Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9755

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
4057440 CV EXPL 15-2459
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bij uitleg van de CAO is de ‘cao-norm’ van toepassing, niet de ‘Haviltex-norm’. Dat sprake is van een geschil tussen partijen die direct betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de cao, maakt daarbij niet uit. Niet kan worden aanvaard dat een in een collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen bepaling op verschillende wijze zou moeten worden uitgelegd, al naar gelang wie bij een geschil daaromtrent als wederpartij van de werkgever zou optreden, een vakvereniging dan wel een individuele werknemer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2149
NJF 2016/45
AR-Updates.nl 2015-1112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 4057440 \ CV EXPL 15-2459

Uitspraakdatum: 29 oktober 2015

Vonnis in de zaak van:

de verenigingen CNV Vakmensen en Federatie Nederlandse Vakvereniging FNV,

gevestigd te Utrecht en Amsterdam

eisers

verder te noemen: CNV en FNV

gemachtigde: mr. J. de Jong

tegen

de besloten vennootschap Koole Tanktransport B.V.,

gevestigd te Zaandam

gedaagde

verder te noemen: Koole

gemachtigde: mr. R.L.J. van der Meer

1 Het procesverloop

1.1.

CNV en FNV hebben bij dagvaarding van 2 april 2015 een vordering tegen Koole ingesteld. Koole heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 30 september 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

CNV en FNV sluiten sinds jaren met Koole collectieve arbeidsovereenkomsten.

2.2.

De collectieve arbeidsovereenkomst voor de periode van 2011 tot en met 2013 (hierna: CAO 2011-2013) bevat in artikel 7 een salarisregeling. De leden 10 en 11 daarvan luiden:

“10. De medewerker ontvangt in december 2011, december 2012 en december 2013 een eenmalige vergoeding van € 350,- bruto.

11. De medewerker ontvangt jaarlijks een eindejaarsuitkering van 1% van het jaarsalaris incl. ploegentoeslag. (...).”

2.3.

Op 26 november 2013 hebben CNV en FNV met Koole een onderhandelingsresultaat over een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: CAO 2014-2016) bereikt. De punten 2 en 13 van het op schrift gestelde onderhandelingsresultaat luiden als volgt:

2. Consolideren cao artikelen

Alle cao-afspraken waar wij geen wijzigingen over hebben opgenomen in dit onderhandelingsresultaat dienen gehandhaafd te blijven. (...)

13 Inkomen

De lonen/loonschalen worden aangepast met een loonsverhoging per 1 januari 2014, 1 januari 2015 en 1 januari 2016 met euro 40 per maand. (...).”

2.4.

In een e-mail van 5 december 2014 heeft Koole tegenover CNV en FNV het standpunt ingenomen dat de loonsverhoging van € 40,00 van punt 13 van het onderhandelingsresultaat over de CAO 2014-2016 in de plaats komt van de eenmalige vergoedingen van artikel 7 lid 10 en 11 van de CAO 2011-2013, zodat er volgens Koole geen aanspraak meer bestaat op de daarin genoemde eenmalige vergoeding van € 350,- bruto en op de eindejaarsuitkering van 1%.

2.5.

In reactie op de e-mail van Koole hebben CNV en FNV in een e-mail van 5 december 2014 gesteld dat er geen afspraak is om de eindejaarsuitkering van 1% van artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 te schrappen. In een eerdere e-mail van 4 december 2014 hebben CNV en FNV wel erkend dat de eenmalige vergoeding van € 350,- bruto van artikel 7 lid 10 van de CAO 2011-2013 is komen te vervallen.

3 De vordering

3.1.

CNV en FNV vorderen dat voor recht wordt verklaard dat alle cao-afspraken waarvoor geen wijzigingen zijn opgenomen in het onderhandelingsresultaat gehandhaafd blijven en dat artikel 7 lid 11 van de CAO onverkort van toepassing is, en dat Koole wordt veroordeeld tot nakoming van artikel 7 lid 11 van de CAO. Verder vorderen CNV en FNV dat Koole wordt veroordeeld om aan haar werknemers de reeds verschuldigde eindejaarsuitkering te betalen en om aan CNV en FNV een schadevergoeding van € 5.000, te betalen.

3.2.

CNV en FNV leggen aan hun vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat in het onderhandelingsresultaat ten aanzien van de CAO 2014-2016 geen afspraak is gemaakt om de eindejaarsuitkering van 1% van artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 te schrappen, zodat deze aanspraak is blijven bestaan.

4 Het verweer

4.1.

