Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9214

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
15/800521-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar heeft op 26 oktober 2015 acht jaar gevangenisstraf opgelegd aan een 30-jarige vrouw uit Hoorn. De rechtbank acht bewezen dat zij op 3 oktober 2014 in hun eigen woning heeft geprobeerd haar echtgenoot van het leven te beroven.

De vrouw heeft haar echtgenoot die bewuste dag, in het kader van een sexspelletje, geblinddoekt en geboeid hetgeen volgens het latere slachtoffer niet ongebruikelijk was in hun relatie. Volgens de rechtbank is er voldoende bewijs dat zij haar echtgenoot daarna - terwijl hij weerloos was - eerst met een buigveer op het hoofd heeft geslagen en vervolgens meermalen met een mes in de borst gestoken.

De rechtbank heeft het slaan met de buigveer juridisch als poging tot doodslag beoordeeld en het daarna door de vrouw steken van haar echtgenoot met het mes, als poging tot moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800521-14 (P)

Uitspraakdatum: 26 oktober 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit (eind)vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 31 maart 2015, 7 juli 2015, 29 september 2015 en 12 oktober 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis.

Naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2015 heeft deze rechtbank op 14 april 2015 een interlocutoir vonnis gewezen, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast geldt. In dit vonnis is bepaald dat het onderzoek ter terechtzitting wordt heropend, voor bepaalde tijd wordt geschorst en de zaak wordt verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen te worden gehoord op de mogelijkheid van plaatsing in het Pieter Baan Centrum. Verdachte is op 21 april 2015 gehoord door de rechter-commissaris en door deze is op diezelfde datum bevolen dat verdachte zo spoedig mogelijk zal worden overgebracht naar de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum te Utrecht en daar ter observatie zal worden opgenomen. Op 7 juli 2015 is de (voortgezette) behandeling aangehouden tot de terechtzitting van 29 september 2015 en vervolgens, op 29 september 2015, tot 12 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. de Vries en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

zij op of omstreeks 03 oktober 2014 te Andijk in de gemeente Medemblik ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (haar echtgenoot) [slachtoffer] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven te beroven, die [slachtoffer] een of meer ke(e)r(en) met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borst, althans het lichaam heeft gestoken en/of die [slachtoffer] een of meer ke(e)r(en)(met kracht) met een honkbalknuppel, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

zij op of omstreeks 03 oktober 2014 te Andijk, in de gemeente Medemblik aan (haar echtgenoot) [slachtoffer] opzettelijk (en met voorbedachten rade) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer] een of meer ke(e)r(en) met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borst, althans het lichaam te steken en/of die [slachtoffer] een of meer ke(e)r(en) (met kracht) met een honkbalknuppel, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd te slaan.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot moord. De officier van justitie heeft de bewezenverklaring gebaseerd op de verklaring van aangever [slachtoffer] , het forensische onderzoek en de rapportages van het NFI. Op grond daarvan is de officier van justitie van mening dat vastgesteld kan worden dat verdachte haar echtgenoot [slachtoffer] met kracht met een buigveer op zijn hoofd heeft geslagen en meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken teneinde hem om het leven te brengen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dit met voorbedachte raad heeft gedaan. Daartoe heeft zij aangevoerd dat:

- verdachte [slachtoffer] eerst heeft geblinddoekt en geboeid en hem daardoor weerloos heeft gemaakt. Verdachte was bekend met het door [slachtoffer] gewenste seksspel en kon haar plan daar dus op afstemmen;

- de buigveer volgens [slachtoffer] normaliter beneden stond en verdachte deze dus tevoren van beneden heeft moeten meenemen. Ook het touw waarmee zij [slachtoffer] heeft geboeid, was normaliter niet in de woning aanwezig;

- het mes in de keuken thuis hoort en dat verdachte derhalve ook dit mes tevoren van beneden heeft moeten meenemen, tenzij zij na het slaan met de buigveer naar beneden is gegaan om het mes uit de keuken te halen, maar ook in dat geval is er sprake van voorbedachte raad;

- verdachte in de ochtend voorafgaand aan het delict aan [slachtoffer] een sms heeft gestuurd met het verzoek om de voordeur of garage niet op slot te doen omdat zij haar sleutels is vergeten. Dit bood ruimte aan het door haar bedachte scenario dat derden (junkies) de woning zouden zijn binnengedrongen. Met datzelfde doel heeft ze amfetamine aangeschaft en na het delict op tafel neergelegd;

- ook uit het handelen door verdachte na de poging tot moord blijkt dat er sprake is van een vooropgezet plan: het meenemen van de buigveer naar beneden, het omkleden en wegmaken van haar kleding, het bezoek aan haar ouders en het onthouden van hulp aan [slachtoffer] ;

- verdachte op 26 juli 2014 een boek van Karen Rose heeft geleend, “You belong to me”, welk boek gaat over een seriemoordenaar die zijn slachtoffers overmeestert, vastbindt, met een honkbalknuppel slaat, en vervolgens met een mes doodsteekt;

- verdachte heeft op internet met de zoekterm ‘hersenen’ gezocht.

De officier van justitie kwalificeert het feit als een poging tot moord, meermalen gepleegd (eerst door het slaan met de buigveer, vervolgens door het steken met het mes).

