Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9923

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3455
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening - omgevingsvergunning funderingsherstel

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/3455

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 november 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K. Yigit),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: mr. F.P. Brouwer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij], te [woonplaats] , gemachtigde.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder omgevingsvergunning verleend aan [derde partij] voor het herstellen van de fundering van de woning aan [adres 1] .

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2015.

Verzoeker is verschenen, vergezeld door zijn vader en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden mr. F.P. Brouwer en
H. Smit, beiden werkzaam bij de gemeente Zaandam.

De derde-partij is verschenen, vergezeld door [naam 1] , aannemer.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek geschorst teneinde verzoeker en derde-partij in de gelegenheid te stellen de uit te voeren werkzaamheden door te nemen met verweerder. Er zullen in de tussentijd tijdelijke stutmaatregelen getroffen worden om schade aan beide woningen te voorkomen.

Bij brief van 13 oktober heeft verzoeker aangegeven af te zien van een nadere zitting. Desgevraagd hebben verweerder en de derde-partij op 4 november 2015 eveneens aangegeven af te zien van een nadere zitting.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten op 11 november 2015.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De woning van verzoeker aan de [adres 2] is gelegen naast de woning waar met gebruikmaking van de bestreden omgevingsvergunning funderingsherstel zal plaatsvinden.

3. Verzoeker vreest dat de werkzaamheden aanzienlijke schade aan zijn woning tot gevolg zullen hebben, zonder dat daarvoor een financiële compensatie wordt geboden. Hij betoogt allereerst dat funderingsherstel niet noodzakelijk is omdat de beoogde resultaten minimaal zullen zijn nu het naastgelegen pand eraan vast zit. De voorgevel van beide panden is één geheel. Hij stelt voorts dat de risico’s van het funderingsherstel niet zijn onderzocht. Zo is er geen onderzoek verricht naar de gemeenschappelijke voorgevel en de gemeenschappelijke (houten) tussenmuur. Bij de aanvraag zijn onvoldoende gegevens overgelegd zodat niet te toetsen is of wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Er zijn geen constructietekeningen overgelegd en in de vergunning is niet aangeven hoe in de praktijk schade zal worden voorkomen. Dat pas na verlening van de omgevingsvergunning een monitoringsplan hoeft te worden ingediend, maakt het voor verzoeker onmogelijk hierop inhoudelijk te reageren. Gelet hierop had vergunning moeten worden geweigerd, aldus verzoeker.

Verzoeker geeft aan bovendien geen privaatrechtelijke toestemming te verlenen voor het funderingsherstel van de gemeenschappelijke tussenmuur.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de omgevingsvergunning heeft verleend voor de activiteiten genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onder a (het bouwen van een bouwwerk) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betekent dat artikel 2.10 van de Wabo het toetsingskader biedt.

In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo staan de situaties opgesomd waarin de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd. Dit is het geval wanneer het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit), de Bouwverordening, het bestemmingsplan of de redelijke eisen van welstand. Deze weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer toetsingsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden. Indien dat laatste het geval is, staat het verweerder, gelet op de dwingende formulering van genoemd artikel, niet vrij om een ruimer toetsingskader te hanteren en zal hij ook aan een belangenafweging niet toekomen.

5. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat geen sprake is van een grond om de omgevingsvergunning te weigeren. Niet gebleken is dat verweerder zich in zijn standpunt dat voldaan is aan de vereisten van het Bouwbesluit heeft gebaseerd op onvoldoende, dan wel onjuiste gegevens. De aanvraag omgevingsvergunning bevat een rapport van [naam 2] – adviseur bouwkundige constructies – gedateerd 1 juni 2015 waarin constructieberekeningen terzake het funderingsherstel zijn opgenomen. Tevens zijn gedetailleerde tekeningen betrekking hebbend op de constructieve veiligheid bij de aanvraag gevoegd. Verzoeker heeft gesteld, maar niet nader onderbouwd dat deze gegevens onjuist zijn, dan wel onvoldoende zijn om vast te stellen dat wordt voldaan aan de vereisten van het Bouwbesluit. De enkele stelling van verzoeker dat van deze gegevens niet mag worden uitgegaan reeds omdat ze in opdracht van de vergunninghouder zijn opgesteld, treft geen doel. Verweerder mocht dan ook uitgaan van de bij de aanvraag gevoegde constructieberekeningen en -tekeningen. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen grond voor het oordeel dat verweerder op grond van deze gegevens ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het Bouwbesluit. Het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift dat vergunninghouder pas na afgifte van de omgevingsvergunning wordt verplicht een monitoringsplan ter voorkoming van schade te overleggen, kan evenmin leiden tot een ander oordeel. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht is deze verplichting alleen aan de orde als bij uitvoering van de werkzaamheden blijkt dat stabilisatie met palen niet afdoende is en er derhalve overgegaan moet worden tot heien. Derhalve kan niet op voorhand worden gesteld dat in het onderhavige geval een monitoringsplan dient te worden overgelegd.

Het al dan niet bieden van een financiële compensatie voor eventuele schade speelt geen rol bij de toetsing van de onderhavige aanvraag om omgevingsvergunning, nu deze grond niet valt onder één van de limitatief opgesomde weigeringsgronden als genoemd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Ook overigens is niet gebleken van weigeringsgronden. Verweerder was dan ook gehouden de omgevingsvergunning te verlenen.

6. Nu sprake is van een gebonden beschikking treft het betoog van verzoeker dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan verlening van de omgevingsvergunning geen doel.

7. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat uit de stukken in het dossier, de ter zitting overgelegde foto’s, alsmede de ter zitting gegeven toelichting door de deskundige van verweerder, H. Smit, overtuigend is komen vast te staan dat de situatie van het pand van vergunninghouder, ten tijde in geding, dusdanig slecht is dat funderingsmaatregelen geboden zijn. Nu de woningen van vergunninghouder en verzoeker met elkaar verbonden zijn is zeer voorstelbaar dat ook de fundering van woning van verzoeker kwetsbaar is. De voorzieningenrechter acht het in het belang van zowel verzoeker als vergunninghouder als zij in goed overleg de noodzakelijk te achten maatregelen treffen.

8. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen nog niet toegewezen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.