Koole betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat de CAO 2014-2016 niet is aangemeld als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de loonvorming en dat die CAO daarom niet geldig is. Daarvan uitgaande kunnen CNV en FNV volgens Koole aan deze CAO geen bevoegdheid ontlenen voor het instellen van de vorderingen en moeten zij niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2.

Verder stelt Koole dat CNV en FNV geen belang hebben bij hun vordering, omdat de CAO 2014-2016 door FNV is opgezegd tegen 1 mei 2015. Voor zover nodig voert Koole aan dat de loonsverhoging van € 40,00 van punt 13 van het onderhandelingsresultaat over de CAO 2014-2016 in de plaats komt van de eenmalige vergoedingen van artikel 7 lid 10 en 11, van de CAO 2011-2013, zodat er geen aanspraak meer bestaat op de daarin genoemde eenmalige vergoeding van € 350,- bruto en op de eindejaarsuitkering van 1%.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak met name om de vraag of voor recht moet worden verklaard dat artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 onverkort van toepassing is gebleven in de CAO 2014-2016, en of Koole moet worden veroordeeld tot betaling aan haar werknemers van een eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 7 lid 11 van de CAO.

5.2.

De kantonrechter overweegt dat op de zitting is gebleken dat partijen geen nieuwe tekst hebben opgesteld voor de CAO 2014-2016, maar ervan uitgaan dat de inhoud van de CAO 2014-2016 wordt gevormd door de tekst van de CAO 2011-2013, aangevuld met de wijzigingen daarvan neergelegd in de tekst van het onderhandelingsresultaat van 26 november 2013. De kantonrechter zal daarvan ook uitgaan. De beoordeling van de zaak spitst zich dan toe op de vraag of artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 deel uitmaakt van de CAO 2014-2016.

5.3.

De stelling van Koole dat de CAO 2014-2016 niet geldig is, omdat deze niet is aangemeld als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de loonvorming, wordt verworpen. Op de zitting heeft Koole erkend dat tussen partijen al jarenlang collectieve arbeidsovereenkomsten worden aangegaan en dat partijen die collectieve arbeidsovereenkomsten hebben nageleefd en daarnaar hebben gehandeld, terwijl van geen van deze collectieve arbeidsovereenkomsten ooit mededeling is gedaan op de wijze voorgeschreven in artikel 4 van de Wet op de loonvorming. Onder die omstandigheden is het beroep van Koole op de ongeldigheid van de CAO 2014-2016 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, in de zin van artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij neemt de kantonrechter, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, mede in aanmerking dat in de praktijk ten aanzien van een collectieve arbeidsovereenkomst als hier aan de orde artikel 4 van de Wet op de loonvorming “zo niet tot een dode, dan toch tot een zieltogende letter” is geworden (zie: Rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter, locatie Utrecht, 28 april 2014, ECLI:NL:2014:RBMNE:2172; JAR 2014/153).

5.4.

Koole kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat CNV en FNV geen belang hebben bij hun vordering vanwege de omstandigheid dat de CAO 2014-2016 door FNV is opgezegd tegen 1 mei 2015. Indien moet worden geoordeeld dat de eindejaarsuitkering van artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 ook deel uitmaakt van de CAO 2014-2016, hadden de werknemers van Koole in de maand november 2014 aanspraak maken op de eindejaarsuitkering over 2014. Daaraan doet de opzegging van de CAO per 1 mei 2015 niet af. Alleen al gelet hierop hebben CNV en FNV voldoende belang bij hun vordering.

5.5.

Bij de beoordeling van de vraag of artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 ook deel uitmaakt van de CAO 2014-2016, is bepalend hoe de CAO 2014-2016 moet worden uitgelegd. Daarbij moet de zogenoemde ‘cao-norm’ worden gehanteerd. Die norm komt erop neer dat bij de uitleg van een collectieve arbeidsovereenkomst in beginsel de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn (zie: HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3857). In dat kader kan rekening worden gehouden met de elders in de collectieve arbeidsovereenkomst gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

5.6.

Koole heeft betoogd dat de CAO 2014-2016 moet worden uitgelegd aan de hand van de bedoeling van partijen, dus met toepassing van de zogenoemde ‘Haviltex-norm’. Bij die norm is voor de uitleg van de overeenkomst tussen partijen bepalend de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie: HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158; NJ 1981/635). Naar de kantonrechter begrijpt, moet volgens Koole de ‘Haviltex-norm’ worden toegepast, omdat in dit geval sprake is van de uitleg van bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst in een geschil tussen partijen die direct betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van die overeenkomst.

5.7.