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van zowel het primair als subsidiair aan verdachte ten laste gelegde feit bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van het slaan met een honkbalknuppel heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hiervoor geen wettig bewijs is en ten aanzien van het slaan met een hard voorwerp dat op de aangetroffen buigveer weliswaar bloed van [slachtoffer] is aangetroffen, maar geen DNA van verdachte. Dat laatste in combinatie met de omstandigheid dat verdachte zich niet kan herinneren dat zij [slachtoffer] zou hebben geslagen met een hard voorwerp maakt volgens de raadsman dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet onomstotelijk vast staat. Voorts is de raadsman van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] . Uit de verklaring van verdachte kan niet worden afgeleid dat haar vermeende handelen gericht was op de dood van [slachtoffer] dan wel dat zij de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard. Ook het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ kan volgens de raadsman niet bewezen worden, nu op basis van het dossier niet valt vast te stellen wanneer door verdachte het eventuele besluit is genomen [slachtoffer] te doden noch of verdachte tijd heeft gehad zich op dat besluit te beraden.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte komt op 3 oktober 2014 rond 17.30 uur thuis van haar werk2 in de door haar samen met [slachtoffer] en hun dochtertje bewoonde twee-onder-een-kap woning aan de [adres verdachte] . Na thuiskomst gaan verdachte en [slachtoffer] gaan via de ladder naar de bovenverdieping. Op het trappetje van de op de bovenverdieping gelegen slaapkamer naar de badkamer beginnen verdachte en [slachtoffer] met een seksspelletje.3 Verdachte bindt daarbij de handen van [slachtoffer] voor zijn lichaam aan elkaar vast met strotouw. Verdachte blinddoekt [slachtoffer] daarna met een sjaal, waardoor hij niets meer kan zien. [slachtoffer] voelt daarop een enorme dreun op zijn hoofd. Hij zit dan nog op het trappetje. [slachtoffer] staat op en loopt de slaapkamer in, waar hij schreeuwt en op het bed springt. Vervolgens raakt hij bewusteloos.4 Wanneer [slachtoffer] bijkomt, ziet hij dat hij steekwonden heeft in zijn borst, buik en hoofd. Hij bloedt hevig. [slachtoffer] loopt naar beneden naar de badkamer op de begane grond en doet de deur op slot.5 Hij pakt een schaar en knipt daarmee het strotouw door. De blinddoek heeft [slachtoffer] in de slaapkamer al gedeeltelijk voor zijn ogen weg geschoven en in de badkamer doet hij de blinddoek af. [slachtoffer] glijdt in de badkamer uit over zijn eigen bloed en ligt daar vervolgens een tijd op de grond. Terwijl [slachtoffer] in de badkamer is, hoort hij dat de voordeur open gaat en dat een persoon via de vaste trap naar boven gaat en daarna via de ladder weer naar beneden komt. [slachtoffer] doet de badkamerdeur open op een kiertje en ziet verdachte via de bijkeuken de keuken in lopen. Verdachte heeft een mes vast met een zwart handvat. [slachtoffer] schreeuwt dat verdachte het mes weg moet gooien. Op een gegeven moment doet verdachte dat ook. [slachtoffer] hoort verdachte daarna bellen met haar moeder. [slachtoffer] loopt van de badkamer naar de bank in de woonkamer en gaat daar zitten. Verdachte zegt tegen [slachtoffer] dat ze kunnen doen alsof junkies het gedaan hebben.6

Op 3 oktober 2014 omstreeks 18.38 uur wordt er een melding gedaan bij de Centrale Meldkamer te Alkmaar. De melding betreft het adres [adres verdachte] .7 Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn omstreeks 18.40 uur ter plaatse. Zij worden binnen gelaten door een vrouw (verdachte) en treffen in de woning op de bank een bebloede man ( [slachtoffer] ) aan. De man draagt enkel een boxershort. De man zegt dat junkies het gedaan hebben en geeft aan dat het niet goed met hem gaat. Hij wordt ter plaatse onderzocht door ambulancepersoneel. Het ambulancepersoneel geeft aan dat de ademhaling van de man verslechtert en dat hij daarom direct naar het ziekenhuis moet.8

[slachtoffer] is onderzocht door forensisch arts [forensisch arts] . Deze constateert bij [slachtoffer] meerdere penetrerende steekverwondingen in het lichaam. Het gaat om dwars verlopende scherprandige penetrerende wonden in de linker bovenbuik, links op de borst ongeveer midden voor het hart en rechts op het voorhoofd. Voorts is sprake van traumatisch schedelhersenletsel, te weten een fractuur van het schedeldak, een beperkte hersenbloeding en kleine hersenkneuzingshaarden. Boven op de kruin van [slachtoffer] is een wond waarneembaar met meer een scheur aspect dan een scherprandig aspect. De kruinverwonding geeft een ander voorwerp/richting beeld dan de steekletsels.9

In de woning aan de [adres verdachte] , gemeente Medemblik, is forensisch onderzoek verricht. In de trommel van de wasmachine lag een mes met een bebloed lemmet tussen het wasgoed. In de slaapkamer is op het bed/matras een grote uitgelopen en in de onderlagen geabsorbeerde concentratie bloed zichtbaar. Het bloedbeeld past bij de situatie waarin een persoon met bloedende verwondingen gedurende relatief langere tijd op het bed ligt. Onder het bed lag een visueel schoon vleesmes. Op de overloop wordt een, voornamelijk bij het gedeelte voor de voetzool bebloede dames sok, aangetroffen. Op de vaste trap naar beneden is op de derde traptrede passief bloed zichtbaar en op de trapleuning zijn meerdere uitgelopen bloedspatten zichtbaar. Op de vloer in de gang zijn afdrukpatronen van voetzolen richting de woonkamer en richting de voordeur zichtbaar. In de woonkamer voor de salontafel wordt een hoeveelheid geveegd bloed aangetroffen. Hier zijn schoonmaakwerkzaamheden verricht waarna er weer bloed op is gevallen. Verder is de bank in de woonkamer bebloed. In de bovenste keukenlades aan beide zijden van de gootsteen zijn bloeddruppels aangetroffen. In de bijkeuken ligt een buigveer op de vloer. In de badkamer (beneden) wordt een grote hoeveelheid bloedsporen aangetroffen in verschillende verschijningsvormen. Op de vloer verspreid over de badkamer zijn veel vegen met bloed zichtbaar, hetgeen past bij de situatie waarin een persoon met bloedende verwondingen relatief langere tijd laag bij de vloer verblijft. Op de vloer wordt een sjaal, oranjekleurig touw en een leren riem aangetroffen. Ook worden in de badkamer twee scharen aangetroffen. De bondage-attributen zijn bebloed en zo in elkaar geknoopt dat het past bij een persoon die met deze attributen gekneveld is geweest. Twee uiteinden van het touw waren scherprandig, hetgeen past bij het afsnijden of afknippen van het touw. De verbalisanten concluderen dat de omschreven situatie het meest past bij de hypothese dat [slachtoffer] ernstig gewond raakt in of nabij de slaapkamer op de eerste verdieping en zich daarna op enig moment ophoudt in de woonkamer en badkamer.

