Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9116

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
4430453 KG EXPL 15-79
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verkade wordt in kort geding veroordeeld om overleg te voeren met de FNV over een voorgenomen reorganisatie. Uitleg van de ‘overlegplicht’ van artikel 48 van de CAO voor de Zoetwarenindustrie aan de hand van de ‘cao-norm’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1980
NJF 2016/28
AR-Updates.nl 2015-1030
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Zaanstad

Zaaknr/rolnr.: 4430453 / KG EXPL 15-79

Uitspraakdatum: 5 oktober 2015

Vonnis in kort geding

De kantonrechter heeft als voorzieningenrechter in kort geding het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Federatie Nederlandse Vakbeweging, gevestigd te Amsterdam

eiseres in kort geding

verder ook te noemen: de FNV

gemachtigde: mr. A.A.M. Broos

tegen

de naamloze vennootschap Verkade N.V., gevestigd te Zaandam

gedaagde in kort geding

verder ook te noemen: Verkade

gemachtigde: mr. J. Oster.

1 Het procesverloop

1.1.

De FNV heeft bij dagvaarding van 11 september 2015 een voorziening in kort geding gevorderd. Bij e-mail van 18 september 2015 heeft Verkade nog stukken toegezonden.

1.2.

Op 21 september 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

De activiteiten van Verkade vallen onder de werkingssfeer van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Zoetwarenindustrie (hierna: de CAO). De CAO is algemeen verbindend verklaard van 25 juli 2015 tot en met 31 december 2016.

2.2.

Artikel 48 van de CAO luidt als volgt:

Ingrijpende wijziging in de onderneming

1. De werkgever is verplicht om ingeval van reorganisatie, fusie of opheffing van de onderneming tijdig vertrouwelijk overleg te openen met werknemersverenigingen ter bespreking van ontslag, overplaatsing of soortgelijke ernstige gevolgen voor een belangrijk deel van de werknemers. Met inachtneming van het bij of krachtens de Wet op de ondernemingsraden bepaalde, wordt de ondernemingsraad door de ondernemer (werkgever) in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over een door hem te nemen besluit inzake de hierboven genoemde onderwerpen.

2. In het hierop volgende overleg zullen de werkgever en de werknemersverenigingen regelingen uitwerken, teneinde de nadelige gevolgen – voortvloeiende uit de wijziging – voor de betrokken werknemers zoveel mogelijk te beperken. In het bijzonder zal aandacht worden besteed aan herplaatsingsmogelijkheden binnen de onderneming of binnen andere ondernemingen waarmee de onderneming betrekkingen onderhoudt. Tevens zal na overleg met de werknemersverenigingen door de werkgever worden vastgesteld hoe, in welke volgorde en binnen welke tijdsduur de te volgen procedure zal worden uitgevoerd en

het tijdstip waarop het personeel zal worden ingelicht. (…).”

2.3.

Op 6 juli 2015 heeft Verkade de ondernemingsraad verzocht te adviseren over een “voorgestelde organisatiewijziging per 1 januari 2016”. Het gaat daarbij om een wijziging van de Technische Dienst van Verkade. De OR heeft op 13 augustus 2015 positief geadviseerd.

2.4.

In een e-mail van 4 augustus 2015 heeft de FNV Verkade verzocht om overleg over de voorgenomen reorganisatie, waarbij de FNV onder verwijzing naar artikel 48 van de CAO heeft gesteld dat Verkade daartoe verplicht is. Bij e-mail van 5 augustus 2015 heeft Verkade dat verzoek afgewezen.

2.5.

In een brief van 26 augustus 2015 heeft de FNV haar verzoek om overleg over de reorganisatie herhaald. Verkade heeft dat verzoek opnieuw afgewezen in een brief van 1 september 2015.

3 De vordering

3.1.

De FNV vordert dat Verkade in kort geding wordt veroordeeld tot nakoming van artikel 48 van de CAO, in die zin dat Verkade alsnog vertrouwelijk overleg voert met de FNV over de reorganisatie van de Technische Dienst. Verder vordert de FNV dat Verkade wordt veroordeeld tot betaling van € 10.000,00 als voorschot op een schadevergoeding in de zin van de artikelen 15 en 16 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: Wet CAO).

3.2.

Daarbij voert de FNV aan – samengevat – dat Verkade op grond van artikel 48 van de CAO verplicht is om overleg te voeren over de reorganisatie en dat zij schade heeft geleden als bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de Wet CAO die door Verkade moet worden vergoed.

4 Het verweer

4.1.

Verkade stelt – kort weergegeven – dat artikel 48 van de CAO slechts verplicht tot overleg over een reorganisatie als sprake is van een ingrijpende wijziging van de onderneming, waarbij de reorganisatie ernstige gevolgen heeft voor een belangrijk deel van de werknemers. Volgens Verkade is dat niet het geval ten aanzien van de reorganisatie van haar Technische Dienst, omdat deze reorganisatie alleen gevolgen heeft voor 15 werknemers van de in totaal 400 werknemers werkzaam bij Verkade, en omdat het merendeel van die 15 werknemers naar verwachting herplaatst kan worden.

4.2.

Volgens Verkade is er ook geen grond voor toekenning van een schadevergoeding in de zin van de artikelen 15 en 16 van de Wet CAO, mede gelet op het feit dat de FNV niet heeft aangetoond schade te hebben geleden.

5. De beoordeling

5.1.

Het gaat in dit kort geding om de vraag of Verkade moet worden veroordeeld tot nakoming van artikel 48 van de CAO en tot betaling van een voorschot op een schadevergoeding in de zin van de artikelen 15 en 16 van de Wet CAO.

5.2.

Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat sprake is van een spoedeisend belang. Aan dat vereiste is in ieder geval voldaan waar het gaat om de vordering tot nakoming van artikel 48 van de Wet CAO, nu de FNV in dat kader overleg wil over een wijziging van de Technische Dienst die Verkade gaat invoeren per 1 januari 2016.

5.3.

Verder is voor toewijzing van de vordering van de FNV in dit kort geding nodig dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.4.

De kantonrechter overweegt dat partijen van mening verschillen over de uitleg van artikel 48 van de CAO en over de vraag of de wijziging van de Technische Dienst moet worden aangemerkt als een reorganisatie in de zin van dat artikel, in welk geval Verkade tijdig en vertrouwelijk overleg had moeten openen met de FNV. Bij de uitleg van artikel 48 van de CAO moet de zogenoemde ‘cao-norm’ worden gehanteerd, zoals partijen ook hebben onderkend. Die norm komt erop neer dat bij de uitleg van een collectieve arbeidsovereen-komst in beginsel de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn (zie: HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AO3857). Daarbij kan rekening worden gehouden met de elders in de collectieve arbeidsovereenkomst gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

5.5.

Gelet op de bewoordingen van artikel 48 van de CAO en de aanhef daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter alleen sprake van een overlegplicht zoals bedoeld in dat artikel, als een reorganisatie ernstige gevolgen heeft voor een belangrijk deel van de werknemers. Tot dergelijke gevolgen kunnen blijkens de tekst van het artikel behoren ontslag of overplaatsing, maar ook andere gevolgen. Voor de vraag of het een belangrijk deel van de werknemers betreft is niet alleen bepalend de verhouding tussen het aantal werknemers dat door de reorganisatie geraakt wordt en het totaal aantal werknemers werkzaam in de onderneming, maar ook de vraag of objectief bezien een substantieel aantal werknemers gevolgen ondervindt van de reorganisatie. Indien alleen de genoemde verhouding van belang zou zijn, zou dat tot gevolg kunnen hebben dat ook in een geval waarin een substantieel aantal werknemers wordt getroffen door een reorganisatie, er niettemin bij een grote(re) onderneming geen overlegplicht zou bestaan. Dat rechtsgevolg acht de kantonrechter niet aannemelijk.

5.6.

Gelet op de door partijen overgelegde stukken neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat de huidige Technische Dienst van Verkade bestaat uit 26 fte medewerkers, waarbij de dienst zowel onderhoud, innovatie als het verhelpen van storingen tot taak heeft. De medewerkers houden zich ook bezig met zowel onderhoud, innovatie als storingen. De nieuwe organisatie van de Technische Dienst kent 21 fte medewerkers, waarbij aparte diensten worden opgezet voor onderhoud, innovatie en storingen. De medewerkers zullen zich in de nieuwe organisatie moeten toeleggen op één van die onderdelen. Als gevolg van de organisatiewijzing zijn ook nieuwe functieprofielen opgesteld, waarbij vijf van de huidige medewerkers van de Technische Dienst direct in een nieuwe functie kunnen worden geplaatst, terwijl de functie van 15 medewerkers komt te vervallen. De betreffende 15 medewerkers moeten door middel van een matching- en selectieproces worden herplaatst in de nieuwe Technische Dienst. In de nieuwe organisatie gaat het aantal functies met salarisschaal 7 van één naar acht, met salarisschaal 8 van twaalf naar vier, en met salarisschaal 9 en 10 van één naar vier.

5.7.

Gelet op de hiervoor beschreven aard en omvang van de wijziging van de Technische Dienst, is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een reorganisatie als bedoeld in artikel 48 van de CAO, waarvoor een overlegplicht geldt. Die wijziging heeft immers niet alleen tot gevolg dat het aantal fte medewerkers aanzienlijk wordt verminderd, maar ook dat de wijze van werken wordt veranderd, dat de medewerkers zich anders dan voorheen moeten toeleggen op één van de onderdelen van de dienst, en dat er nieuwe functieprofielen komen. Doorslaggevend is dat de reorganisatie bovendien meebrengt dat de functie van 15 medewerkers komt te vervallen en dat er grote veranderingen plaatsvinden in de indeling van de functies in salarisschalen. Een dergelijke wijziging kan niet anders worden aangemerkt dan als een reorganisatie die grote gevolgen heeft voor een belangrijk, substantieel deel van de werknemers.

5.8.

Dat Verkade de verwachting heeft dat uiteindelijk nagenoeg alle 15 werknemers van wie de functie vervalt, kunnen worden herplaatst, doet niet af aan de conclusie dat sprake is van een reorganisatie in de zin van artikel 48 van de CAO. Herplaatsing is een mogelijkheid om de gevolgen van de reorganisatie te beperken, niet een omstandigheid die een rol speelt bij de beoordeling van aard en omvang van de reorganisatie als zodanig. Dat volgt ook uit artikel 48 lid 2 van de CAO, waarin is neergelegd dat in het “hierop volgende overleg”, dat wil zeggen na het overleg over de reorganisatie zelf, tussen de werkgever en de werknemersverenigingen regelingen moeten worden uitgewerkt om de nadelige gevolgen voor de betrokken werknemers zoveel mogelijk te beperken, waarbij in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan herplaatsingsmogelijkheden.

5.9.

Ook de omstandigheid dat artikel 16 van de CAO voorziet in een regeling voor herziening van het schaalsalaris speelt in dit verband geen rol. Die regeling is van belang bij het eventueel ondervangen van de nadelige gevolgen van de reorganisatie voor een werknemer, en heeft dus geen betekenis bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een reorganisatie in de zin van artikel 48 van de CAO.

5.10.

Verkade kan niet worden gevolgd in haar kennelijke standpunt dat de FNV geen belang heeft bij haar vordering. De omstandigheid dat Verkade niet bereid is om opnieuw te onderhandelen met de FNV over het ondervangen van de nadelige gevolgen van de reorganisatie voor de betrokken werknemers, zoals Verkade stelt, betekent niet dat de overlegplicht van artikel 48 van de CAO komt te vervallen. In deze zaak oordeelt de kantonrechter alleen over de overlegplicht als zodanig, waarbij niet van belang is waar het onderhandelingsproces in het kader van dat overleg toe gaat leiden.

5.11.

De conclusie is dat Verkade zal worden veroordeeld tot nakoming van artikel 48 van de CAO, zoals gevorderd. De gevraagde dwangsom zal worden beperkt tot € 2.500,00 per dag met een maximum van € 100.000,00.

5.12.

De gevorderde betaling van € 10.000,00 als voorschot op een schadevergoeding in de zin van de artikelen 15 en 16 van de Wet CAO wordt afgewezen. De FNV heeft tegenover de betwisting daarvan door Verkade onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door het niet nakomen van artikel 48 van de CAO daadwerkelijk schade heeft geleden. De stelling van de FNV dat haar positie als vakorganisatie is ondermijnd en dat sprake is van materiële schade zal gelet op de betwisting door Verkade ook in dit kort geding in enige mate moeten worden gemotiveerd en onderbouwd. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebeurd.

5.13.

Nu beide partijen op punten ongelijk hebben gekregen, zal de kantonrechter bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Verkade tot nakoming van artikel 48 van de CAO, in die zin dat Verkade alsnog vertrouwelijk overleg voert met de FNV ter bespreking van ontslag, overplaatsing of soortgelijke ernstige gevolgen voor een belangrijk deel van de werknemers, alsook om, in het hierop volgende overleg, te trachten met FNV regelingen uit te werken, teneinde de nadelige gevolgen – voortvloeiende uit de wijziging – voor de betrokken werknemers zoveel mogelijk te beperken, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 per dag voor elke dag dat Verkade dit na betekening van dit vonnis nog nalaat, waarbij het maximum aan te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 100.000,00;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 5 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter