Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9467

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5252
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is lerares Engels in het voortgezet speciaal onderwijs. Er vindt een wijziging van haar functiebenaming plaats en haar functie wordt (in verband met wijzigingen in de organisatie die verband houden met de Wet Passend onderwijs) in het risicodragend deel van de formatie (RDDF) geplaatst. Eiseres komt tegen deze besluiten op. Vervolgens wordt haar ontslag verleend wegens opheffing van de betrekking. Hiertegen wendt eiseres geen rechtsmiddel aan, zodat het ontslag rechtens komt vast te staan. Een uitspraak van de rechtbank over de wijziging in functiebenaming en RDDF-plaatsing zal aan dat ontslag niets kunnen veranderen. Eiseres kan met haar beroep niet een resultaat bereiken dat voor haar feitelijke betekenis heeft. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/5252

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: M.J.H. Zijlstra),

en

het college van bestuur van stichting Surplus, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Heussen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2014 (primaire besluit 1) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 januari 2014 aangesteld als vakleerkracht.

Bij besluit van 25 juni 2014 (primaire besluit 2) heeft verweerder de functie van eiseres in het risicodragend deel van de formatie (RDDF) geplaatst.

Bij besluit van 3 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres – contrair aan het advies van de adviescommissie bezwaarschriften – ongegrond verklaard, maar de ingangsdatum van de aanstelling als vakleerkracht gewijzigd naar 11 april 2014.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiseres is bij akte van 7 oktober 2010 met ingang van 1 augustus 2010 aangesteld als leraar speciaal (basis)onderwijs B, aan de school voor voortgezet speciaal onderwijs [school naam] te [plaats] . Dit betreft een cluster 2 school (voor kinderen met auditieve handicaps en taalstoornissen). Eiseres beschikt over een tweedegraads bevoegdheid Engels. Dat betekent dat eiseres in de onderbouw van het voortgezet (speciaal) onderwijs Engels mag geven.

1.2

Bij het primaire besluit 1 is de functie waarin eiseres is aangesteld gewijzigd in vakleerkracht. Eiseres beoogt met haar beroep haar oude aanstelling als leraar te behouden. Voorts beoogt zij met haar beroep te voorkomen dat haar functie in het RDDF wordt geplaatst.

1.3

Per 1 augustus 2015 zijn de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs door verweerder overgedragen aan stichting VierTaal. Verweerder heeft nu alleen nog scholen voor primair onderwijs in beheer.

1.4

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 oktober 2015 ontslag verleend wegens opheffing van de betrekking dan wel wegens een zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs dat haar werkzaamheden overbodig zijn geworden. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

2. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiseres, gelet op de omstandigheid dat geen rechtsmiddel is aangewend tegen het ontslagbesluit, nog belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over haar beroep.

3. Eiseres heeft daarover gesteld dat de formele rechtskracht niet afdoet aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Het feit dat eiseres onderhavige procedure volgt, getuigt al van voldoende bezwaar tegen het eindigen van het dienstverband.

4. Verweerder heeft ter zitting verklaard niet bereid te zijn, en gelet op de ontwikkelingen in de organisatie ook niet in staat te zijn, het ontslagbesluit in te trekken indien de rechtbank zou oordelen dat het hier in geding zijnde besluit geen stand zou kunnen houden.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben (CRvB 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946).

6. Nu tegen het besluit van 23 juni 2015 geen rechtsmiddel is aangewend, staat dit besluit rechtens vast. Het ontslag van eiseres per 1 oktober 2015 is daarmee definitief. Een oordeel van de rechtbank over het in deze procedure bestreden besluit zal hieraan niets kunnen veranderen. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij door het bestreden besluit geen (financiële) schade heeft geleden. Derhalve is ook geen sprake van een belang gelegen in het verkrijgen van schadevergoeding.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is het procesbelang van eiseres komen te vervallen. Met de onderhavige procedure kan eiseres niet een resultaat bereiken dat voor haar feitelijke betekenis kan hebben.

8. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, en mr. I. de Greef en mr. H.M. Frons, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.