Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9910

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
4342486 AO VERZ 15-214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ. Gezamenlijke behandeling kort geding en voorwaardelijk ontbindingsverzoek. Ontslag op staande voet vóór 1 juli 2015, oud recht van toepassing. Voorwaardelijk ontbindingsverzoek gedaan ná 1 juli 2015, nieuw recht van toepassing. Geen dringende reden. Verwijtbare gedragingen worden afgewogen tegen de persoonlijke omstandigheden. Ernstig verwijtbaar handelen werknemer wordt wel aangenomen, ontbinding arbeidsovereenkomst zonder recht op een transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2169
Prg. 2016/10
AR-Updates.nl 2015-1128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie kanton-Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 4342486 / AO VERZ 15-214

datum uitspraak: 13 oktober 2015

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

de besloten vennootschap [bedrijf] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] kantoorhoudende te [plaats]

verzoekster

hierna: [de b.v.]

gemachtigde: mr. J.P. Dikker

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

verweerster

hierna: [gedaagde]

gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen

De procedure

Op 30 juli 2015 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van [de b.v.] . [gedaagde] heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 september 2015, gelijktijdig met het door [gedaagde] aanhangig gemaakte korte geding onder zaaknummer 4305848 VV EXPL 15-160. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigden van beide partijen hebben pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nog producties overgelegd.

De feiten

1.1.

[de b.v.] is leverancier van accu's, aggregaten, elektromotoren en elektrotechnische artikelen. Daarnaast verricht zij onderhoudsdiensten op dit gebied.

1.2.

[gedaagde] , geboren op [geboortedatum] 1952, is 1 oktober 2003 in dienst getreden bij [de b.v.] in de functie van receptioniste/telefoniste. Laatstelijk had [gedaagde] een loon van
€ 2.429,61 bruto (exclusief emolumenten) per maand op basis van een parttime dienstverband van 32 uur per week.

1.3.

[gedaagde] is lid van de personeelsvertegenwoordiging (pvt).

1.4.

Onderdeel van de taakomschrijving van receptioniste is het verwerken van inkomende en uitgaande post.

1.5.

Op 13 juni 2015 heeft [de b.v.] [gedaagde] op staande voet ontslagen. Dit ontslag heeft [de b.v.] bevestigd bij brief van 17 juni 2015, waarin staat: (...) Met deze brief bevestigen wij het gesprek van afgelopen zaterdagochtend 13 juni, op ons kantoor in [plaats] met u, mevrouw [XXX] en ondergetekende waarin wij u op staande voet hebben ontslagen. De reden hiervan is als volgt. U heeft uitgaande vertrouwelijke post, die in gesloten enveloppen aan u gegeven was ter verzending en die niet voor u bestemd was, zonder toestemming van ons of van de geadresseerde geopend, gelezen en vervolgens in een nieuwe envelop gedaan en alsnog verzonden. U heeft eerst ontkend maar nadat wij u vertelden dat wij hiervan bewijs hebben (getuigen, stukken), heeft u direct toegegeven dat u vertrouwelijke, niet voor u bestemde post hebt gelezen zonder dat u daarvoor toestemming had van ons of van de geadresseerde. U hebt gezegd dat u dit al geruime tijd doet en dat u ermee bent begonnen toen het bij [de b.v.] [AA] begon te rommelen. Op onze vraag waarom u het hebt gedaan, heeft u geantwoord: "puur uit nieuwsgierigheid". Deze gedragingen vormen een dringende reden voor ontslag op staande voet als bedoeld in artikel 7:678 lid 1 BW. U hebt het in u gestelde vertrouwen onherstelbaar geschaad. Op grond daarvan hebben wij zaterdagmorgen uw arbeidsovereenkomst dan ook met onmiddellijke ingang beëindigd. Bij het nemen van deze beslissing hebben wij rekening gehouden met uw persoonlijke omstandigheden, waaronder de lengte van uw dienstverband en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor u heeft. Door dit ontslag op staande voet bent u schadeplichtig omdat u ons door opzet of schuld een dringende reden hebt gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Wij behouden ons het recht voor om de gefixeerde schadevergoeding of een volledige schadevergoeding te vorderen. (...)

1.6.

In een e-mail van 15 juni 2015 heeft [gedaagde] aan een aantal medewerkers van [de b.v.] geschreven: (...) Lieve mensen hiermee wil ik jullie even melden dat mijn dienstverband per direct beeindig is bij [de b.v.] . Ik heb met vuur gespeeld en mijn vingers verbrand. (...)

1.7.

Bij brief van 26 juni 2015 heeft de gemachtigde van [gedaagde] de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet betwist wegens het ontbreken van een dringende reden. Daarbij heeft [gedaagde] zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van haar werkzaamheden en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.

Het verzoek

[de b.v.] verzoekt, voor het geval de rechter het door [de b.v.] aan [gedaagde] op 13 juni 2015 gegeven ontslag op staande voet bij onherroepelijke uitspraak vernietigt, ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding en, voor het geval aan [gedaagde] een vergoeding wordt toegekend, te bepalen dat deze alleen verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst op het in de te dezen te geven beschikking bepaalde tijdstip van ontbinding nog bestaat. Voorts verzoekt [de b.v.] , voor het geval afdeling 9 van boek 7, titel 10 BW zoals deze luidt met ingang van 1 juli 2015 van toepassing zou zijn, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 810,- te vermeerderen met rente en van € 11.807,90 bruto eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
[de b.v.] legt aan het verzoek ten grondslag:
- primair: gewichtige redenen bestaande in een dringende reden althans verandering van omstandigheden die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst dadelijk behoort te eindigen;

- subsidiair: verwijtbaar handelen van [gedaagde] zodanig dat van [de b.v.] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren althans op grond van een verstoorde arbeidsverhouding zodanig dat van [de b.v.] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

In dit verband verwijt [de b.v.] [gedaagde] dat zij zonder haar toestemming vertrouwelijke en niet aan haar geadresseerde post heeft geopend, gelezen en opnieuw verpakt alvorens deze te verzenden. Dit is volgens [de b.v.] niet alleen in juni 2015 gebeurd maar ook tenminste een keer in februari 2015. Verder zou [gedaagde] volgens [de b.v.] vertrouwelijke e-mails naar haar huisadres hebben toegestuurd en zou zij [de b.v.] ten voordele van zich zelf hebben benadeeld door met zogenoemde zakelijke spaarpunten producten voor zich zelf te bestellen. Hierdoor is het vertrouwen van [de b.v.] in [gedaagde] onherroepelijk beschadigd.
Voor wat betreft de vordering tot betaling van € 810,- voert [de b.v.] aan dat [gedaagde] zonder toestemming van [de b.v.] zogenoemde spaarpunten voor zakelijke reizen van [de b.v.] heeft gebruikt om voor privé doeleinden producten te bestellen met een totale waarde van € 810,-. Daardoor heeft zij zich zelf voor dat bedrag bevoordeeld ten nadele van [de b.v.] . Zij dient dat bedrag als schade aan [de b.v.] te betalen. Voor wat betreft de vordering tot betaling van € 11.807,90 voert [de b.v.] aan dat [gedaagde] haar door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven haar op staande voet te ontslaan, zodat [gedaagde] aan [de b.v.] een gefixeerde schadevergoeding gelijk aan loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had moeten voortduren, is verschuldigd.

Het verweer

[gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. [gedaagde] betwist de door [de b.v.] gestelde gedragingen, althans voert aan dat deze gegeven de verdere omstandigheden van het geval niet zodanig ernstig zijn dat deze moeten leiden tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Verder voert [gedaagde] aan dat het verzoek tot ontbinding verband houdt met haar lidmaatschap van de personeelsvereniging zodat (de reflexwerking van) het opzegverbod aan de ontbinding in de weg staat.

Subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [gedaagde] om toekenning van een vergoeding van € 80.687,38 bruto aan billijke vergoeding dan wel € 31.161,- aan transitievergoeding.

Ten slotte concludeert [gedaagde] tot afwijzing van de vorderingen tot betaling van € 810,- en € 11.807,90.

De beoordeling

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

Het gaat hier om een voorwaardelijk ontbindingsverzoek dat volgt op een ontslag op staande voet dat op 13 juni 2015 is verleend. Vast staat dat op de (kort geding) procedure met betrekking tot dat ontslag op staande voet het recht zoals dit luidde tot 1 juli 2015 (oud recht) van toepassing is. Het onderhavige ontbindingsverzoek is ingediend na 1 juli 2015. Desondanks betogen beide partijen dat hierop het oude recht van toepassing is omdat het volgens hen gaat om een geding dat betrekking heeft op een opzegging die is gedaan vóór

1 juli 2015.

