deze zaak. Ten aanzien van het bepaalde in artikel 22b Sr is de officier van justitie van mening dat het taakstrafverbod niet van toepassing is, omdat de gevolgen van het schietincident die aan verdachte toe te rekenen zijn geen ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit vormen. Dat de gevolgen voor [slachtoffer] ernstiger zijn uitgepakt dan zich aanvankelijk liet aanzien, nadat hij zich, tegen het advies van de forensisch arts in, heeft laten opereren, kan verdachte niet worden aangerekend, aldus de officier van justitie.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat bij een strafoplegging de bijzondere positie van politieagenten moet worden meegewogen. Bovendien heeft het incident een enorme impact gehad op verdachte en zijn gezin en verkeren zij al twee jaar in onzekerheid over de afloop van deze kwestie. Tenslotte is opgemerkt dat het taakstrafverbod in het onderhavige geval niet van toepassing zou moeten zijn, nu de gevolgen voor de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] in ieder geval in eerste instantie beperkt zijn gebleven.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer]. Verdachte heeft in de uitoefening van zijn functie als politieambtenaar, in een poging [slachtoffer] aan te houden, gericht geschoten op de auto die [slachtoffer] bestuurde. De achterruit van de auto is daardoor gesneuveld en [slachtoffer] is door een (gedeelte van een) metalen projectiel in zijn been geraakt. Dat [slachtoffer] niet dodelijk is geraakt, is enkel aan geluk te danken, gelet op het feit dat de kogel de auto via de voorruit ter hoogte van het stuur weer heeft verlaten. [slachtoffer], die zo bleek later, al kwetsbaar was door ervaringen uit het verleden, heeft sinds het incident te kampen met teruggekeerde psychische problemen en pijnklachten.

Door te handelen als beschreven heeft verdachte er blijk van gegeven onvoldoende oog te hebben gehad voor het belangrijkste recht van een mens, het recht op leven. Daarnaast heeft verdachte, door overdag in het centrum van Haarlem een schot te lossen, zich onvoldoende rekenschap gegeven van de impact van zijn handelen op de mensen die daarvan getuige waren. Daar komt nog bij dat verdachte niet gekleed was als politieambtenaar. Een delict als het onderhavige heeft dan ook een voor de rechtsorde schokkend karakter.

Daar staat tegenover dat verdachte tot het lossen van een schot is overgegaan, nadat hij had moeten voorkomen dat hij door de auto van [slachtoffer] werd geraakt. Verdachte heeft dat ervaren als een aanslag op zijn leven. Deze ervaring heeft bij zowel verdachte als zijn gezin geleid tot gevoelens van kwetsbaarheid. Daarnaast heeft verdachte sindsdien gemengde gevoelens over het werken als politieagent en is het een moeizaam proces voor hem om het werkplezier te behouden en het incident geen weerslag te laten hebben op de dagelijkse uitoefening van zijn werkzaamheden. Dat verdachte in deze omstandigheden zich ter terechtzitting moet verantwoorden ter zake van poging tot doodslag, valt hem zwaar. Het een en ander betrekt de rechtbank bij haar overwegingen aangaande de strafmaat, evenals het tijdsverloop in deze zaak. Daarnaast neemt de rechtbank in ogenschouw de aparte positie van politieagenten waar het gaat om het uitoefenen van geweld en de niet altijd gemakkelijke omstandigheden waarmee agenten al dan niet onverhoeds worden geconfronteerd.

Tenslotte heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte blijkens het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 27 september 2016, niet eerder is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank overweegt daarbij, dat het bewezenverklaarde feit naar het oordeel van de rechtbank beperkt lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, waardoor geen sprake is van een zo ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit dat daarom het opleggen van een taakstraf is uitgesloten. Immers, blijkens de verklaring van de forensisch arts had het (gedeelte van het) projectiel dat als gevolg van het schot van verdachte in het been van [slachtoffer] terecht is gekomen daar kunnen blijven zitten zonder problemen op te leveren. Een operatie zou daarentegen wel schade kunnen opleveren, aldus de forensisch arts. Dat [slachtoffer] zich desondanks heeft laten opereren, waarna de vrees van de forensisch arts bewaarheid is, is naar het oordeel van de rechtbank niet een direct gevolg van het bewezenverklaarde feit en daarmee geen omstandigheid die een rol moet spelen bij de beoordeling van de vraag of het bepaalde in artikel 22b Sr al dan niet van toepassing is.

