Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9904

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
C/15/226349/FA RK 15-2861
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek meerderjarigenadoptie door stiefvader.

Betrokkenen hebben niet aangetoond welke gevolgen de weigering van de adoptie voor hun bestaande gezinsleven heeft, zodat er sprake zou zijn van een ongeoorloofde inmenging als bedoeld in artikel 8 EVRM, die terzijdestelling van de nationale en dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a BW, rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

adoptie

zaak-/rekestnr.: C/15/226349 / FA RK 15-2861

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 11 november 2015

in de zaak van:

[naam stiefvader],

wonende te Hoorn,

hierna mede te noemen: de stiefvader,

advocaat: mr. R.D. de Boer, kantoorhoudende te Berkhout,

-tegen-

[naam vader],

wonende te Purmerend,

hierna mede te noemen: de vader,

strekkende tot de adoptie van

- [naam kind 1], geboren op [geboortedatum 1] in de gemeente Alkmaar;

- [naam kind 2], geboren op [geboortedatum 2] in de gemeente Alkmaar,

in welke zaak belanghebbende is:

[naam moeder],

wonende te Hoorn,

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.D. de Boer, kantoorhoudende te Berkhout.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de stiefvader, ingekomen op 18 mei 2015;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van verzoekers van 21 mei 2015, ingekomen op 26 mei 2015;

- het gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, van de stiefvader, ingekomen op 11 juni 2015.

- de brief van de vader van 27 augustus 2015, ingekomen op 28 augustus 2015.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 september 2015 in aanwezigheid van de stiefvader, bijgestaan door mr. R.D. de Boer, alsmede de moeder, [kind 2] en [kind 1].

2 Feiten en omstandigheden

De thans meerderjarige [kind 2] en [kind 1] zijn geboren uit het huwelijk van de moeder en de vader. Zij hebben daarbij van rechtswege de geslachtsnaam [achternaam vader] gekregen. Het huwelijk van de ouders is op 6 augustus 1990 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van de arrondissementsrechtbank Alkmaar van 5 juli 1990 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Alkmaar van 26 april 1991 is de moeder benoemd tot voogd over - de destijds minderjarige- [kind 2] en [kind 1] en de vader tot toeziend voogd.

De moeder en de stiefvader zijn op 20 oktober 1990 gaan samenwonen en op [trouwdatum] gehuwd.

Bij koninklijk besluiten van 9 april 2001 van het (destijds zo genoemde) Ministerie van Justitie is de geslachtsnaam van [kind 2] en [kind 1] gewijzigd in [achternaam stiefvader].

3 Beoordeling

3.1

Het verzoek strekt ertoe, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de adoptie door de stiefvader van [kind 2] en [kind 1] uit te spreken.

3.2

Bij de stukken bevindt zich een door de vader ondertekende referteverklaring, waarin hij heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen het verzochte. Bij brief van 27 augustus 2015 heeft de vader voorts aangegeven dat hij niet ter zitting aanwezig zal zijn omdat hij reeds 25 jaar geen contact heeft gehad met de kinderen en het voor hem te pijnlijk is om met hen rondom de tafel te gaan zitten. De vader hoopt dat er voor alle partijen rust zal komen en dit afgesloten kan worden. Hij wenst de kinderen het allerbeste toe.

3.3

Bij de stukken bevindt zich een instemmingsverklaring van de moeder, waarin zij heeft aangegeven in te stemmen met het verzoek van de stiefvader.

3.4

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 1:228 lid 1, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt onder meer als voorwaarde voor adoptie dat het te adopteren kind op de dag van het (eerste) verzoek minderjarig is.