Er is geen indicatie in het bloed- en sporenbeeld aangetroffen dat kan duiden op het ten tijde van het incident in deze woning aanwezig zijn van één of meer onbekende personen.10

De sok en buigveer zijn door het NFI bemonsterd en deze bemonsteringen zijn veiliggesteld voor DNA-onderzoek en onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Er is bloed aangetroffen in zowel de bemonsteringen van de buigveer als in de bemonsteringen van de sok. Op de bemonsteringen van een handvat en randen van meerdere handvatten van de buigveer en van het midden van de buigveer wordt celmateriaal aangetroffen met een DNA-profiel dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] , waarbij – kort gezegd – de matchkans kleiner is dan één op één miljard. Op de bemonstering van de binnenkant van de sok wordt een DNA-mengprofiel aangetroffen van [slachtoffer] en verdachte, waarbij de matchkans van de afgeleide DNA-profielen kleiner is dan één op één miljard. Tot slot wordt op een andere bemonstering van de binnenkant van de sok en op een bemonstering van een deel van het bloed op het loopvlak aan de buitenkant van de sok celmateriaal met een DNA-profiel aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] , waarbij ook hier de matchkans één op één miljard betreft.1112

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] op enig moment tegen haar heeft gezegd: ‘Prinses, doe dat mes weg’, dat zij daarna naar beneden keek en zag dat zij een mes vast had.13

De moeder van verdachte, [moeder verdachte] , heeft verklaard dat verdachte op 3 oktober 2014 rond 17.45 uur de woning van haar ouders binnen kwam ( [adres ouders verdachte] ).14

Uit de analyse van het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij verdachte, en het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij de ouders van verdachte, is gebleken dat er op 3 oktober 2014 tussen 18.16 en 18.38 uur – op welk moment door de moeder van verdachte naar 112 wordt gebeld – tussen deze telefoonnummers gesprekken worden gevoerd dan wel belpogingen worden gedaan. Zo is er (een poging tot) contact tussen deze telefoonnummers om 18.16, 18.18, 18.21, 18.25, 18.32, 18.35 en 18.37 uur. Om 18.25 uur duurt dit contact 68 seconden en om 18.35 uur duurt dit contact 64 seconden.15

3.4.

Bewijsoverweging

Daderschap

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden vaststaat dat verdachte op 3 oktober 2014 haar echtgenoot [slachtoffer] in hun eigen woning, terwijl hij gekneveld en geblinddoekt was, met kracht op het hoofd heeft geslagen met een buigveer en hem vervolgens, terwijl hij bewusteloos op het bed lag, meerdere malen in zijn bovenlichaam heeft gestoken met een mes. De verklaringen van [slachtoffer] worden ten aanzien van het tenlastegelegde volledig ondersteund door het forensisch onderzoek, het DNA-onderzoek, de medische gegevens, de bevindingen van de eerst ter plaatse gekomen verbalisanten en de verklaring van verdachte dat zij een mes in haar handen had. Daar komt bij dat aanwezigheid van anderen dan [slachtoffer] en verdachte in de echtelijke woning nergens uit blijkt en dat door of namens verdachte ook overigens geen aannemelijk alternatief scenario is geschetst.

Opzet

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte [slachtoffer] van het leven wilde beroven. De geweldshandelingen en het daarmee toegebrachte letsel zijn van dien aard dat het niet anders kan dan dat verdachte opzet op de dood van [slachtoffer] had. Het slaan met de buigveer op het hoofd van [slachtoffer] is met zodanige kracht gedaan dat dit een schedelbreuk ten gevolge heeft gehad. Uit de aard van de geweldshandeling, het daarbij gebruikte voorwerp en het ontstane letsel, kan worden afgeleid dat verdachte daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet op de dood van haar echtgenoot heeft gehad, dat wil zeggen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Het vervolgens meerdere keren steken met een mes in het bovenlichaam van het bewusteloze slachtoffer kan niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte daarbij de intentie (‘vol opzet’) had om hem van het leven te beroven. Daarbij neemt de rechtbank tot slot nog in aanmerking dat verdachte gedurende langere tijd een van haar ouders heeft gebeld en geprobeerd te bellen, in plaats van dat zij hulpdiensten heeft ingeschakeld. Pas om 18.38 uur heeft haar moeder 112 gebeld. Daaruit blijkt dat verdachte niet heeft geprobeerd het leven van haar echtgenoot te redden.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat (ECLI:NL:HR:2012:BX6758).