De rechtbank zal bepalen dat de taakstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft, onder voorbehoud ten aanzien van het meerdere, een vordering tot schadevergoeding van € 1.650,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2015, ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die [slachtoffer] als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook ten dele worden toegewezen, waarbij de rechtbank in ogenschouw neemt dat uit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken van het dossier is komen vast te staan dat er thans nog geen sprake is van een zogenaamde medische eindtoestand, in die zin dat [slachtoffer] nog volop in behandeling is wegens psychische klachten. Dientengevolge zal de rechtbank op grond van de nu beschikbare gegevens de schade begroten op een bedrag van € 1.000,-.

De rechtbank ziet als gevolg van het bewezenverklaarde (kort gezegd: poging tot doodslag) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTWINTIG (120) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door zestig (60) dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2015, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2015, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door twintig (20) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mr. P.H. Lauryssen en mr. T. Fuchs, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Klippel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 november 2016.

Mr. T. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De genoemde schriftelijke stukken worden slechts gebruikt in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van verhoor met nummer 2015-14 van 27 januari 2015 inhoudende de verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina’s 160 en 161.

3 Proces-verbaal met nummer PL1100-2015022700-11 van 26 januari 2015 inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], doorgenummerde pagina 80.

4 Proces-verbaal van verhoor met nummer 2015-14 van 27 januari 2015 inhoudende de verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina 162.

5 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015022700-32 van 27 januari 2015 inhoudende de verklaring van [slachtoffer], doorgenummerde pagina’s 148 en 149. Zie voorts de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte.

6 Proces-verbaal van verhoor met nummer 2015-14 van 27 januari 2015 inhoudende de verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina 162.

7 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015022700-48 van 21 februari 2015 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2], doorgenummerde pagina 113. Tevens proces-verbaal van verhoor met nummer 2015-14 van 26 januari 2015 inhoudende de verklaring van getuige [verbalisant 1], doorgenummerde pagina 126. Zo ook proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015022700-10 van 26 januari 2015 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 3], doorgenummerde pagina 130.

8 Proces-verbaal van verhoor met nummer 2015-14 van 27 januari 2015 inhoudende de verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina’s 163. Tevens proces-verbaal van verhoor met nummer 2015-14 van 26 januari 2015 inhoudende de verklaring van getuige [verbalisant 1], doorgenummerde pagina 126. Zo ook proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015022700-9 van 26 januari 2015 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 4], doorgenummerde pagina 135.

9 Proces-verbaal van verhoor met nummer 2015-14 van 27 januari 2015 inhoudende de verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina’s 163. Tevens proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015022700-48 van 21 februari 2015 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2], doorgenummerde pagina 113. Voorts proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015022700-17 van 26 januari 2015 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 5], doorgenummerde pagina 106.

10 Proces-verbaal van verhoor met nummer 2015-14 van 27 januari 2015 inhoudende de verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina’s 163.

11 Proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL1100-2015022700-43 van 2 februari 2015 inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], doorgenummerde pagina 49.

12 Proces-verbaal met nummer 2015-014 van 11 maart 2015 inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8], doorgenummerde pagina’s 170, 171 en 172.

13 Proces-verbaal van verhoor met nummer 2015-14 van 27 januari 2015 inhoudende de verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina’s 163. Zo ook de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

14 Proces-verbaal met nummer PL1100-2015022700-23 van 26 januari 2015 inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10], doorgenummerde pagina 81 en een medische verklaring betreffende [slachtoffer] d.d. 2 februari 2015, opgemaakt door D. Bos, forensisch arts, doorgenummerde pagina 84.