Het betoog van Koole treft geen doel. Zoals hiervoor al is overwogen, is de CAO 2014-2016 een collectieve arbeidsovereenkomst en moet deze daarom worden uitgelegd aan de hand van de ‘cao-norm’. Dat partijen in deze zaak direct betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de CAO 2014-2016 maakt daarbij niet uit. Uit rechtspraak volgt dat niet kan worden aanvaard dat een in een collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen bepaling op verschillende wijze zou moeten worden uitgelegd, al naar gelang wie bij een geschil daaromtrent als wederpartij van Koole zou optreden, een vakvereniging dan wel een individuele werknemer (zie: HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA5961; JAR 2000/151). Voor de uitleg van de CAO 2014-2016 moet dus ook in dit geval de ‘cao-norm’ worden toegepast. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat het hier gaat om de uitleg van een zogeheten ‘normatieve’ bepaling, te weten een bepaling die betrekking heeft op een arbeidsvoorwaarde in de relatie tussen Koole en haar werknemers.

5.8.

Uitgaande van een uitleg aan de hand van de ‘cao-norm’, komt de kantonrechter tot het oordeel dat artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 van toepassing is gebleven in de CAO 2014-2016. Immers, volgens de duidelijke tekst van punt 2 van het onderhandelingsresultaat van 26 november 2013 dienen alle cao-afspraken waarover geen wijzigingen zijn opgenomen, gehandhaafd te blijven. In het onderhandelingsresultaat is geen wijziging van artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 opgenomen. Dit artikel is dus gehandhaafd in de CAO 2014-2016. Ook de tekst van het onderhandelingsresultaat bezien in zijn geheel biedt geen steun voor de stelling van Koole dat de loonsverhoging van € 40,- in de CAO 2014-2016 in de plaats is gekomen van de eindejaarsuitkering van artikel 7 lid 11. Dat de eenmalige vergoeding van artikel 7 lid 10 van de CAO 2011-2013 niet is gehandhaafd in de CAO 2014-2016, levert geen grond op om de CAO 2014-2016 zo uit te leggen dat ook de eindejaarsuitkering van artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 geacht moet worden te zijn vervallen.

5.9.

Gelet op het voorgaande kan de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. Koole stelt in dit verband terecht dat er geen reden is om voor recht te verklaren dat is overeengekomen dat alle cao-afspraken waarvoor geen wijzigingen zijn opgenomen, gehandhaafd blijven. Partijen verschillen immers alleen van mening over de vraag of artikel 7 lid 11 van de CAO 2011-2013 is gehandhaafd. De vordering zal dan ook alleen ten aanzien daarvan worden toegewezen. Koole zal tevens worden veroordeeld tot nakoming van artikel 7 lid 11 van de CAO. Aan deze laatste veroordeling zal ook een dwangsom worden verbonden. Daaraan staat artikel 611a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet in de weg, omdat het hier niet gaat om een veroordeling tot betaling van een geldsom aan CNV en FNV, maar tot betaling van een geldsom aan derden, te weten de werknemers van Koole. De dwangsom zal worden gemaximeerd op € 100.000,-.

5.10.

Koole zal daarnaast worden veroordeeld om aan haar werknemers de reeds verschuldigde eindejaarsuitkering te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. De wettelijke verhoging zal worden gemaximeerd op 10%.

5.11.

De gevorderde betaling van € 5.000,00 als schadevergoeding in de zin van de artikelen 15 en 16 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst wordt afgewezen. CNV en FNV hebben tegenover de betwisting daarvan door Koole onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door het niet nakomen van artikel 7 lid 11 van de CAO daadwerkelijk schade hebben geleden. De stelling van CNV en FNV dat sprake is van verlies aan prestige en wervingskracht zal gelet op de betwisting door Koole moeten worden gemotiveerd en onderbouwd. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebeurd.

5.12.

De proceskosten komen voor rekening van Koole, omdat zij overwegend ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart voor recht dat tussen partijen is overeengekomen dat artikel 7 lid 11 van de CAO onverkort van toepassing is;

6.2.

veroordeelt Koole tot nakoming van artikel 7 lid 11 van de CAO, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 100.000,00;

6.3.

veroordeelt Koole om aan haar werknemers de reeds verschuldigde eindejaarsuitkering van 1% van het jaarsalaris inclusief ploegentoeslag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek, met een maximum van 10%, en te vermeerderen met de wettelijke rente;

6.4.

veroordeelt Koole tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van CNV en FNV tot en met vandaag vaststelt op € 960,19, te weten:

dagvaarding € 94,19

griffierecht € 466,00

salaris gemachtigde € 400,00 ;

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, behalve waar het betreft de verklaring voor recht;

6.6.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 29 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter