Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9857

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
C/14/159280/FA RK 14-2672
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

“Verdeling, uitsluitingsclausule en vergoedingsrecht”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

RvD

Zaak- en rekestnummers: C/14/159280 / FA RK 14-2672 en C/15/224561/FA RK 15/2006

Beschikking van 11 november 2015 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam man],

wonende te Broek op Langedijk, gemeente Langedijk,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. F.R. Menso, gevestigd te Alkmaar,

tegen

[naam vrouw],

wonende te Broek op Langedijk, gemeente Langedijk,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. Y.A.R. Seen, gevestigd te Noord-Scharwoude.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 24 december 2014;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met producties, van de vrouw, ingekomen op 19 februari 2015;

- het formulier verdelen en verrekenen van de vrouw, ingekomen op 19 februari 2015;

- de akte wijziging zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 9 maart 2015;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, met productie, van de man, ingekomen op 20 maart 2015;

- het formulier verdelen en verrekenen van de man, ingekomen op 10 april 2015.

- de correspondentie waaronder:

 het bericht van 28 september 2015, met producties 13 tot en met 18, van de vrouw, ingekomen op 29 september 2015.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 oktober 2015, alwaar zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. Menso voornoemd en de vrouw, bijgestaan door mr. Seen voornoemd.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen op [datum huwelijk] te Heerhugowaard.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.2.2.

De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.

2.2.3.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.

Woning

2.3.1.

Ter zitting heeft de man zijn verzoek tot het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden ingetrokken, zodat dit geen bespreking meer behoeft.

2.3.2.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man de volledige kosten van de woning zal blijven voldoen totdat de woning verkocht is, aangezien de man de woning bewoont. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat de man de door haar betaalde hypotheeklasten met terugwerkende kracht vanaf december 2014 dient terug te betalen, aangezien bij de beschikking voorlopige voorziening van 11 december 2014 het gebruiksrecht van de woning aan de man is toegekend. De vrouw stelt dat zij altijd de helft van de helft van de eigenaarslasten is blijven voldoen en dat zij ook de helft van de hypotheekrenteaftrek heeft genoten. De woning is inmiddels (onder voorbehoud) verkocht en zal naar verwachting in december 2015 geleverd worden. De vrouw vordert primair een bedrag van € 4.891,44 netto van de man.

2.3.3.

De man heeft gevraagd dit verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij meent dat partijen ieder de helft van de woonlasten dienen te voldoen. Volgens de man ontvangt de vrouw de volledige hypotheekrenteaftrek.

2.3.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:172 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn partijen gehouden om op grond van hun mede-eigendom ieder de helft van de eigenaarslasten (waaronder de hypotheeklasten en de premie van de aan de hypotheek verbonden levensverzekering(en)) van de woning te voldoen tot aan overdracht van de woning. Degene die de woning bewoont, moet de volledige gebruikerslasten voldoen. Dit betekent dat het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

2.3.5.

Ter zitting heeft de vrouw, in haar pleitnotities, nog een aanvullend subsidiair verzoek tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding ten laste van de man van € 338,50 per maand gedaan. Zij heeft de gebruiksvergoeding berekend op basis van 4% van de helft van de overwaarde.

De man heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek van de vrouw. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw dit verzoek te laat heeft ingediend en dat hij onvoldoende gelegenheid heeft om zich daartegen te verweren.

De rechtbank overweegt dat de vrouw in beginsel het recht heeft om haar verzoek schriftelijk te vermeerderen zolang er nog geen eindbeschikking is gewezen. Echter, nog los van het feit dat een vermeerdering van het verzoek niet kan geschieden in pleitnotities, is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek als tardief en derhalve in strijd met de goede procesorde moet worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is bovendien dat het voor de vrouw niet mogelijk is geweest om dit verzoek op een eerder moment in te dienen.

2.4.

Verdeling

2.4.1.