3.5

Het onderhavige verzoek is het eerste adoptieverzoek van de stiefvader. Zowel [kind 1] en [kind 2] zijn reeds langere tijd meerderjarig, nu zij respectievelijk 28 en 26 jaar oud zijn. Daarmee is niet voldaan aan voornoemd vereiste van minderjarigheid, hetgeen volgens voornoemd wetsartikel reeds om die reden tot een afwijzing van het verzoek tot adoptie zou moeten leiden.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de wetgever bij meerdere wetswijzigingen (onder andere in 1968, 1978, 1979, 1988, 1998 en 2009) bewust heeft vastgehouden aan het minderjarigheidsvereiste. Dat in de loop der jaren de kinderbeschermingsgedachte niet meer voorop staat, zoals namens de stiefvader is aangevoerd, heeft niet gemaakt dat de wetgever dit uitgangspunt heeft verlaten. Dat maakt dat in het Nederlandse recht de adoptie nog steeds alleen betrekking heeft op minderjarigen. De rechter heeft niet de vrijheid om van een dwingendrechtelijke wetsbepaling af te wijken op grond van de omstandigheden van het geval. In artikel 1:228 BW staan meerdere dwingendrechtelijke vereisten, zoals een leeftijdsverschil van 18 jaar en het in deze zaak aan de orde zijnde minderjarigheidsvereiste. Behalve op het gebied van familierechtelijke betrekkingen heeft adoptie ook vergaande gevolgen op erfrechtelijk en fiscaal (rechts)gebied. De rechter dient zich terughoudend op te stellen en kan op grond van nationale wetgeving niet afwijken van het bepaalde in artikel 1:228, lid 1, aanhef en onder a BW.

3.6

De rechter dient vervolgens te beoordelen of de nationale bepaling tot weigering van de adoptie van een meerderjarige, buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met het internationale recht. De stiefvader heeft aangevoerd dat er in dit geval sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, op grond waarvan het bepaalde in artikel 1:228 eerste lid, aanhef en onder a BW een inbreuk is op het beschermde gezinsleven zoals bepaald in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.7

De rechtbank stelt voorop dat het recht op adoptie als zodanig niet behoort tot één van de door het EVRM beschermde rechten. Het feit dat adoptie niet mogelijk is zonder dat wordt voldaan aan de voorwaarden die de nationale wet stelt, kan in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inmenging in de zin van artikel 8 EVRM. Het enkele feit dat door weigering van de adoptie een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch familieverband levert derhalve geen inbreuk op artikel 8 EVRM op. Onder omstandigheden kan de weigering om een adoptie toe te staan wel een inbreuk op artikel 8 EVRM met zich brengen. In dat geval dient sprake te zijn van zeer bijzondere omstandigheden die een terzijdestelling van de nationale en dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a BW rechtvaardigen.

3.8

De stiefvader heeft in zijn verzoekschrift als zeer bijzondere omstandigheden het volgende aangevoerd. De kinderen hebben vanaf hun respectievelijke leeftijden van één en drie jaar, aldus bijna hun hele leven, in gezinsverband geleefd met de moeder en de stiefvader. De stiefvader heeft reeds vanaf het samenwonen met de moeder volledig de vaderrol vervuld. De kinderen hebben vanaf 1990 geen contact meer met hun vader. Zij hebben reeds hun geslachtsnaam laten wijzigen in die van de stiefvader. Na ontvangst van een brief van de (toenmalige) arrondissementsrechtbank Alkmaar van 24 maart 2000 zijn de moeder en de stiefvader ervan uitgegaan dat adoptie van de kinderen door de stiefvader niet mogelijk was. Het gezin heeft de afgelopen jaren veel meegemaakt op persoonlijk vlak, zowel medisch als financieel, waardoor de aandacht gevestigd is geweest op de zorg voor het gezin.

3.9

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het voor de stiefvader niet eerder mogelijk is geweest om een verzoek tot adoptie in te dienen. De door de stiefvader daartoe aangevoerde omstandigheden, onder andere de financiën en de medische omstandigheden van betrokkenen, zijn daartoe onvoldoende.

