Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9649

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2026
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

projectplan "gemaal Monnickendam" - Waterwet

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/2026

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: I.L. Lubrun),

en

het dagelijks bestuur van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verweerder

(gemachtigde: M. Bregman en M.B. van Poort).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het projectplan “gemaal Monnickendam” vastgesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het projectplan voorziet in de realisering van een boezemgemaal bij Monnickendam. Het gemaal is geprojecteerd op de dijk tussen de Purmer Ee en het Monnickendammergat.

Eiser is eigenaar van buitendijks gelegen percelen aan de Kloosterdijk 2 . Deze percelen liggen op circa 77 meter afstand van de locatie van het gemaal. Eiser is voornemens op deze percelen naast de bestaande woning - vier woningen te realiseren. Inmiddels is voor realisatie van deze woningen op 26 maart 2015 door de gemeenteraad van de gemeente Waterland het Bestemmingsplan Kloosterdijk 2 vastgesteld en heeft het college van burgemeester en wethouders voor de woningen hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder vastgesteld.

2. Op deze zaak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

3. Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet geschiedt de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Met de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt gelijkgesteld de uitvoering van een werk tot beïnvloeding van een grondwaterlichaam.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat het plan ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk. Voor in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen bevat het plan een inventarisatie van maatschappelijke functies en ambities en mogelijke innovaties waarmee de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk gecombineerd zou kunnen worden, inclusief de mogelijkheden om het desbetreffende werk middels een concessie voor werken of andere vorm van publiek-private samenwerking te realiseren.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat realisering van een gemaal noodzakelijk is. Eiser kan zich echter niet verenigen met de locatie van het gemaal. Het projectplan ziet op realisatie van het gemaal nabij locatie 1c. Eiser is van mening dat het gemaal moet worden gerealiseerd op locatie 1b. Die locatie is in de op 10 juni 2013 gedateerde, door [naam 1] en [naam 2] opgestelde, omgevingsanalyse als de meest gunstige locatie getypeerd, onder meer gelet op de ruimtelijke inpassing en geluidshinder voor de omgeving. Eiser vindt de argumenten van verweerder om het gemaal 60 meter zuidelijker van locatie 1b, en dichter bij zijn perceel, te realiseren onvoldoende doorslaggevend. Realisatie van het gemaal op de bestreden locatie gaat ten koste van de privacy, aldus eiser. Zeker nu op het gemaal een uitzichtpunt zal worden gerealiseerd. Hij heeft voorts aangevoerd dat de geluidsbelasting op de nieuw te realiseren woningen aan de Kloosterdijk onvoldoende is onderzocht.

4.1

Na inbreng van de architect die het schetsontwerp voor het gemaal en de ontsluiting daarvan heeft gemaakt, de Adviescommissie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Holland en de landschapskundige van deze provincie heeft verweerder in het op 17 april gedateerde “ontwerp projectplan gemaal Monnickendam” gekozen voor realisatie van het gemaal tussen locatie 1b en 1c. Verweerder heeft deze keuze gehandhaafd in het bestreden besluit. De locatie is, aldus verweerder, wat betreft ruimtelijke inpassing en het behoud van het monumentale karakter van de dijk, te verkiezen boven locatie 1b. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat de gekozen locatie uit waterschapskundig oogpunt geen negatieve consequenties heeft. De verschillende locaties die zijn onderzocht in de omgevingsanalyse zijn allen indicatief aangegeven om een beoordeling tussen verschillende locaties mogelijk te maken. Voor de nu gekozen locatie geldt dat er geen objecten zijn gelegen binnen de richtafstand voor geluid.

4.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State - bijvoorbeeld de uitspraak van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1311 - is het aan verweerder om alle verschillende bij een projectplan betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de toetsing van een projectplan aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te beperken tot de vraag of het bevoegd gezag in redelijkheid het projectplan heeft kunnen vaststellen.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid het projectplan heeft kunnen vaststellen. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat verweerder met planologische argumenten voldoende heeft onderbouwd en inzichtelijk gemaakt waarom uiteindelijk is gekozen voor de huidige locatie. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat het gemaal gerealiseerd wordt op een afstand van ruim 70 meter van het perceel van eiser. Het te realiseren uitzichtpunt op het dak van het gemaal is, blijkens de toelichting van verweerder, met name bedoeld om passerende voetgangers en fietsers de gelegenheid te bieden van het uitzicht te genieten. Het standpunt van verweerder dat het uitzichtpunt uitdrukkelijk niet is bedoeld voor langdurig verblijf acht de rechtbank, gezien de ligging langs een drukke, doorgaande weg, aannemelijk. Gelet op de afstand tot de percelen van eiser, de functie van het gemaal en het daaraan verbonden gebruik heeft verweerder ook in redelijkheid kunnen concluderen dat van een onaanvaardbare inbreuk op de privacy geen sprake is.

Met betrekking tot de vrees van eiser voor geluidsoverlast bij de te realiseren woningen is de rechtbank van oordeel dat verweerder, bij de inschatting van de kans op geluidhinder, de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ en de daarin opgenomen richtafstanden ten behoeve van een waterdistributiebedrijf heeft kunnen hanteren. Uit deze publicatie volgt dat, wanneer deze richtafstanden in acht worden genomen, in beginsel geen hinder zal optreden op een afstand van 30 meter of meer ingeval het pompvermogen van een gemaal minder is dan 1 megawatt. Niet is in discussie dat het pompvermogen van het gemaal minder is dan 1 megawatt.

Uit de omgevingsanalyse blijkt bovendien genoegzaam dat binnen de in aanmerking te nemen richtafstand van 30 meter van de locatie waar het gemaal nu wordt gerealiseerd (tussen 1b en 1c), geen geluidgevoelige objecten zijn gelegen. Ook de percelen van eiser zijn niet gelegen binnen de richtafstand. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat nader onderzoek naar mogelijke geluidsbelasting op die locatie niet vereist was.

Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid het belang om een gemaal te realiseren op deze locatie zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser. Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. B. Veenman, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. I.M. Ludwig, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.