De vrouw heeft ten aanzien van de verdeling van de tussen partijen bestaande ontbonden huwelijksgoederengemeenschap verzocht te bepalen dat:

2. ieder bod op de gezamenlijke woning van € 400.000,00 of hoger, door partijen geaccepteerd dient te worden;

3. (na akte wijziging, ontvangen op 9 maart 2015) bij verkoop van de woning eerst de hypothecaire geldlening afgelost zal worden en de overwaarde vervolgens bij helfte verdeeld dient te worden;

4. de inboedel verdeeld dient te worden zoals opgenomen in productie 2;

5. de man de Fiat Panda toebedeeld dient te krijgen en de vrouw de Opel Meriva;

6. de aandelen verkocht dienen te worden en de opbrengst daarvan in mindering zal worden gebracht op de hypothecaire schuld, dan wel bij helfte verdeeld dient te worden;

7. de bankrekeningen van partijen opgeheven dienen te worden en de waarde van de rekeningen bij helfte verdeeld dienen te worden;

8. de verzekeringen van partijen afgekocht dienen te worden en de opbrengst daarvan in mindering zal worden gebracht op de hypothecaire schuld, dan wel bij helfte verdeeld dient te worden;

9. eventuele belastingaanslagen c.q. teruggaven bij helfte verdeeld dienen te worden;

10. de pensioenen van partijen vereffend dienen te worden, conform de standaardregeling in artikel 1:155 BV juncto artikel 3 lid 1 Wet VPS en artikel 57 lid 1, lid 2 respectievelijk lid 3 Pensioenwet.

2.4.2.

De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de verzoeken genoemd onder 2, 4, 8, 9 en 10. Hij vraagt de verzoeken onder 3, 5, 6 en 7 af te wijzen.

2.4.3.

Als peildatum voor het bepalen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft te gelden de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 24 december 2014.

2.4.4.

Vast staat dat de volgende activa en passiva op de peildatum onderdeel uitmaakten van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap:

  1. De echtelijke woning aan de [adresgegevens] te Broek op Langedijk

  2. ASR Wel Thuis hypotheek 001295900101

  3. Polis Nationale Nederlanden (verbonden aan hypotheek) 9359391

Polis Nationale Nederlanden 9277884

Polis Nationale Nederlanden 7552775

Belegging Binck Bank 252703693

Aandelen Aegon

Aandelen Wessanen

Auto’s

Opel Meriva [kenteken 1]

Fiat Panda [kenteken 2]

Saldi bankrekeningen

ASN [rekening 1]

ABN AMRO [rekening 2]

ASN [rekening 3]

ASN [rekening 4]

ASN [rekening 5]

ABN AMRO [rekening 6]

ABN AMRO [rekening 7]

ABN AMRO [rekening 8]

Inboedel

Verrekenposten

Belastingteruggaven/aanslagen

2.4.5.

Ter zitting heeft de vrouw bevestigd dat de rechtbank de verzoeken mag begrijpen aldus dat verzocht wordt de verdeling van de activa vast te stellen en waar dit niet mogelijk is de wijze van verdeling te gelasten. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor zover partijen op onderdelen overeenstemming hebben bereikt, de rechtbank ingevolge artikel 3:185 BW niet bevoegd is om daarover te beslissen.

Ad a, b en c) Woning, hypotheek en verzekeringspolissen (3x)

2.4.6.

Ter zitting is gebleken dat de woning inmiddels is verkocht. Op 24 september 2015 is het voorlopig contract getekend voor een koopsom van € 403.000,00. Daarom heeft de vrouw haar verzoek zoals genoemd onder 2 ingetrokken. De hypotheek op de woning bedroeg op 1 oktober 2014 € 199.897,49, zodat sprake is van een overwaarde.

Op grond van artikel 1:100 BW hebben beide partijen in beginsel recht op de helft van de netto verkoopopbrengst.

2.4.7.

Aanvankelijk heeft de vrouw onder 3 verzocht te bepalen dat bij verkoop van de woning eerst de hypothecaire lening afgelost zal worden, de man vervolgens € 15.000,00 toebedeeld krijgt en het resterende gedeelte bij helfte verdeeld dient te worden. Na wijziging van haar verzoek heeft de vrouw gevraagd te bepalen dat bij verkoop van de woning eerst de hypothecaire geldlening afgelost zal worden en de overwaarde vervolgens bij helfte verdeeld dient te worden.

De man heeft gevraagd om dit verzoek af te wijzen en gesteld dat hij van zijn ouders tweemaal een schenking onder uitsluitingsclausule heeft ontvangen met een totaalbedrag van € 20.000,00 (op 23 december 2013 € 5.000,00 en op 1 september 2014 € 15.000,00). Dit bedrag valt niet in het gemeenschappelijk vermogen en dient eerst te worden afgetrokken van de overwaarde op de woning, alvorens tot verdeling kan worden overgegaan. Ter onderbouwing verwijst de man naar producties 1 en 2 bij zijn verweerschrift op zelfstandige verzoeken.

De vrouw heeft dit betwist. Zij stelt dat de man in september 2014 inderdaad een schenking van zijn ouders heeft ontvangen van € 15.000,00, welk bedrag is afgelost op de hypotheek. Het betreft volgens de vrouw echter geen schenking onder uitsluitingsclausule en ook geen bedrag van € 20.000,00. Bovendien is de schenking op de gezamenlijke rekening van partijen gestort. De schenkingsovereenkomst is volgens de vrouw pas later, nadat partijen al in scheiding lagen, door de ouders van de man opgemaakt. De vrouw stelt derhalve dat de overeenkomst is geantidateerd. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de schenkingen wel bij uitsluiting zijn gedaan, stelt de vrouw zich op het standpunt dat het bedrag in de gemeenschap is gevallen en dat partijen deze hebben opgesoupeerd, dan wel niet meer als zodanig traceerbaar is.

2.4.8.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:94 BW, tweede lid, vallen in beginsel alle goederen van de echtgenoten in de gemeenschap, met uitzondering van – voor zover thans van belang – a. goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen. Dat in het onderhavige geval sprake is van voornoemde uitsluiting ten aanzien van beide schenkingen heeft de man naar het oordeel van de rechtbank aangetoond. Immers, aan de schenking van € 15.000,00 ligt een schenkingsovereenkomst van 1 september 2014 ten grondslag, waarin de ouders van de man onder meer het volgende hebben verklaard: “deze schenking, de opbrengst daarvan en alles wat hiervoor in de plaats treedt, zullen buiten iedere huidige of toekomstige goederengemeenschap vallen waarin de ontvanger getrouwd is of zal trouwen.”. Anders dan de vrouw, heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de overeenkomst geantidateerd zou zijn, aangezien op het door de man overgelegde bankafschrift als omschrijving bij de overboeking op 1 september 2014 vermeld staat: “Schenking aan [naam man] volgens overeenkomst (ivm verruimde schenkingsregeling).” Aan de schenking van € 5.000,00 ligt geen schenkingsovereenkomst ten grondslag, maar daarbij staat op het bankafschrift bij de overboeking op 23 december 2013 als omschrijving vermeld: “Belastingvrije schenking 2013, met uitsluitingsclausule alsmede uitsluiting van eventuele rente en vruchtgebruik.”. De man stelt zich derhalve terecht op het standpunt dat de schenkingen niet in het gemeenschappelijk vermogen vallen. Als gevolg van het feit dat - in ieder geval de schenking van € 15.000,00 - in het gemeenschappelijk vermogen is geïnvesteerd, is aan de zijde van de man een vergoedingsrecht in de zin van artikel 1:87 BW jegens de gemeenschap is ontstaan. Dat ter zake van de schenking van € 5.000,00 eveneens een vergoedingsrecht is ontstaan, heeft de man onvoldoende onderbouwd. Niet duidelijk is waar dit bedrag aan is besteed. Op het vergoedingsrecht van de man is de beleggingsleer van toepassing. Nu partijen echter hebben nagelaten om te stellen wat toepassing van de beleggingsleer zou betekenen en evenmin feitelijke gegevens daaromtrent hebben verschaft, kan de rechtbank daarover geen oordeel geven.

2.4.9.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning vaststelt aldus, dat van de netto verkoopopbrengst van de woning eerst een bedrag van € 15.000,00 aan de man zal worden voldaan, waarna het restant van de overwaarde bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij ieder recht hebben op de helft van de waarde van de drie verzekeringspolissen bij Nationale Nederlanden. De aan de hypotheek verbonden verzekering zal vrijvallen bij het aflossen van de hypotheek. Partijen zijn het erover eens dat de andere twee verzekeringen worden afgekocht.

d) Belegging Binck Bank

2.4.10.

Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de aandelenportefeuille bij Binck Bank aan de man wordt toegedeeld. Partijen twisten over de waarde van de portefeuille.

Omdat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de waarde peildatum en evenmin duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over de huidige waarde van de aandelenportefeuille, zal de rechtbank de wijze van verdeling gelasten aldus, dat de portefeuille aan de man wordt toegedeeld onder de verplichting van de man om de helft van de waarde op de datum van deze beschikking aan de vrouw te voldoen en de vrouw inzage in deze waarde te verschaffen.

e) Auto’s

2.4.11.

Partijen zijn het erover eens dat de Fiat Panda tegen een waarde van € 1.000,00 aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting van de man om € 500,00 aan de vrouw te voldoen. Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat de Opel Meriva tegen een waarde van € 6.500,00 aan de vrouw wordt toegedeeld, onder de verplichting om € 3.250,00 aan de man te voldoen.

f) Saldi bankrekeningen

2.4.12.

Ter zitting is gebleken dat de man de rekening bij ASN met nummer [rekening 1] in december 2014 heeft geopend ten behoeve van zijn salaris. De vrouw heeft in dezelfde periode een bankrekening bij de Rabobank, eindigend op 577 (volledig nummer onbekend), geopend ten behoeve van haar salaris. Naar de rechtbank begrijpt, zijn partijen het er ten aanzien van deze twee bankrekeningen over eens dat ieder der partijen het op zijn/haar naam staande saldo behoudt, zonder nadere verrekening, en dat ieder der partijen de op zijn/haar naam staande rekening voortzet.

2.4.13.

Ter discussie staat nog de verdeling van de saldi op de volgende bankrekeningen:

ABN AMRO [rekening 2]

ASN [rekening 3] (spaarrekening)

ASN [rekening 4] (spaarrekening)

ASN [rekening 5] (spaarrekening)

ABN AMRO [rekening 6] ([naam 1])

ABN AMRO [rekening 7] (betaalrekening partijen)

ABN AMRO [rekening 8] ([naam 2])

2.4.14.

De vrouw stelt voor om de bij haar bekende bankrekeningen op te heffen en de saldi bij helfte tussen partijen te delen. Zij meent dat er nog meer bankrekeningen zijn, maar daar heeft zij geen inzage in. Er is nog een Visa Card en een Raborekening. De vrouw verzoekt de man inzage te verschaffen in alle bij hem bekende rekeningen.

De man meent dat de waarde dient te worden genomen per datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding. De man betwist dat er nog meer bankrekeningen zijn.

2.4.15.

De rechtbank constateert dat partijen geen afspraak hebben gemaakt over de waarde peildatum van de saldi op de bankrekeningen. De rechtbank is niet in staat om te beoordelen of de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat in het onderhavige geval afgeweken moet worden van het uitgangspunt dat voor de waardering de datum van feitelijke verdeling geldt, aangezien partijen hebben nagelaten om door middel van bankafschriften inzicht te bieden in de saldi op 24 december 2014 en het verloop daarna. Ook niet duidelijk is wat de tenaamstelling is van de rekeningen, wie welke rekening voortzet en of er rekeningen opgeheven zullen worden. Dit betekent dat de rechtbank de wijze van verdeling zal gelasten aldus, dat de saldi op de onder 2.4.13. genoemde rekeningen per de datum van deze beschikking bij helfte gedeeld dienen te worden. Op grond van de wet zijn partijen reeds gehouden om eventuele debetstanden bij helfte te dragen. De rechtbank gaat ervan uit dat ieder der partijen in beginsel de op zijn/haar naam staande rekening voortzet en dat de gezamenlijke rekeningen worden opgeheven.

De vrouw, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk gemaakt dat er nog een Visa Card of Rabobankrekening is, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat deze er niet zijn. De rechtbank wijst partijen evenwel op artikel 3:194, tweede lid, BW waarin vermeld staat dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten.

g) Inboedel

2.4.16.

Gebleken is dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de inboedel zoals vermeld op de door de vrouw als productie 2 overgelegde lijst, doch dat de feitelijke verdeling nog niet heeft plaatsgevonden. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de man de goederen die op grond van de lijst aan de vrouw toekomen in de woning achterlaat wanneer hij deze op 2 december 2015 verlaat. De man zal geen overige goederen/afval in de woning achterlaten. Los van het feit dat de vrouw eerst ter zitting in haar pleitnotities heeft verzocht hieraan een dwangsom te verbinden en dit verzoek dus reeds op formele gronden dient te worden afgewezen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor toewijzing van dit verzoek.

h) Belastingteruggaven/aanslagen

2.4.17.

De vrouw heeft voorgesteld de eventuele belastingteruggaven c.q. aanslagen 2014 en 2015 bij helfte te verdelen. Zij stelt geen inzage te hebben in de aangifte door de man. De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ter zitting hebben partijen tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wie de hypotheekrenteaftrek heeft genoten.

De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten aldus, dat partijen gehouden zijn om de belastingteruggaven die ontvangen zijn na 24 december 2014 en die zien op de huwelijkse periode, bij helfte te verdelen en dat partijen gehouden zijn om elkaar wederzijds inzage te verschaffen in de betreffende stukken. Uit de wet volgt reeds dat partijen gehouden zijn om de belastingaanslagen die zien op de huwelijkse periode bij helfte te dragen.

Pensioenverevening

2.4.18.

Het verzoek van de vrouw ter zake van de pensioenverevening zal, wegens gebrek aan belang, worden afgewezen, nu uit de wet Pensioenverevening en de Pensioenwet reeds volgt dat verevening/verdeling van het ouderdomspensioen respectievelijk het nabestaandenpensioen dient plaats te vinden. De rechtbank gaat voorbij aan de enkele stelling van de vrouw ter zitting dat de man weigert een volledig overzicht van zijn pensioenen aan te leveren, nu de vrouw heeft nagelaten daaraan een verzoek te verbinden.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Heerhugowaard op [huwelijksdatum];

3.2.

stelt de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning vast aldus, dat van de netto verkoopopbrengst van de woning eerst een bedrag van € 15.000,00 aan de man zal worden voldaan, waarna het restant van de overwaarde bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld;

3.3.

gelast de wijze van verdeling van de overige tot de ontbonden gemeenschap behorende goederen aldus, dat:

 de aandelenportefeuille bij Binck Bank aan de man wordt toegedeeld onder de verplichting van de man om de helft van de waarde op de datum van deze beschikking aan de vrouw te voldoen en de vrouw inzage in deze waarde te verschaffen;

 de saldi op de onder 2.4.13. genoemde rekeningen per de datum van deze beschikking bij helfte tussen partijen verdeeld dienen te worden;

 partijen gehouden zijn om de belastingteruggaven die ontvangen zijn na 24 december 2014 en die zien op de huwelijkse periode bij helfte te verdelen en dat partijen gehouden zijn om elkaar wederzijds inzage te verschaffen in de betreffende stukken.

3.4.

verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

3.6.

verstaat dat partijen het er ter zake van de (wijze van) verdeling over eens zijn dat:

 zij ieder recht hebben op de helft van de waarde van de drie verzekeringspolissen bij Nationale Nederlanden. De aan de hypotheek verbonden verzekering zal vrijvallen bij het aflossen van de hypotheek. De andere twee verzekeringen worden afgekocht;

 de Fiat Panda tegen een waarde van € 1.000,00 aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting van de man om € 500,00 aan de vrouw te voldoen en dat de Opel Meriva tegen een waarde van € 6.500,00 aan de vrouw wordt toegedeeld, onder de verplichting om € 3.250,00 aan de man te voldoen;

 dat het saldo op de rekening bij ASN met nummer [rekening 1] zonder nadere verrekening aan de man wordt toegedeeld en het saldo op de bankrekening bij de Rabobank, eindigend op 577 (volledig nummer onbekend), zonder nadere verrekening aan de vrouw en dat ieder der partijen de op zijn/haar naam staande rekening voortzet;

 de inboedel wordt verdeeld zoals vermeld op de door de vrouw als productie 2 overgelegde lijst en dat de man de goederen die op grond van de lijst aan de vrouw toekomen in de woning achterlaat wanneer hij deze op 2 december 2015 verlaat, waarbij hij geen overige goederen/afval in de woning zal achterlaten.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Friedberg, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. van Diepen op 11 november 2015.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.