De door de stiefvader genoemde brief van de arrondissementsrechtbank Alkmaar van 24 maart 2000 is een antwoord op het verzoek van de moeder om de stiefvader tot toeziend voogd te benoemen in plaats van de vader. De arrondissementsrechtbank Alkmaar heeft op dit verzoek geantwoord dat de regeling inzake de toeziende voogdij met ingang van 6 april 1995 is komen te vervallen en zij de moeder aldus niet van dienst kan zijn. De rechtbank kan de stiefvader niet volgen in zijn stelling dat uit voornoemde brief kon worden afgeleid of begrepen dat de stiefvader de kinderen niet zou kunnen adopteren.

Ter zitting is gebleken dat de stiefvader en de moeder ook wel wisten dat de mogelijkheid tot adoptie bestond, ook ná de brief van de arrondissementsrechtbank Alkmaar, maar dat zij een dergelijke procedure tijdens de minderjarigheid van de kinderen niet konden betalen. Die financiële beperking geldt nog steeds, maar [kind 2] heeft samen met een oom de huidige procedure financieel mogelijk gemaakt. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het verhandelde ter zitting, dat de stiefvader het verzoek ook vooral heeft ingediend naar aanleiding van de wens van [kind 2] om door hem te worden geadopteerd.

[kind 2] ziet de stiefvader als haar vader en zou willen dat hij dat ook echt is. Nu dat biologisch niet mogelijk is, ziet zij in de adoptie een mogelijkheid om in ieder geval juridisch de stiefvader als vader te hebben. Ook is [kind 2] van mening dat de stiefvader na al zijn goede zorgen voor het gezin, het “verdient” om ook juridisch de status te krijgen van een vader voor haar en [kind 1]. Zij vindt het oneerlijk en onrechtvaardig dat een man die zij en [kind 1] niet kennen hun juridische vader is. [kind 2] heeft aangegeven psychisch te lijden onder het feit dat de juridische status van de stiefvader niet is geregeld. Zij vreest dat, indien haar moeder er niet meer is, haar biologische vader zeggenschap over haar zal hebben indien een levensbedreigende medische situatie een zodanige beslissing vereist. Ook wil zij niet dat de vader van haar kan erven.

De stiefvader heeft naar een aantal uitspraken verwezen waarin het minderjarigheidsvereiste met een beroep op artikel 8 EVRM opzij is geschoven. De rechtbank is van oordeel dat de in die uitspraken genoemde omstandigheden niet vergelijkbaar zijn. De minderjarigheidsgrens is in dit geval met meer dan 10 en 8 jaar overschreden, er zijn geen andere kinderen in het gezin die geadopteerd zijn of ‘eigen’ kinderen zijn van de stiefvader en de moeder, waardoor er een ongelijkheid door de kinderen wordt ervaren. De betrokkenen hebben met elkaar een gezinsleven, dragen dezelfde achternaam en vormen een eenheid. Erfkwesties kunnen door middel van een testament waarbij een ouder wordt onterfd worden geregeld. Medische situaties kunnen eveneens geregeld worden met een levenstestament.

3.10

De rechtbank begrijpt dat, zoals ter zitting ook door betrokkenen is bevestigd, de adoptie een sluitstuk is voor betrokkenen van een reeds meer dan 25 jaar bestaande gezinssituatie. Het is voor de kinderen, en dan met name voor [kind 2], een bekroning voor de liefdevolle vaderrol die de stiefvader al die jaren -en nog steeds- vervult. Hoewel de rechtbank de achterliggende emoties en de wens van betrokkenen begrijpelijk acht, hebben de betrokkenen niet aangetoond welke gevolgen de weigering van de adoptie voor hun bestaande gezinsleven heeft, zodat er sprake zou zijn van een ongeoorloofde inmenging als bedoeld in artikel 8 EVRM, die terzijdestelling van de nationale en dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a BW, rechtvaardigen.

De rechtbank zal het verzoek van de stiefvader tot adoptie van de kinderen dan ook afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.