Slagwapen, partiële vrijspraak

De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld met een vooropgezet plan en komt tot vrijspraak van de voorbedachte raad ten aanzien van het slaan met de buigveer. Op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden uitgesloten dat verdachte op dat moment heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De officier van justitie wijst met recht naar een aantal omstandigheden die in de richting van een zorgvuldig beraamde moord wijzen, maar, ook in onderlinge samenhang bezien, zijn die niet van dien aard dat het wettig bewijs voor die voorbedachte raad daaruit onmiskenbaar naar voren komt. Daarbij neemt de rechtbank meer in het bijzonder – ten aanzien van de door de officier van justitie naar voren gebrachte feiten en omstandigheden – het volgende in aanmerking.

[slachtoffer] was op het moment van slaan met de buigveer gekneveld en geblinddoekt en daarmee weerloos, maar hij had hier zelf mee ingestemd omdat dit onderdeel was van een seksspel dat verdachte en [slachtoffer] vaker samen speelden. Het enkele gegeven dat [slachtoffer] door verdachte weerloos was gemaakt, levert dus op zichzelf geen bewijs op van een vooropgezet plan. Ook de aanwezigheid van het strotouw past binnen de uitvoeringshandelingen van dit spel.

Dat geldt niet voor de buigveer, die verdachte na het vastbinden van [slachtoffer] kennelijk in haar nabijheid heeft gehad, maar dat deze door verdachte op voorhand, met de bedoeling om deze als slagwapen te gebruiken, op de bovenverdieping is neergelegd, staat niet vast. Dat de buigveer wellicht normaliter beneden staat, is daarvoor onvoldoende. De buigveer betreft een trainingsattribuut en [slachtoffer] heeft eerder op die dag nog een bericht aan verdachte gestuurd dat hij die dag had getraind. Bovendien is niet gebleken dat verdachte ’s ochtends voordat zij wegging wist dat [slachtoffer] op de dag van het tenlastegelegde het seksspel wilde spelen. Het initiatief daartoe lijkt immers van [slachtoffer] gekomen op het moment dat verdachte al op haar werk was, getuige de tussen hen gestuurde tekstberichten. Ook het door verdachte gestuurde verzoek om de voordeur of garage open te laten, bewijst voorbedachte raad niet. Dit zou als onderdeel van het gestelde moordplan ook weinig toegevoegde waarde hebben gehad, omdat verdachte bij haar vertrek uit de woning rond 17.45 uur, op weg naar haar ouders, de deur van het slot had kunnen laten om zo de mogelijkheid te creëren dat junkies voor de aanval op [slachtoffer] verantwoordelijk waren.

De handelingen die verdachte na het plegen van het feit heeft verricht, kunnen zoals hiervoor is overwogen, voor een deel wel bijdragen aan het bewijs van opzet op de dood van [slachtoffer] , maar kunnen net zo goed passen bij een poging tot doodslag als bij een poging tot moord. Immers, ook iemand die een ander in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling om het leven probeert te brengen, kan vervolgens het spoor naar een derde willen laten leiden en verzuimen om (tijdig) hulp te halen.

Van het boek ‘You belong to me’ is weliswaar gebleken dat verdachte dit heeft geleend, maar zij ontkent dat ze het gelezen heeft. Niet is komen vast te staan dat haar verklaring hieromtrent leugenachtig is. Evenmin kan het door verdachte op internet zoeken naar de term ‘hersenen’ de conclusie van de officier van justitie dragen, nu [slachtoffer] psychische en depressieve klachten had die verdachte lijken te hebben bezig gehouden. Er is vervolgens ook doorgeklikt naar de website van de Hersenstichting, wat daarop zou kunnen aansluiten. Daar tegenover ziet de rechtbank niet in waarom iemand die een moord wil gaan plegen door iemand met een hard voorwerp op het hoofd te slaan, daarvoor informatie over hersenen, of van de Hersenstichting in het bijzonder, nodig zou hebben.

Ten slotte zou in de visie van de officier van justitie een aanwijzing voor voorbedachte raad de verklaring van [slachtoffer] omtrent de in de woonkamer aangetroffen amfetamine zijn. Volgens [slachtoffer] heeft verdachte het zakje met drugs uit haar portemonnee gehaald en op tafel gedeponeerd om haar geënsceneerde verhaal over een aanval door junkies kracht bij te zetten. Verdachte heeft hierover verklaard dat zij überhaupt geen idee heeft hoe ze aan amfetamine zou moeten komen. Het is niet bekend of haar verklaring op dit punt op waarheid berust, dat is niet nader onderzocht. De aanwijzingen in het dossier ten aanzien van het gebruik van dan wel de handel in verdovende middelen in het verleden of ten tijde van het tenlastegelegde, zien op [slachtoffer] en niet op verdachte. Al met al is hieromtrent onvoldoende duidelijkheid ontstaan om een bewezenverklaring van voorbedachte raad op te kunnen laten steunen.

Al deze door de officier van justitie genoemde indicaties dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan, kunnen die conclusie – ieder voor zich, maar ook in onderlinge samenhang beschouwd – dan ook niet in voldoende mate dragen. Niet valt uit te sluiten dat verdachte in een vlaag van woede, een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, naar de buigveer heeft gegrepen. Verdachte zal om die reden in zoverre van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Steekwapen

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte door het meermalen steken met een mes wel met voorbedachte raad heeft gepoogd [slachtoffer] om het leven te brengen. Ook ervan uitgaande dat er geen sprake is geweest van een tevoren uitgedacht moordplan, zijn er voldoende feiten en omstandigheden vast te stellen die meebrengen dat er hier sprake is van ‘voorbedachte raad’, zoals dat bestanddeel op bovenvermelde wijze door de Hoge Raad wordt uitgelegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Nadat [slachtoffer] op zijn hoofd was geslagen, stond hij op, liep hij vanaf het trappetje de slaapkamer in, sprong hij op het bed en schreeuwde hij. Vervolgens heeft hij het bewustzijn verloren. Verdachte is vervolgens (of intussen) een steekwapen gaan halen, naar alle waarschijnlijkheid in de keuken – waar de messen normaliter liggen en waar een bloedspoor in de keukenlade met messen is aangetroffen – en daarna naar het bed in de slaapkamer gelopen, waar [slachtoffer] bewusteloos, gekneveld en geblinddoekt lag. Daarna heeft zij [slachtoffer] meermalen in zijn bovenlichaam gestoken.

Verdachte heeft aldus voldoende gelegenheid en tijd gehad om zich te beraden op haar besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven, overigens ook in het geval dat het gebruikte mes al op de bovenverdieping heeft gelegen. Nadat [slachtoffer] bewusteloos was geraakt, kon er geen enkele dreiging van hem uitgaan, die haar gelegenheid om tot uitvoering van het misdrijf te komen, kon beperken. Hoeveel tijd verdachte daadwerkelijk heeft genomen om tot het steken te komen, is onduidelijk gebleven. [slachtoffer] kan daar immers niets over verklaren. Maar uit het voorgaande blijkt wel dat er enige tijd tussen het slaan met de buigveer en het steken met het mes heeft gezeten, genoeg om niet meer van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling te kunnen spreken. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding om een zwaarder gewicht toe te kennen aan enige contra-indicatie – voor zover daarvan al sprake is – zoals door de Hoge Raad omschreven. Zo is de gelegenheid tot beraad niet pas tijdens de uitvoering van het besluit ontstaan, wel is die gelegenheid er ook tijdens de uitvoering van het besluit geweest, gezien de meerdere steekverwondingen. Verdachte heeft dus in ieder geval na het slaan met de buigveer de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. In zoverre is de ten laste gelegde voorbedachte raad dus bewezen.

Voortgezette handeling

De rechtbank gaat ervan uit dat de aldus bewezen te verklaren poging tot doodslag en poging tot moord voortkomen uit hetzelfde wilsbesluit – [slachtoffer] om het leven brengen – en zal derhalve deze levensdelicten in het voordeel van verdachte aanmerken als een voortgezette handeling. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat deze delicten van gelijke aard zijn, ten aanzien van hetzelfde slachtoffer zijn gepleegd en dichtbij elkaar en in een (betrekkelijk) kort tijdsbestek na elkaar zijn begaan.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 3 oktober 2014 te Andijk in de gemeente Medemblik ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar echtgenoot [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] een keer met kracht met een hard voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

zij op 3 oktober 2014 te Andijk in de gemeente Medemblik ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar echtgenoot [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven te beroven, die [slachtoffer] meerdere keren met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders primair ten laste is gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

De voortgezette handeling van

Poging tot doodslag

en

Poging tot moord.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

5.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en dat verdachte derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman gesteld dat verdachte is mishandeld door [slachtoffer] , dat zij tegen haar zin seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] en dat zij door hem werd gekleineerd. De raadsman acht het aannemelijk dat alles bij elkaar bij verdachte een zodanige psychische toestand heeft opgewekt dat, toen verdachte wederom werd geacht seksuele handelingen bij hem te verrichten, er iets bij haar is ‘geknapt’ waardoor zij niet meer wist om te gaan met die situatie en aldus is gekomen tot het plegen van het feit waarvan zij wordt verdacht.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op psychische overmacht dient te worden verworpen. Zij overweegt hiertoe dat, zelfs als wordt uitgegaan van de verklaringen van verdachte dat zij door [slachtoffer] werd mishandeld en misbruikt, niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een zodanige psychische drang dat verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen of behoren te bieden. De officier van justitie wijst er daarbij op dat psycholoog [psycholoog] in zijn Pro Justitia rapportage stelt dat er bij verdachte geen lijdensdruk waarneembaar is.

De officier van justitie concludeert voorts dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht, onder verwijzing naar de in deze zaak opgemaakte Pro Justitia rapportages.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Psycholoog [psycholoog] heeft bij Pro Justitia rapportage van 25 maart 2015 onder meer het volgende bevonden:

Uitgaande van het geheel aan beschikbare informatie kan er bij betrokkene in diagnostische zin niet worden gesproken van een psychische stoornis.

Indien ervan uitgegaan zou worden dat zij tijdens dit onderzoek naar vermogen heeft gepresteerd, dan zouden hieruit aanwijzingen naar voren zijn gekomen voor een trage cognitieve verwerkingssnelheid, een aandachtsstoornis, een geheugenstoornis en een beperkt vermogen om te plannen. Er zijn uit het testonderzoek evenwel de nodige aanwijzingen naar voren gekomen dat betrokkene geneigd geweest is om tijdens het testonderzoek onder haar feitelijke kunnen te presteren en aldus neuropsychologische klachten te simuleren dan wel te aggraveren. Rapporteur is sterk geneigd te denken dat bij betrokkene geen sprake is van daadwerkelijke geheugenstoornissen.

Ofschoon betrokkene in bepaalde opzichten wat kinderlijk overkomt, geeft het onderhavige onderzoek ook geen aanleiding bij haar te kunnen spreken van een persoonlijkheidsstoornis.

Indien ervan uitgegaan wordt dat betrokkenes verhaal over de problemen met haar ex-echtgenoot op waarheid berust, dat zij in de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde inderdaad stelselmatig door hem zou zijn gekleineerd, regelmatig ook zou zijn bedreigd en mishandeld, en bovendien een paar keer zou zijn verkracht, dan is het voorstelbaar dat deze problemen voor haar psychisch belastend zijn geweest en tot gevoelens van verdriet, somberheid, gespannenheid en angst hebben geleid. Desalniettemin zijn uit het onderhavige psychologische onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen dat bij haar sprake is geweest van een stemmingsstoornis of een angststoornis. Ook lijkt geen sprake geweest te zijn van een aanpassingsstoornis; afgaande op de beschikbare informatie zijn genoemde gevoelens niet erger geweest dan wat in een dergelijke situatie verwacht kan worden, hebben deze geen pathologische vormen aangenomen.

Tot slot zijn uit het onderzoek ook geen aanwijzingen naar voren gekomen dat betrokkene naar aanleiding van problemen met haar ex-echtgenoot of het tenlastegelegde is getraumatiseerd en als gevolg daarvan een posttraumatische stressstoornis heeft ontwikkeld. Tot slot zijn bij haar, wanneer met haar over de voormalige problemen met haar ex-echtgenoot of over het tenlastegelegde wordt gepraat, geen intens psychisch lijden of fysiologische reacties waar te nemen.

Aangezien er bij betrokkene geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, en er derhalve ook geen sprake is van een verband tussen een stoornis en het tenlastegelegde, kan zij ten aanzien van het ten laste gelegde feit volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

Mede naar aanleiding van deze onderzoeksbevindingen heeft de rechtbank bevonden dat zij onvoldoende was ingelicht omtrent de persoon van verdachte en is verdachte, na tussenvonnis van 14 april 2015, in het Pieter Baan Centrum opgenomen geweest.

De conclusie in de daaruit voortgekomen Pro Justitia rapportage van 2 oktober 2015 luidt als volgt.

Er worden in het onderhavige onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor een psychiatrische stoornis in heden of verleden, zoals een PTSS, angst-, aanpassings-, hersenorganische, psychotische, depressieve of dissociatieve stoornis. Dissociatieve fenomenen zijn voor betrokkene in het heden en verleden niet een voor haar kenmerkende manier van omgaan met stress geweest. Ook is er geen sprake van een verstandelijke beperking of een stoornis in het gebruik van middelen. Evenmin voldoet betrokkene in classificerende zin aan de kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis. Er is bij betrokkene geen sprake van een duurzaam en star patroon van denken, voelen en gedragen, noch van impulsiviteit, gebrekkige empathische vermogens en/of emotionele instabiliteit. Uit de levensloop blijken bovendien geen noemenswaardige problemen in de omgang met anderen, op het werk en in relaties (uitgezonderd het laatste jaar). Wel zijn in de persoonlijkheid enkele typerende wat neurotisch aandoende aspecten opgemerkt en mogelijk onvoldoende rijpe identiteitsontwikkeling.

Het is niet met zekerheid aan te tonen noch uit te sluiten of er sprake is van geheugenverlies voor het tenlastegelegde. Er zijn enkele componenten te noemen die een scenario van organisch of dissociatief geheugenverlies waarschijnlijker of minder waarschijnlijk maken. Aangetekend dient te worden dat dit in forensische zin ook niet heel relevant is: een geheugenprobleem als zodanig zegt immers niets over de mate van toerekeningsvatbaarheid. De aan- of afwezigheid van herinneringen aan een gebeurtenis heeft op zichzelf geen invloed op zaken als agressieregulatie en impulscontrole. Indien een eventueel onderliggende stoornis tot die geheugenproblemen leidt, zou dat wel degelijk relevant kunnen zijn bij de beoordeling van het tenlastegelegde. Wij hebben tijdens het onderhavige onderzoek echter

– zoals hierboven aangegeven – geen aanwijzingen kunnen vinden voor een dissociatieve, post-traumatische of een organische stoornis op basis waarvan de amnesie eventueel zou zijn te verklaren.

Aangezien er in het onderhavige onderzoek geen gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens kan worden vastgesteld, zijn er geen redenen om op die gronden tot een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid te komen. Tijdens de bespreking in het onderzoeksteam werd uitgebreid aandacht besteed aan de conflictueuze relationele omstandigheden waarin betrokkene zich bevond ten tijde van het tenlastegelegde. Zowel betrokkene als aangever schetsen deze conflictueuze relationele omstandigheden, waarbij zij tegenstrijdige verhalen vertellen en elkaar over en weer beschuldigen van agressie. Ook wanneer wij betrokkenes geschetste relationele context volgen, waarbij zij aangeeft onder hevige druk te hebben gestaan, kunnen hieruit eventueel voortvloeiende beperkingen van haar handelingsvrijheid echter niet in pathologische zin worden geduid en kan de strafrechtelijke relevantie van dergelijke factoren binnen onze expertise als gedragskundig onderzoekers niet nader worden gewogen en beoordeeld.

De rechtbank kan zich vinden in de bevindingen van psycholoog [psycholoog] en de onderzoekers in het Pieter Baan Centrum ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank begrijpt hieruit dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht, althans dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid, ongeacht de vraag of zij de waarheid heeft verklaard omtrent haar relationele problemen in 2014 en ongeacht de vraag of zij daadwerkelijk problemen met haar geheugen heeft.

De rechtbank acht verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar voor het tenlastegelegde.

Psychische overmacht

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep van de raadsman op psychische overmacht het volgende.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden (bijvoorbeeld ECLI:NL: HR:2004:AR2067).

Vooropgesteld moet worden dat verdachte telkens heeft verklaard dat zij zich haast niets van het tenlastegelegde kan herinneren en dat zij dus nimmer – noch bij de politie, noch ter terechtzitting – heeft aangegeven dat de door haar gestelde mishandelingen en bedreigingen door aangever een dergelijke drang teweeg hebben gebracht, waaraan zij geen weerstand heeft kunnen bieden. Ook overigens zijn hiervoor onvoldoende aanknopingspunten in het dossier te vinden, ook al bevat het dossier wel aanwijzingen dat verdachte in 2014 onder aanzienlijke druk en met angst voor aangever leefde. Met dien verstande dat de vraag of er sprake was van psychische overmacht een juridische vraag is die niet binnen de expertise van voornoemde gedragsdeskundigen valt, bieden ook de Pro Justitia rapportages onvoldoende houvast om een van buiten komende drang waaraan zij geen weerstand heeft kunnen bieden, aan te kunnen nemen.