De kantonrechter dient ambtshalve te toetsen welk recht van toepassing is. Artikel XXII lid 1 onder b van het Overgangsrecht bepaalt ten aanzien van het oude recht dat dit van toepassing blijft op een opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan voor 1 juli 2015 en op de gedingen die daarop betrekking hebben.
Een (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure kan niet worden beschouwd als een geding dat betrekking heeft op de opzegging, omdat de ontbindingsprocedure naar haar aard ziet op een andere manier van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en in zoverre geen betrekking heeft op de opzegging wegens een dringende reden, zoals in deze zaak aan de orde is. Daaraan doet niet af dat aan het voorwaardelijke ontbindingsverzoek grotendeels hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd als aan het ontslag op staande voet, omdat een ontbindingsprocedure een ander beoordelingskader heeft dan gedingen in het kader van een ontslag op staande voet. Dit betekent dat het hier aan de orde zijnde verzoek en de daarbij (subsidiair) ingestelde nevenvorderingen moeten worden beoordeeld op basis van het per

1 juli 2015 geldende recht.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [gedaagde] lid is van de personeelsvereniging. Dit opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 6 BW echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met het lidmaatschap van [gedaagde] van de personeelsvereniging. Het verzoek is immers gebaseerd op verwijtbaar handelen door [gedaagde] en/of een verstoorde arbeidsrelatie.

[de b.v.] heeft, voor het geval het per 1 juli 2015 geldende recht van toepassing zou zijn, aangevoerd dat [gedaagde] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van [de b.v.] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Daarnaast heeft [gedaagde] door haar handelen het vertrouwen van [de b.v.] in haar ernstig beschaamd, waardoor de arbeidsrelatie tussen partijen zodanig is verstoord dat herstel daarvan niet meer mogelijk is (artikel 7:669 lid 3 sub g BW), aldus [de b.v.] . Het door [de b.v.] in dit verband gestelde handelen wordt door [gedaagde] betwist, althans gerelativeerd gelet op de verdere omstandigheden.

De kantonrechter overweegt als volgt. Onder verwijzing naar hetgeen in het kort geding vonnis tussen [gedaagde] en [de b.v.] (onder zaaknummer 4305848 VV EXPL 15-160 ) is overwogen, staat voldoende vast dat [gedaagde] tenminste twee maar mogelijk meer gesloten enveloppen die niet aan haar waren geadresseerd heeft geopend waardoor zij in staat was kennis te nemen van de daarin te versturen stukken. Zoals ook in dat vonnis is overwogen, kunnen de redenen die [gedaagde] hiervoor heeft opgegeven (de plakstrip van de envelop of de adressticker was niet goed) niet overtuigen. Het verweer van [gedaagde] dat zij uit de aard van haar functie veelvuldig te maken had met vertrouwelijke post, doet niet af aan het laakbare van haar gedragingen. [de b.v.] stelt zich terecht op het standpunt dat haar vertrouwen in [gedaagde] door deze gang van zaken ernstig is geschonden. Voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] vaker niet voor haar bestemde post heeft geopend. Dit blijkt uit de door [de b.v.] overgelegde verklaring van [YYY] van 22 juli 2015 waarin onder meer staat: "(...) Op woensdag 25 februari zag ik op het achterste bureau een aantal vertrouwelijke poststukken liggen die niet in enveloppen zaten. Deze stukken kon ik plaatsen en hadden betrekking op de vertrouwelijke case betreffende rechtszaken tegen [ZZZ] . [gedaagde] liet mij tot mijn verbazing zien dat zij deze stukken gekopieerd had. Ze liet mij de kopieën in haar tas zien. (...)" en uit de verklaring van [QQQ] waarin staat dat zij op 25 februari 2015 aan [gedaagde] brieven ter attentie van de in de verklaring van [YYY] genoemde personen in gesloten enveloppen had overhandigd. Voorts is opvallend dat, toen [de b.v.] op 12 juni 2015 voor de eerste keer ging testen of [gedaagde] niet aan haar gerichte post openmaakte, [gedaagde] meteen in de fuik liep.

