Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9590

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
15/703239-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen poging overval. Rechtbank heeft vastgesteld dat de telefoonnummers van verdachten op het moment van de poging overval zendmasten aanstraalden in de omgeving en in de buurt van de plaats delict. Dit geeft voldoende indicatie dat beide verdachten ten tijde van belang in de nabijheid van de plaats delict zijn geweest. Rechtbank volgt de conclusie van het NFI dat uit de weergave van de aangestraalde basisstations van medeverdachte G. volgt dat er in de periode voorafgaand aan de poging overval een verplaatsing van de telefoon van G. heeft plaatsgevonden van Brabant, via Amsterdam, naar de kop van Noord-Holland. Dit is de route welke aangeefster rond nagenoeg dezelfde tijdstippen heeft afgelegd. Nu de telefoon van verdachte nagenoeg dezelfde route heeft afgelegd als de telefoon van zijn medeverdachte G in hetzelfde tijdsbestek, kan naar het oordeel van de rechtbank de gevolgtrekking van het NFI ook worden getrokken voor zijn telefoon. Echter, de enkele omstandigheid dat door de verdachten gebruikte mobiele telefoons zendmasten aanstralen in de min of meer directe omgeving van een plaats delict en over geruime afstand de route hebben afgelegd welke door het slachtoffer met de auto is gevolgd, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Geen ander (direct) bewijs voorhanden waaruit blijkt dat verdachte het feit heeft mede gepleegd en welke specifieke uitvoeringshandelingen hij zou hebben verricht. De door de officier van justitie genoemde omstandigheden kunnen niet als bewijsmiddel worden aangemerkt. Benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/703239-13 (P)

Uitspraakdatum: 5 november 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 22 november 2013 en 22 oktober 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] [verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres verdachte] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. van Doorn en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 september 2012 te Den Oever, gemeente Hollands Kroon, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem/hun voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een geldbedrag

van (ongeveer) 40.000,= euro, geheel of ten dele toebehorende aan

kermisorganisatiebedrijf " [naam bedrijf] ", in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te

doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te plegen

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s)

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te

dwingen tot afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 40.000 euro,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, het volgende hebben/heeft gedaan

- ( vanaf Veghel) met een of meerdere auto('s) achter de auto van die [slachtoffer 1] is/zijn aangereden en/of de auto van die [slachtoffer 1] is/zijn gevolgd en/of

- Op de A7, ter hoogte van de afslag Den Oever, die [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen te stoppen door haar auto met twee auto's klem te rijden

- ( waarna) verdachte en/of zijn mededader(s) op de auto van die [slachtoffer 1] zijn afgelopen en/of

- ( waarbij) verdachte en/of zijn mededader met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn hand op de bestuurdersdeur is afgelopen en/of

- ( waarbij) verdachte en/of zijn mededader met een hamer, althans een hard

voorwerp, in zijn hand op de passagiersdeur is afgelopen en/of het raam van

die passagiersdeur met die hamer, althans een hard voorwerp, heeft vernield,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op 19 september 2012 krijgt de politie omstreeks 00:18 uur een melding dat er kort voor 00:15 uur een poging overval heeft plaatsgevonden op de afrit van de A7 bij Den Oever. Het dossier bevat onder meer een aangifte van mevrouw [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ) en een getuigenverklaring van haar dochter [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ) waaruit volgt dat zij in de auto op weg naar huis waren van de kermis te Veghel, alwaar zij pachtgeld hadden opgehaald. De auto van [slachtoffer 1] werd tot stoppen gedwongen op de afrit door twee auto’s. Vervolgens zouden er twee mannen met bivakmutsen op de auto zijn afgelopen en naast respectievelijk het bestuurdersportier en de passagiersdeur zijn gaan staan. Volgens [slachtoffer 2] had de man aan de bestuurderskant een pistool in zijn hand. De man aan de andere kant zou met een hamer het raam aan de passagierszijde hebben ingeslagen waarna hij vervolgens heeft geprobeerd het portier te openen door naar binnen te grijpen. Uiteindelijk zijn de overvallers er niet in geslaagd de overval te plegen, doordat [slachtoffer 1] snel gas gaf en wegreed. Zij werd nog gedurende korte tijd achtervolgd door in ieder geval één van de auto’s, aldus aangeefster [slachtoffer 1] .

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft uiteengezet dat er voldoende steunbewijs is voor de aangifte en verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en heeft dit in het bijzonder gebaseerd op de zendmastgegevens van de telefoonnummers die volgens haar op het moment van de poging overval in gebruik zijn geweest bij verdachte [verdachte] (hierna ook: [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte] ). Uit deze gegevens volgt dat hun beider telefoonnummers (eindigend op [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] ) nagenoeg dezelfde route hebben afgelegd als de route welke aangeefster [slachtoffer 1] heeft afgelegd. [verdachte] en [medeverdachte] zijn derhalve vrijwel gelijktijdig aan [slachtoffer 1] vanuit Veghel naar Den Oever gereden, terwijl verdachten hier - ook volgens hun eigen verklaringen - niets te zoeken hadden. Voorts hebben de telefoonnummers van de verdachten voorafgaand aan de overval veelvuldig contact met elkaar gehad en is, los van één telefonisch contact om 00:42 uur, kort na de mislukte overval, vanaf dat moment geen onderling contact meer geweest.

Gezien het onderlinge telefonisch contact, de aangifte van [slachtoffer 1] waarin is verklaard over een tweetal auto’s en het feit dat de telefoonnummers van de verdachten blijkens de zendmastgegevens geen volledige identieke route hebben afgelegd, gaat de officier van justitie er voorts van uit dat er twee verschillende auto’s betrokken waren bij de poging overval en dat verdachten allebei in een andere auto zaten.

Gelet op de opgevraagde beelden van ARS Traffic en Transport Technology zouden de betrokken auto’s de volgende kentekens hebben gehad: [kenteken 1] en [kenteken 2] . Laatstgenoemde auto stond op dat moment op naam van [betrokkene 1] en uit het dossier is duidelijk geworden dat onder andere diens zoon genaamd [betrokkene 2] de beschikking kon hebben over deze auto. Blijkens Blueview zijn medeverdachte [medeverdachte] en [betrokkene 2] contacten van elkaar. Vanwege de plaatsen waar de auto met kenteken [kenteken 2] die bewuste dag en avond middels ARS is gesignaleerd, in combinatie met het telefoongebruik van [medeverdachte] , heeft [medeverdachte] vermoedelijk in deze auto gezeten, aldus de officier van justitie.

Verdachte [verdachte] zou dan in de andere auto hebben gezeten, met het kenteken [kenteken 1] . De kentekenplaten daarvan zijn op 16 september 2012 in Arnhem, zijnde de woonplaats van beide verdachten, gestolen. Dit kenteken wordt na de overval niet meer geregistreerd op de A7 en is vermoedelijk de andere kant opgereden.

De officier van justitie baseert haar bewezenverklaring voorts nog op - kort samengevat - de omstandigheid dat beide verdachten contacten hebben in de kermiswereld, waarin ook aangeefster [slachtoffer 1] werkzaam is. Verdachte [verdachte] is familie van getuige [getuige 1] , wiens dochters een kraam exploiteerden op de kermis in Veghel waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die dag het pachtgeld hadden opgehaald. Met [getuige 1] heeft verdachte [verdachte] op de dag van de overval nog telefonisch contact gehad. Bovendien komt het uiterlijk van verdachte [verdachte] overeen met het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgegeven signalement van één van de daders.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft gepleit tot vrijspraak van het ten laste gelegde en heeft daartoe (onder meer) - kort samengevat - aangevoerd dat er in casu geen sprake is van direct bewijs van de aanwezigheid van verdachte op de plaats van het delict, noch van direct bewijs dat enige van de ten laste gelegde uitvoeringshandelingen door verdachte zijn gepleegd.

4.3.

Vrijspraak
D rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Hoewel de officier van justitie met recht wijst op een aantal omstandigheden die op betrokkenheid van verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] bij de poging overval duiden, zijn die omstandigheden ook in onderlinge samenhang bezien niet van dien aard dat het wettig bewijs voor het daadwerkelijk uitvoeren van de poging overval daaruit onmiskenbaar volgt. Ten aanzien van de door de officier van justitie naar voren gebrachte feiten en omstandigheden neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

GSM-mastgegevens: route

Het dossier bevat onder andere de GSM-mastgegevens die zijn opgevraagd van de zendmasten van de diverse telefoonproviders in de buurt van de plaats delict rondom het tijdstip van de poging overval. Deze mastgegevens zijn geanalyseerd. Hieruit volgt dat er om 00:15:23 uur een gesprek plaatsvindt met het telefoonnummer van het slachtoffer (p. 233-234). Uit het dossier blijkt dat in dit gesprek alarm is geslagen. Het eerstvolgende gesprek dat hierna werd gevoerd, vond plaats omstreeks 00:17:26 uur tussen de telefoonnummers [telefoonnummer 2] (hierna: – [telefoonnummer 2] ) en [telefoonnummer 1] (hierna: – [telefoonnummer 1] ).

