Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9235

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4110
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor verbouwing van gebouwencomplex bestemd voor huisvesting van arbeidsmigranten.

“… De verbouw van het pand ten behoeve van het huisvesten van 60 arbeidsmigranten hangt onlosmakelijk samen met het beoogde gebruik. De bouw en het gebruik kunnen niet los worden gezien van elkaar en beide aspecten dienen dan ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in één vergunningsprocedure te worden beoordeeld.

Nu dit niet is geschied, is er reden om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen …”

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/4110

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , verzoekers,

(gemachtigde: mr. T. de Beet),

en

het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon, verweerder,

(gemachtigde: C. Nijhuis).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: NL Services Nederland B.V., te Maasdijk,

(gemachtigde: G.W. Gravesteijn)

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2015 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan NL Services Nederland B.V. (hierna: vergunninghouder) voor het verbouwen van het gebouwencomplex op het perceel [adres 1] in [plaats 1] .

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2015. [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder en vergunninghouder zijn verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Blijkens het verhandelde ter zitting was het pand aan de [adres 1] tot 2002 in gebruik als café. Nadien is het door de opvolgende eigenaar verhuurd aan arbeidsmigranten. Vergunninghouder heeft het pand in 2014 gekocht. In juni 2014 is het pand op last van de brandweer gesloten omdat de brandveiligheid in geding was.

3. Het bouwplan voorziet in een interne verbouwing, een aanpassing van gevelopeningen, een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein en de plaatsing van een dakopbouw. Doel van de verbouwing is om in het pand 60 arbeidsmigranten te kunnen huisvesten. Op het betreffende perceel rust ingevolge het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2006” de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (B)” met de aanduiding “ht” (hotel). Verzoekers wonen aan de [adres 2] , naast het perceel waarop het bouwplan wordt gerealiseerd.

4. Verweerder heeft voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen en voor de activiteit gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Laatstgenoemde activiteit ziet op het bouwen van een hogere goothoogte (van de nieuwe dakopbouw) op basis van een binnenplanse afwijkings-bevoegdheid.

5. Verzoekers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met bestemming “Bedrijfsdoel-einden (B)” met de aanduiding “ht” (hotel), dat de exploitatie van de logiesfunctie voor 60 arbeidsmigranten -mede gelet op de vele nare ervaringen van eisers in het verleden- voor veel overlast zal zorgen en dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering is die aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat, omdat de arbeidsmigranten voor het parkeren van hun auto’s deels over het perceel van verzoekers moeten rijden.

6. Namens verweerder is ter zitting aangegeven dat vergunninghouder snel met de verbouwing wilde beginnen. Om die reden is er -aldus verweerders gemachtigde ter zitting- voor gekozen de vergunningverlening ‘op te knippen’. De verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteit bouwen en op de activiteit bouwen in afwijking van het bestemmingsplan. Verweerder erkent dat de exploitatie van het arbeidsmigrantenpension in strijd is met de vigerende bestemming en te zijner tijd zal hij zich buigen over de vraag of ook vergunning kan worden verleend voor het van het bestemmingsplan afwijkende gebruik.

7. Namens verzoekers is in reactie daarop - zakelijk weergegeven - aangegeven dat verweerder in één omgevingsvergunning over zowel de bouw als het beoogde gebruik had dienen te beslissen en dat hij niet bevoegd is eerst een vergunning te verlenen voor enkel de activiteit bouwen om pas op een later moment een besluit te nemen over de vraag of het beoogde gebruik kan worden toegestaan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningen-rechter treft dit betoog doel. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt -verkort weergegeven- voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Uit dit artikel volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat bij de toetsing van een bouwplan aan het bestemmingsplan niet alleen moet worden bezien of het bouwplan voldoet aan de bouwvoorschriften maar tegelijkertijd ook moet worden beoordeeld of het beoogde gebruik al dan niet in overeenstemming is met de gebruiks-voorschriften. Deze integrale wijze van beoordeling is logisch en volgt uit de aard der zaak nu het bouwplan immers wordt gerealiseerd met het oog op een bepaald gebruik; in dit geval de huisvesting van 60 arbeidsmigranten. De verbouw van het pand ten behoeve van het huisvesten van 60 arbeidsmigranten hangt onlosmakelijk samen met het beoogde gebruik. De bouw en het gebruik kunnen niet los worden gezien van elkaar en beide aspecten dienen dan ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in één vergunningsprocedure te worden beoordeeld.

8. Nu dit niet is geschied, is er reden om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen in dier voege dat het besluit van 30 juli 2015 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter komt gelet op het vorenstaande niet toe aan een bespreking van de grieven van verzoekers over de gevreesde overlast en de gestelde evidente privaatrechtelijke beperking.

9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het besluit van 30 juli 2015 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,-- aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 980,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.