[gedaagde] heeft hiermee ervan blijk gegeven niet integer te handelen. Dat kan ook worden afgeleid uit de omstandigheid dat zij de zakelijk verkregen spaarpunten voor reizen van medewerkers van [de b.v.] heeft gebruikt voor de aanschaf van privé producten. Het verweer van [gedaagde] dat [de b.v.] haar heeft aangegeven dat zij van deze punten wel eens iets voor zich zelf mocht bestellen, is door [de b.v.] betwist en door [gedaagde] niet nader onderbouwd. De omstandigheid dat er ten aanzien van deze spaarpunten kennelijk geen protocol of reglement gold, maakt niet dat [gedaagde] deze punten naar eigen goeddunken kon besteden. Ook de omstandigheid dat eens in de zoveel tijd punten moesten worden gebruikt omdat ze anders zouden vervallen, kan het privé gebruik van de punten niet rechtvaardigen. Hoewel aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat het twee keer in privé gebruik maken van de zakelijke punten wellicht onvoldoende is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, kan in dit handelen wel steun worden gevonden voor de stelling van [de b.v.] dat zij het vertrouwen in [gedaagde] door haar eigen toedoen is verloren.

Het verwijt van [de b.v.] dat [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfsinformatie naar haar privé
e-mailadres heeft verzonden, laat de kantonrechter verder buiten beschouwing. De kantonrechter kan uit de overgelegde e-mails onvoldoende opmaken dat het gaat om zodanig vertrouwelijke bedrijfsinformatie dat werknemers daarvan niet op een andere plek dan op kantoor bij [de b.v.] kennis zouden mogen nemen. Hieruit kan het beschaamde vertrouwen dus niet worden afgeleid. Dat laat onverlet dat de eerder genoemde omstandigheden (tezamen) al voldoende zijn om de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen.

Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat herplaatsing van [gedaagde] niet in de rede ligt.

De conclusie is gelet op het bovenstaande dan ook dat [gedaagde] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van [de b.v.] in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Het verzoek van [de b.v.] zal worden toegewezen en de arbeidsovereenkomst zal met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 december 2015. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

Vergoeding

Nu het nieuwe recht van toepassing is, heeft de kantonrechter niet langer de vrijheid om een vergoeding naar billijkheid vast te stellen op grond van de kantonrechterformule. [gedaagde] heeft wel een verzoek gedaan om [de b.v.] te veroordelen een transitievergoeding te betalen. [de b.v.] meent dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [gedaagde] zodat zij op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW geen transitievergoeding is verschuldigd. Met [de b.v.] is de kantonrechter is van oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [gedaagde] omdat, zoals hiervoor reeds is overwogen, voldoende is gebleken dat [gedaagde] welbewust vertrouwelijke, niet voor haar bestemde post heeft geopend met het doel hiervan kennis te nemen, waardoor het vertrouwen in [gedaagde] ernstig is geschaad. [gedaagde] , wiens enige taak het was de reeds gesloten enveloppen van adresstickers te voorzien en te verzenden, had kunnen en moeten begrijpen dat het haar niet was toegestaan de enveloppen te openen en van de inhoud daarvan kennis te nemen. Ook ten aanzien van het gebruiken van de “spaarpunten” heeft [gedaagde] niet integer gehandeld. Zij had tevens moeten beseffen dat zij door haar handelen het vertrouwen in haar ernstig zou beschamen. Een werkgever mag en moet er op kunnen vertrouwen dat haar werknemers eerlijk en integer handelen. Evenwel heeft [gedaagde] er zelfs ter zitting geen blijk van gegeven het laakbare van haar handelen in te zien.

Gefixeerde schadevergoeding

Nu in het kort geding vonnis tussen [de b.v.] en [gedaagde] (onder zaaknummer 4305848 VV EXPL 15-160) is geoordeeld dat de gedragingen van [gedaagde] het ontslag op staande voet niet kunnen dragen, kan [de b.v.] geen aanspraak maken op gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW. Deze (neven)vordering dient dan ook te worden afgewezen.

Schadevergoeding

Ten aanzien van de vordering tot betaling van € 810,- is de kantonrechter van oordeel dat deze wel toewijsbaar is. Zoals hiervoor reeds is overwogen was het [gedaagde] niet toegestaan zakelijk verkregen spaarpunten te gebruiken voor de aanschaf van privé producten. Daarmee heeft [gedaagde] zich zelf bevoordeeld ten nadele van [de b.v.] . [gedaagde] dient dit bedrag, waarvan de hoogte overigens niet wordt betwist, dan ook terug te betalen aan [de b.v.] . De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar met ingang van de datum van het verzoekschrift, zijnde 30 juli 2015, nu een eerdere verzuimdatum niet is gesteld of gebleken.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt.

De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2015, voor zover in rechte komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 810,- aan [de b.v.] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking tot de dag van voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [de b.v.] tot en met vandaag vaststelt op € 866,-, te weten:

griffierecht € 466,-

salaris gemachtigde € 400,-;

wijst af het anders of meer verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter en op 13 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter