Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9468

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4050
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker is docent aan de UvA. Het college van bestuur van de UvA heeft verzoeker tijdelijk ontheven van zijn lesgevende taken en hem een dienstopdracht gegeven niet bij colleges en werkgroepen aanwezig te zijn en zich te onthouden van alles dat de geregelde gang van het onderwijs zou kunnen verstoren. Het college heeft dit gebaseerd op de omstandigheid dat verzoeker niet bereid is zich te voegen in het vastgestelde onderwijsprogramma.

Verzoeker heeft voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat hij weer onderwijs kan gaan geven. De voorzieningenrechter geeft als voorlopig oordeel dat gelet op de houding van verzoeker het college redelijkerwijs tot het besluit heeft kunnen komen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/4050

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 november 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

dr. [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. de Waard),

en

het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. R.P.J. ter Haseborg).

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker voor het eerste semester ontheven van zijn onderwijstaken en een dienstopdracht verstrekt (inhoudende dat verzoeker dient weg te blijven van colleges en werkgroepen [vak 1] en [vak 2] en voorts al datgene na te laten dat de geregelde gang van het onderwijs zou kunnen verstoren).

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig prof. dr. [naam 1] en prof. dr. [naam 2] .

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van het volgende.

Verzoeker is sinds 1 september 2004 in (vaste) dienst bij verweerder als docent [faculteit] . Hij doceerde de vakken [vak 3] en [vak 2] .

Naar aanleiding van een kritische visitatie van de opleiding Algemene Cultuurwetenschappen is het studieprogramma van de opleiding aangepast.

Door de vakgroep algemene cultuurwetenschappen is besloten de vakken [vak 3] en [vak 4] samen te voegen tot het vak [vak 1] . Bij het vak [vak 2] is besloten de nadruk (in de werkgroepen) meer te leggen op de cultuurwetenschappen.

Binnen de vakgroep bestond, op verzoeker na, overeenstemming over de samenvoeging van de vakken [vak 3] en [vak 4] . Ter zitting heeft [naam 2] verklaard dat ook met betrekking tot de wijziging in de inhoud van de werkgroepen van het vak [vak 2] verzoeker zich niet kon vinden in de lijn die de andere docenten voorstonden.

Verzoeker heeft betwist dat hij betrokken is geweest bij de wijzigingen met betrekking tot de inhoud van de werkgroepen van het vak [vak 2] .

Het vorenstaande neemt niet weg dat de wijzigingen hun beslag hebben gekregen in het vernieuwde onderwijsprogramma.

Tijdelijke ontheffing onderwijstaken

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat – kort samengevat – in werkgroepen van de betrokken docenten (waaronder verzoeker) keuzes zijn gemaakt met betrekking tot het onderwijsprogramma en de inhoud van de vakken. De wijzigingen hangen onder meer samen met de verbetering die nodig was na een kritische visitatie. Verzoeker heeft zich – ook al was hij het niet eens met de andere docenten – te voegen. Dat is volgens verweerder niet in strijd met de academische vrijheid, waarbij verweerder erop wijst dat die vrijheid niet onbeperkt is, omdat deze begrensd wordt door de kaders van de vastgestelde onderwijs- en onderzoeksprogramma’s. Omdat verzoeker (meermaals) te kennen heeft gegeven alleen op zijn eigen manier les te willen geven en zich dus niet te willen conformeren aan de nieuwe opzet en inhoud, heeft verweerder tot het besluit moeten komen. Daaraan vooraf zijn verschillende gesprekken geweest met verzoeker en zijn de betrokken belangen afgewogen.

4. Verzoeker voert aan dat verweerder in zijn besluit ten onrechte de academische vrijheid niet heeft afgewogen. Subsidiair stelt verzoeker dat hem ten aanzien van het vak [vak 2] geen afspraak bekend is, laat staan dat hij er bij betrokken is geweest. Met betrekking tot het vak [vak 1] heeft hij zich op het standpunt gesteld dat van een open discussie geen sprake is geweest, als gevolg van blokvorming.

Een zorgvuldige afweging had volgens verzoeker ertoe moeten leiden dat hij in ieder geval het vak [vak 2] had mogen geven. Verzoeker wijst er daarbij op dat zijn functioneren als docent altijd positief beoordeeld is, door zowel verweerder als studenten.

Verzoeker stelt voorts dat verweerder hem laat ‘zweven’ door hem enerzijds wel tijdelijk te ontheffen van zijn onderwijstaken, maar anderzijds geen andere werkzaamheden op te dragen. Verzoeker wijst hierbij op vaste jurisprudentie dat ontheffing gepaard moet gaan met plaatsing in een andere betrekking (Central Raad van Beroep (CRvB) 16 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:BA3313). Verweerder schendt door het alleen ontheffen van taken zowel de norm van de CRvB als van de CAONU.

5. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Artikel 1.11 van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAONU) luidt als volgt:

“De werknemer kan worden verplicht tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan de gewoonlijke, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen, in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden. Hij kan echter niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten in de plaats van werknemers in staking.”

Verweerder baseert de tijdelijke ontheffing op dit artikel, omdat dit artikel volgens hem in twee componenten uiteenvalt, nl. zowel de formele grondslag voor de bevoegdheid tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen als die voor de tijdelijke ontheffing van taken die aan het opdragen van werkzaamheden voorafgaat. De bedoeling van verweerder is om verzoeker weer (andere) taken op te dragen.

Nu thans nog geen sprake is van een situatie waarin verzoeker blijft zweven – het is immers niet uitgesloten dat verweerder verzoeker binnen afzienbare tijd (andere) taken zal opdragen – acht de voorzieningenrechter de door verweerder gehanteerde juridische grondslag niet op voorhand onjuist.

Met betrekking tot het beroep dat door verzoeker is gedaan op de academische vrijheid merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder er niet ten onrechte op heeft gewezen dat deze vrijheid niet onbeperkt is, nu deze begrensd wordt door de kaders van de vastgestelde onderwijs- en onderzoeksprogramma’s.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder uit de diverse gesprekken en (e-mail)correspondentie met verzoeker mogen afleiden dat hij weigerde zich te voegen naar het vernieuwde onderwijsprogramma. Zo heeft verzoeker keer op keer te kennen gegeven dat hij wel bereid was de colleges en werkgroepen te geven, maar alleen op zijn voorwaarden en dus niet zoals vastgelegd in het onderwijsprogramma.

Gelet op deze houding van verzoeker heeft verweerder naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid tot het besluit kunnen komen verzoeker tijdelijk van zijn onderwijstaken te ontheffen.

Dienstopdracht

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de dienstopdracht is gegeven omdat collega’s zich geïntimideerd voelden door zijn gedrag. Daarbij wijst verweerder er op dat verzoeker had aangegeven het eerste nieuwe college [vak 1] bij te wonen met een aantal sympathisanten om te zien wat de docenten beter zouden doen en dat hij dan eventueel kritische vragen zou stellen.

7. Verzoeker voert aan dat de enige grondslag voor dit besluit is de stelling dat collega’s zich geïntimideerd voelen. Het is echter juist verzoeker die gepest wordt, althans degene is die last heeft van de problemen in de relatie met een aantal docenten. Verweerder was daarvan op de hoogte maar heeft dit probleem nimmer aangepakt.

De opdracht ‘al datgene na te laten dat de geregelde gang van zaken voor het onderwijs zou kunnen verstoren’ is volgens verzoeker zo subjectief ruim en vaag geformuleerd dat hieronder al zijn handelen kan worden geschaard.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In het dossier bevindt zich een tweet van verzoeker waarin hij een ieder oproept het eerste college dat hij niet mag geven bij te wonen. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat een oproep als door verzoeker gedaan via Twitter gevoelens van intimidatie oproept. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het geven van een dienstopdracht als de onderhavige in een dergelijke situatie dan ook niet buitenproportioneel.

9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding bestaat, nu niet te verwachten is dat het besluit in de procedure geen stand zal houden.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.