Daar komt bij dat, ook als zou moeten worden aangenomen dat er wel van een dergelijke drang sprake is geweest, hieruit niet volgt dat verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand behoefde te bieden. Indien verdachte als gevolg van huiselijk geweld en door angst tot het bewezen verklaarde feit is gekomen, dan levert dat naar het oordeel van de rechtbank nog geen schulduitsluitingsgrond in de vorm van psychische overmacht op voor het zeer ernstige delict dat zij heeft begaan.

Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank de door verdachte naar voren gebrachte relationele problemen, waarvan voldoende duidelijk is geworden dat die er zijn geweest, wel in haar voordeel laten meewegen.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat er bij verdachte sprake was van psychische overmacht.

De rechtbank stelt vast dat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) jaren met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Bij de bepaling van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit, de uitgekookte wijze waarop verdachte dit feit heeft uitgevoerd, de gevolgen van het feit voor [slachtoffer] en de omstandigheid dat verdachte [slachtoffer] naderhand hulp heeft onthouden. Daarbij is de officier van justitie van mening dat het motief van verdachte onhelder en niet invoelbaar is. Dat verdachte een blanco strafblad heeft, weegt de officier van justitie niet mee in haar voordeel gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft wat betreft de strafmaat gewezen op de omstandigheid dat verdachte nooit eerder met justitie in aanraking is geweest, dat een langdurige detentie zal leiden tot beëindiging van haar dienstverband en gedwongen verkoop van haar woning, en dat detentie de relatie met haar dochtertje zal bemoeilijken. De raadsman verzoekt de rechtbank om die redenen, subsidiair, de duur van de detentie te beperken en deze in deels voorwaardelijke vorm op te leggen. Verdachte is bereid zich aan de door de reclassering geadviseerde meldplicht te houden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft haar echtgenoot in hun eigen woning geprobeerd om het leven te brengen door hem – terwijl hij door haar was gekneveld en geblinddoekt en derhalve volkomen weerloos was – op het hoofd te slaan met een buigveer en hem meermalen met een mes in het bovenlichaam te steken. Verdachte heeft vervolgens nagelaten hulp voor hem te halen of een ambulance te bellen. Het is dan ook zeker niet aan verdachte te danken dat [slachtoffer] niet is overleden.

Als gevolg van dit misdrijf heeft [slachtoffer] vier weken in het ziekenhuis gelegen. Er was onder meer sprake van schedel- en hersenletsel, (deels blijvend) longletsel en littekenvorming als gevolg van de geweldshandelingen.

Een ander opzettelijk van het leven beroven, is een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Als het delict voltooid wordt, zijn de gevolgen ervan onomkeerbaar, maar ook als het blijft bij een poging zijn de gevolgen voor het slachtoffer en zijn naasten groot. Daarnaast leiden dergelijke delicten tot grote beroering en gevoelens van angst en onrust in de maatschappij.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 december 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 23 maart 2015 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland;

- het Pro Justitia rapport opgemaakt door psycholoog [psycholoog] en gedateerd 25 maart 2015;

- het rapport betreffende het aanvullend neuropsychologisch onderzoek, eveneens opgemaakt door psycholoog [psycholoog] en gedateerd 25 maart 2015;

- het Pro Justitia rapport opgemaakt door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, gedateerd 2 oktober 2015 en ondertekend door [psycholoog in opleiding] , psycholoog in opleiding tot GZ-psycholoog, [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, en [psychiater] , psychiater.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat een langdurige vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Deze zal echter van kortere duur zijn dan door de officier van justitie is gevorderd nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het handelen van verdachte niet kwalificeert als het meermalen plegen van een poging tot moord, maar als de voortgezette handeling van een poging tot doodslag en een poging tot moord, en voorts nu de rechtbank rekening houdt met het blanco strafblad van verdachte en haar nog betrekkelijk jonge leeftijd.

Ten slotte geeft de officier van justitie op zichzelf terecht aan dat – nu verdachte aangeeft zich vrijwel niets van het voorval te kunnen herinneren – niet volledig duidelijk is geworden wat het motief achter het delict is geweest, maar de rechtbank neemt in dit verband wel in ogenschouw de benarde thuissituatie waarin zij in 2014 verklaart te hebben gezeten en waarvoor in het dossier ook aanknopingspunten zijn te vinden. Zo heeft verdachte in het Pieter Baan Centrum aan psychiater [psychiater] onder meer het volgende verteld.

In de loop van 2014 werden de problemen alras erger, zo vertelt betrokkene. [slachtoffer] zou vaker fysiek agressief zijn, kleinerende opmerkingen hebben gemaakt, haar hebben willen controleren en overheersen, haar geregeld niet meer herkennen en haar ook tot tweemaal toe verkracht hebben. “Ik lag daar en ik herkende hem niet meer, die blik in zijn ogen…” Ook vroeg hij steeds vaker om een seksuele dienst in ruil voor bijvoorbeeld toestemming om haar paard te verzorgen. “Geen seks, dat hadden we nauwelijks meer.” Op zijn initiatief werden er ‘SM-spelletjes’ gespeeld, zij deed naar haar zeggen alles om hem goed gestemd te houden. Betrokkene vertelt steeds banger te zijn geworden voor [slachtoffer] en anderen tegen hem te hebben willen beschermen, zoals hun dochter [dochter slachtoffer en verdachte] en haar ouders. Toen zij voorstelde te scheiden, werd hij naar haar zeggen razend, waarbij hij dreigde haar dochter af te pakken en haar ouders op de bodem van het IJsselmeer te laten belanden. Aangezien betrokkene hem hiertoe in staat achtte, zag zij naar haar zeggen geen uitweg meer. In de periode voor het tenlastegelegde is ze naar de huisarts gegaan in de hoop dat die haar kon helpen, maar tevergeefs, zo vertelt ze. “Ik heb erover nagedacht wat ik anders had kunnen doen, maar ik weet het niet! Als ik met [dochter slachtoffer en verdachte] weg zou zijn gegaan, woonden mijn ouders nog steeds in het huis ernaast.” Zij voegt toe uit angst geen aangifte te hebben durven doen.