Blijkens het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 9 mei 2014, opgemaakt door Ir. Ing. R.M. van der Knijff zijn uit de originele historische verkeersgegevens van het nummer – [telefoonnummer 2] van 19:00:58 uur op 18 september 2012 tot en met 02:52:35 op 19 september 2012 alle locaties en richtingen van de geregistreerde basisstations weergegeven op een kaart (p. 7 van het NFI rapport). Volgens Van der Knijff blijkt uit de weergave van de aangestraalde basisstations een zeer sterke aanwijzing dat er binnen de genoemde periode een verplaatsing van de telefoon heeft plaatsgevonden van Brabant via Amsterdam naar de kop van Noord-Holland. Ook uit de printlijst van het telefoonnummer – [telefoonnummer 2] volgt dat de telefoon met dit telefoonnummer zich op 18 september 2012 heeft verplaatst van Veghel naar Den Oever (p. 238 e.v.), rond nagenoeg dezelfde tijdstippen waarbinnen aangeefster [slachtoffer 1] zich vanuit Veghel richting Den Oever heeft begeven.

Ditzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor telefoonnummer – [telefoonnummer 1] . Blijkens analyse van de mastgegevens bestaat er ook voor dit nummer een zeer sterke aanwijzing dat het zich op 18 en 19 september 2012 vanuit Veghel in de richting van Den Oever heeft verplaatst (p. 246 e.v.). Alhoewel die gevolgtrekking niet met zoveel woorden is weergegeven in het door Van der Knijff opgemaakte NFI rapport, zijn de door dit nummer aangestraalde basisstations wel in het rapport opgenomen. Op basis daarvan gaat de rechtbank uit van een gelijkluidende conclusie voor het nummer – [telefoonnummer 1] als voor het nummer – [telefoonnummer 2] .

Voorts blijkt uit het dossier dat de nummers – [telefoonnummer 1] en – [telefoonnummer 2] in de periode van 20 augustus 2012 tot en met 28 november 2012 zesenzestig keer contact met elkaar hadden. Negen van deze contacten vonden plaats op de dag van de overval (p. 278).

Medeverdachte [medeverdachte]

Gelet op drie blue view-registraties uit 2012 en 2013 waaruit blijkt dat het nummer – [telefoonnummer 2] toebehoorde aan medeverdachte [medeverdachte] (p. 234 en 284) en de veelvuldige belcontacten van dit nummer met telefoonnummers die toebehoren aan de moeder van [medeverdachte] en de moeder van zijn zoontje (p. 244), deelt de rechtbank het standpunt van de officier van justitie dat dit nummer – [telefoonnummer 2] in gebruik was bij [medeverdachte] . Gelet op het feit dat er ook nog in de middag van de poging overval belcontacten zijn geweest met [medeverdachte] ’s moeder en de moeder van zijn zoon (p. 251), acht de rechtbank het voorts onaannemelijk dat dit nummer op de bewuste dag bij een ander dan [medeverdachte] in gebruik was.

Verdachte [verdachte]

Verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting bevestigd dat het telefoonnummer – [telefoonnummer 1] zijn telefoonnummer is, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Gelet op het aantal en de intensiteit van de contacten van dit nummer met aan [verdachte] gelieerde personen, alsmede het gegeven dat er ook op de dag van de poging overval nog met in ieder geval één bekend contact van hem is gebeld (p. 259 en 260), acht de rechtbank het onaannemelijk dat de telefoon met het nummer – [telefoonnummer 1] juist op de dag van de poging overval bij een ander dan verdachte [verdachte] in gebruik was.

Nu naar het oordeel van de rechtbank voornoemde telefoonnummers op het moment van de poging overval in gebruik waren bij de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] , alsmede gelet op de omstandigheid dat beide nummers omstreeks het tijdstip van de poging overval zendmasten aanstraalden in de omgeving van Den Oever en zich derhalve in de buurt van de plaats delict bevonden, is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende indicatie geeft dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] ten tijde van belang in de nabijheid zijn geweest van de plaats delict. Gelet op het onderlinge contact tussen de beide telefoonnummers de avond van de poging overval en kort na de poging overval, alsmede gelet op het feit dat blijkens de zendmastgegevens de telefoonnummers in ieder geval geen compleet identieke route hebben afgelegd, heeft het er – inderdaad – alle schijn van dat [verdachte] en [medeverdachte] zich voorafgaand aan- en ten tijde van de poging overval niet in dezelfde, maar in twee verschillende auto’s bevonden.

De rechtbank ziet zich echter vervolgens voor de vraag gesteld of de beide auto’s waarin verdachte en zijn medeverdachte zich hebben verplaatst, daadwerkelijk ter plekke betrokken zijn geweest bij de poging overval.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verklaren allebei stellig en expliciet over de betrokkenheid van twee auto’s, te weten twee oudere modellen van het merk Volkswagen, type Golf.

Uit de gegevens afkomstig van de camera’s van ARS Traffic en Transport blijkt dat er – kort na de poging overval en dus op het moment dat aangeefster inmiddels op de vlucht was geslagen – drie voertuigen achter aangeefster hebben gereden. Het kenteken van aangeefster passeerde op 19 september 2012 om 00:15:20 uur camera 10B, gevolgd door kenteken [kenteken 3] (om 00:15:24 uur), kenteken [kenteken 1] (om 00:15:26 uur) en kenteken [kenteken 2] (om 00:15:31 uur) (p. 210). Het onderzoek naar deze voertuigen leverde het volgende op:

Het kenteken [kenteken 3] was afgegeven voor een grijze Renault, type Megane en stond op 19 september 2012 op naam van [betrokkene 3] (p. 211). [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij die bewuste avond vanuit Friesland, via de Afsluitdijk naar Noord-Holland was gereden. Hij zou onderweg zijn geweest naar Anna Paulowna (p. 229). Uit het onderzoek is geen reden gebleken daaraan te twijfelen.

Het kenteken [kenteken 1] was afgegeven voor een zwarte Alfa Romeo, type 156 Berlina en stond op 19 september 2012 op naam van [betrokkene 4] , wonend te Arnhem. Laatstgenoemde heeft op 17 september 2012 aangifte gedaan van diefstal van de kentekenplaten van zijn auto (p. 211).

Het derde kenteken [kenteken 2] was afgegeven voor een grijze BMW, type 3er Reihe en stond op 19 september 2012 op naam van [betrokkene 1] (p. 211). Hij heeft verklaard dat voornoemde BMW eigenlijk van zijn zoon, [betrokkene 5] , is (p. 371). [medeverdachte] is volgens het Blue View-systeem een contact van [betrokkene 2] , van wie middels genoemd systeem ook werd vastgesteld dat hij sedert langere tijd gebruikt maakte van een op naam van diens broer [betrokkene 5] gestelde personenauto: de BMW met het kenteken [kenteken 2] (p. 235).

Aangeefster [slachtoffer 1] en getuige [slachtoffer 2] hebben zowel tegenover de politie als ter terechtzitting stellig en expliciet verklaard over betrokkenheid van twee auto’s bij de poging overval: twee oudere types Golf waarvan er één voor hun auto, en de ander achter hun auto tot stilstand werd gebracht. Deze verklaringen in relatie tot de bevindingen van de camera’s en de onderzochte kentekens, zoals hiervoor weergegeven, maken dat de rechtbank met onvoldoende zekerheid kan vaststellen dat één of meer van de kentekens die lijken te horen bij de Renault Megane van [betrokkene 3] , een onbekend gebleven auto met daarop de gestolen kentekenplaten van [betrokkene 4] en de grijze BMW van [betrokkene 1] , betrokken zijn geweest bij de poging overval.

De rechtbank is overigens wel met de officier van justitie eens dat het zeer wel mogelijk is dat in ieder geval de grijze BMW (met kenteken [kenteken 2] ) gedurende korte tijd achter aangeefster aan is blijven rijden, daar kenteken [kenteken 1] om 00:17:25 25 camera 09-A passeert (terug richting afslag Den Oever, waar aangeefster vandaan kwam), terwijl de grijze BMW pas omstreeks 00:19:17 uur - en dus ruim twee minuten later - voornoemde camera 09-A passeert. Dit opzettelijk achtervolgen is bij gebreke van andere bewijsmiddelen echter met onvoldoende zekerheid vast te stellen en, zo het al zou wijzen op betrokkenheid van de grijze BMW bij de poging overval, is er geen bewijsmiddel voorhanden dat [medeverdachte] in dit voertuig plaatst ten tijde van de poging overval. Het enkele feit dat [medeverdachte] een contact was van een persoon die de beschikking kon hebben over deze BMW, is daarvoor bepaald onvoldoende. Dat het telefoonnummer dat bij [medeverdachte] in gebruik was op het tijdstip van de poging overval zendmasten in de omgeving van de plaats delict heeft aangestraald, maakt dit niet anders.

De officier van justitie baseert haar bewezenverklaring voorts nog op het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgegeven signalement van de dader die aan de passagierskant van de auto van aangeefster stond. Echter, het gegeven dat verdachte [verdachte] qua postuur, huidskleur en ogen zou passen binnen het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgegeven signalement, levert naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs op, nu het opgegeven signalement - onder meer gelet op het feit dat de daders bivakmutsen droegen en het op dat moment donker was - te algemeen en vaag is.

Ten slotte vormen volgens de officier van justitie de contacten van [verdachte] en [medeverdachte] in de kermiswereld een aanwijzing voor hun betrokkenheid. Het betreft hier de telefonische contacten die verdachte [verdachte] blijkens het onderzoek had met [getuige 1] , die weer een zakelijke bekende was van aangeefster [slachtoffer 1] , alsmede het feit dat [verdachte] blijkens de telefoongegevens ook op 18 september 2012, de dag van de poging overval, telefonisch contact heeft gehad met voornoemde [getuige 1] . De rechtbank overweegt dat dit onderzoeksgegeven wellicht als verdacht kan worden aangemerkt, maar dit geen redengevend bewijs oplevert dat verdachte [verdachte] kan worden beschouwd als medepleger van de poging overval. Ook de overige getuigenverklaringen waaronder die van getuige [getuige 2] en getuige [getuige 3] - waarvan getuige [getuige 2] overigens pas negen maanden na dato gehoord is als getuige en hij op dat moment reeds gesproken had met de betrokkenen - leveren geen bewijs, direct of indirect op voor betrokkenheid van beide verdachten.

Concluderend bevat het dossier, daar waar het aankomt op daadwerkelijk redengevende feiten en omstandigheden, enkel de zendmastgegevens van de mobiele telefoons van verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] . Alhoewel deze gegevens in de richting van verdachte wijzen als zijnde een mogelijke dader van de poging overval, deelt de rechtbank het standpunt van de raadsman van verdachte dat de enkele constatering dat een door verdachte gebruikte mobiele telefoon een zendmast aanstraalt in de min of meer directe omgeving van een plaats delict onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit van het medeplegen van de poging overval. Deze gegevens duiden er immers slechts op dat verdachte ten tijde van het feit in de buurt moet zijn geweest van de locatie waar de poging overval heeft plaatsgevonden, terwijl hij daaraan voorafgaand dezelfde route als het slachtoffer heeft afgelegd vanuit Brabant naar de kop van Noord-Holland, maar dit brengt niet zonder meer met zich dat verdachte ook één van degenen is geweest die hebben gepoogd het feit mede te plegen. Op grond van deze gegevens kan niet worden herleid wat de exacte rol van verdachte is geweest en welke specifieke uitvoeringshandelingen hij zou hebben verricht. Zonder enig ander (direct) bewijs dat redengevend is voor de betrokkenheid van de verdachte als medepleger van de poging overval, komt de rechtbank derhalve tot vrijspraak van het aan hem ten laste gelegde.

5. Vordering benadeelde partijen

5.1.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

5.2.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.181,50 ingediend tegen verdachte wegens immateriële en materiële schade die zij als gevolg van het tenlastegelegde zou hebben geleden. De immateriële schade bedraagt € 2.000. De materiele schade bestaat uit het niet door de verzekering vergoede deel van de reparatiekosten van haar autoruit en bedraagt € 181,50.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat tenlastegelegde, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

6 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M. Sassenburg, voorzitter,

mr. E.M. Devis en mr. M.S. Lamboo, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.E. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 november 2015.