Dat deze door verdachte verstrekte informatie in al haar facetten juist is, staat niet vast. Evenmin dat dit de beweegreden achter het bewezen verklaarde feit is geweest. Wel heeft verdachte vanaf enkele dagen na haar aanhouding consequent verklaringen met een vergelijkbare inhoud afgelegd. Diverse elementen daarvan worden bovendien ondersteund door verklaringen van in deze zaak gehoorde getuigen, zoals de beide ouders van verdachte, de zus van [slachtoffer] en een collega van verdachte, [collega] . De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte tot het delict is gekomen door – kort gezegd – gevoelens van angst, vernedering en wanhoop, door [slachtoffer] teweeggebracht. Dit rechtvaardigt uiteraard geenszins het strafbare handelen van verdachte, maar wordt wel in het voordeel van verdachte meegewogen bij het bepalen van de strafmaat.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur op zijn plaats. De periode die zij reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal hiervan worden afgetrokken. Voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen enkele aanleiding. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf is het door Reclassering Nederland voorgestelde toezicht niet opportuun. Re-integratie in de maatschappij zal te zijner tijd in het kader van onder meer voorwaardelijke invrijheidstelling handen en voeten moeten krijgen.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Mr. L.M. Wagemaker, advocaat te Hoorn, heeft als gemachtigde van de benadeelde partij [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding van € 37.665,50 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De vordering betreffende de materiële schade bedraagt in totaal € 12.665,50 en de gevorderde immateriële schade bedraagt € 25.000,-.

De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende kostenposten.

  1. De helft van de hypotheeklast van de woning van verdachte en [slachtoffer] gedurende een periode van twee jaren. Dit betreft een bedrag van € 11.355,-.

  2. Het eigen risico voor de ziektekostenverzekering à € 360,-.

  3. Kosten medische stukken en een DVD à € 17,50.

  4. De kosten voor de echtscheiding. Deze kosten bedragen € 340,-.

  5. De kosten voor de procedure met betrekking tot Bureau Jeugdzorg. Dit betreft een bedrag van € 143,-.

  6. Een bedrag van € 450,- voor het bankstel dat bij het feit bebloed is geraakt.

De rechtbank is van oordeel dat de schade die onder b. is gevorderd rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en zal de vordering in zoverre toewijzen. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 7.500,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

De rechtbank is van oordeel dat tussen het bewezen verklaarde feit en de onder a. d. en e. gevorderde materiële schade geen causaal verband bestaat. De onder c. en f. gevorderde materiële schade acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze onderdelen van de vordering, alsmede ten aanzien van het niet toegewezen deel van de gevorderde immateriële schade, niet-ontvankelijk verklaren.

De vordering zal derhalve tot een bedrag van € 7.860,- worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: de voortgezette handeling van poging tot doodslag en poging tot moord] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 36f, 45, 56, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht [8] jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 7.860,-, bestaande uit € 360,- voor de materiële en € 7.500,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.860,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door vierenzeventig [74] dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E.C. de Wit, voorzitter,

mr. N. Cuvelier en mr. H.A. Stalenhoef, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. F. van den Brink,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2015.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal verhoor aangever, inhoudende de door [slachtoffer] op 21 november 2014 afgelegde verklaring, pagina 247.

3 Proces-verbaal aangifte, inhoudende de door [slachtoffer] op 7 oktober 2014 afgelegde verklaring, pagina 233.

4 Proces-verbaal verhoor aangever, inhoudende de door [slachtoffer] op 21 november 2014 afgelegde verklaring, pagina’s 247 en 248.

5 Proces-verbaal aangifte, inhoudende de door [slachtoffer] op 7 oktober 2014 afgelegde verklaring, pagina 233.

6 Proces-verbaal verhoor aangever, inhoudende de door [slachtoffer] op 21 november 2014 afgelegde verklaring, pagina 248.

7 Proces-verbaal bevindingen verbalisant [verbalisant 3] d.d. 20 oktober 2014, pagina 291.

8 Proces-verbaal bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 4 oktober 2014, pagina 264.

9 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring opgemaakt door [forensisch arts] d.d. 4 oktober 2014, pagina’s 227 en 228.

10 Proces-verbaal bevindingen verbalisanten [verbalisanten 2] d.d. 20 oktober 2014, pagina’s 539 tot en met 543.

11 Een geschrift, te weten een rapportage van het NFI d.d. 20 november 2014, pagina’s 528 en 529.

12 Een geschrift, te weten een rapportage van het NFI d.d. 15 december 2014, pagina 534.

13 De door verdachte ter terechtzitting van 31 maart 2015 afgelegde verklaring.

14 Proces-verbaal verhoor getuige [moeder verdachte] d.d. 3 oktober 2014, pagina 627.

15 Proces-verbaal bevindingen verbalisant [verbalisant 4] d.d. 20 oktober 2014, pagina’s 299 en 300.