Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9108

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
C/15/233046/KG ZA 15/782
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geschil tussen de redactieraad en de directie van een dagbladuitgeverij. Uitleg geschillenregeling in het redactiestatuut.

Geschil ziet op de vraag of een besluit van de directie om te komen tot structuurwijziging in strijd is met de letter en de geest van het redactiestatuut.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit niet in strijd is met de letter van het redactiestatuut, maar wel met de geest van het redactiestatuut.

De directie moet een nieuw besluit nemen waarin de punten die in 4.31 van het vonnis worden genoemd nader worden uitgewerkt. Op dat besluit is de geschillenregeling zo nodig weer van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

CVZ/AS

KG nummer: C/15/233046/KG ZA 15/782

datum: 26 oktober 2015

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

1. DE REDACTIERAAD HOLLAND MEDIA COMBINATIE B.V,

gevestigd te Alkmaar,

2) [eiser] ,

in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Redactieraad,

wonende te Amsterdam,

EISERS IN KORT GEDING,

advocaat mr. L.C.J. Sprengers te Utrecht,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND MEDIA COMBINATIE B.V.,

statutair gevestigd te Alkmaar,

GEDAAGDE IN KORT GEDING,

advocaat mr. A. Keizer te Amsterdam.

Partijen zullen verder worden genoemd “de redactieraad” respectievelijk “HMC”.

1 HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 12 oktober 2015 zijn verschenen namens de redactieraad [eiser] voornoemd, vergezeld van mr. Sprengers voornoemd en namens HMC de heren

[naam 1] en [naam 2] (directeuren) vergezeld van mr. Keizer voornoemd.

De redactieraad heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

HMC heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van de redactieraad de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2 DE UITGANGSPUNTEN

2.1

HMC is een uitgeverij. Zij exploiteert meerdere regionale dagbladen, lokale huis-aan-huiskranten en online nieuwsplatforms. Haar hoofdkantoor en centrale redactie zijn gevestigd te Alkmaar. Daarnaast zijn er regioredacties voor de dagbladen en huis-aan-huis bladen.

2.2

HMC was voorheen geheten HDC Media B.V. In het binnen HMC van toepassing zijnde redactiestatuut, dat in 2005 ter uitvoering van art. 8.3 van de CAO voor de dagbladjournalisten is vastgesteld (hierna het statuut), wordt HMC nog aangeduid als HDC. Het statuut houdt onder meer het volgende in:

ALGEMENE BEPALINGEN

  1. Overal waar in dit statuut voor hoofdredactie en redactie van HDC (…) sprake is van het dagblad c.q. de dagbladen wordt daarmee bedoeld de dagbladuitgaven van HDC (…) bedoeld als andersoortige producten (…) waarvoor de hoofdredactie inhoudelijk verantwoordelijk is, tenzij het tegendeel duidelijk blijkt.

  2. (…)

  3. Overal waar sprake is van hoofdredacteur wordt bedoeld een of meer (algemeen) hoofdredacteuren die als zodanig zijn benoemd overeenkomstig de vennootschappelijke statuten van HDC (…). Waar sprake is van hoofdredactie wordt bedoeld het team van hoofdredacteuren en adjunct-hoofdredacteuren onder leiding van een of meer benoemde (algemeen) hoofdredacteuren zoals bedoeld in de eerste volzin.

  4. Dit statuut maakt deel uit van de arbeidsovereenkomst van de redactieleden van HDC (…)

3. DE ORGANEN

3.1

De bijzondere aard van de dagbladen stelt bijzondere eisen aan de structuur van de organen die bij het produceren van de redactionele inhoud van de bladen zijn betrokken. De redactie van het dagblad dient haar informatieverwervende en

–verstrekkende taak (…) te kunnen uitvoeren, zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, anders dan op de wijze als in dit statuut wordt geregeld.

3.2

De hoofdredacteur heeft de leiding van de redactie van het dagblad en is verantwoordelijk voor de redactionele inhoud ervan.

3.3

De directie zorgt in het kader van haar vennootschappelijke verantwoordelijkheid voor de algemene bedrijfsvoering onder meer voor optimale voorwaarden om de informatieve functie van het dagblad tot haar recht te doen komen, onverlet de verantwoordelijkheid van de hoofdredacteur.

3.4

Er is een redactieraad, die het orgaan is voor de medezeggenschap van de redactie in alle zaken betreffende de redactionele taak en functie. De redactieraad is tevens het orgaan van wederzijdse informatie en onderling beraad tussen redactie en hoofdredactie en kan bovendien de redactie vertegenwoordigen bij het overleg met de directie van HDC (…).

3.6

Slechts door nauwe samenwerking, voortdurende, wederzijdse informatie en blijvend goed overleg zijn de directie en de hoofdredactie – respectievelijk belast met de dagelijkse leiding van het dagblad en de redactie – in staat de specifieke facetten van het dagblad optimaal tot hun recht te laten komen. Daarbij zullen zij

– met behoud van hun specifieke verantwoordelijkheden – zowel de redactionele, als de financiële, commerciële, sociale, technische en administratieve factoren ter harte dienen te nemen.

3.7

In de gevallen genoemd in de artikelen 4.1.2, 5.2.1, 5.2.2 en 9.6, neemt de directie van HDC Media pas een beslissing nadat diepgaand overleg met de redactieraad heeft plaatsgehad.

Wanneer de directie en de redactieraad niet tot overeenstemming komen, brengt de redactieraad, ongeacht of hij zich reeds eerder uitgesproken heeft, zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd advies uit.

Indien de directie vervolgens van dit advies afwijkt, brengt zij schriftelijk en gemotiveerd de naar haar oordeel zwaarwichtige redenen die hiertoe hebben geleid ter kennis van de redactieraad.

De uitvoering van dit besluit heeft, tenzij zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten, niet eerder plaats dan 14 dagen na dagtekening van deze schriftelijke motivering, en in het geval een geschil als bedoeld in het volgend lid is aanhangig gemaakt niet eerder dan nadat uitspraak is gedaan door de president in het arrondissement waarin HDC Media B.V. statutair is gevestigd.

3.8

Ernstige meningsverschillen over de uitvoering en het van toepassing zijn van dit redactiestatuut worden binnen 14 dagen door de meest gerede partij aanhangig gemaakt bij de president van de rechtbank in bovengenoemd arrondissement.

4. BENOEMING/VERKIEZING EN WERKWIJZE ORGANEN

4.1

HOOFDREDACTIE

4.1.1

De directie van HDC (…) is, na het verkrijgen van eventueel benodigde toestemming door de daartoe in het vennootschapsstatuut aangewezen organen, bevoegd tot benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de hoofdredactie en tot vaststelling van hun arbeidsvoorwaarden.

4.1.2

Bij de benoeming van een hoofdredacteur is de directie verplicht, voorafgaand aan de besluitvorming, advies in te winnen bij de redactieraad, die mede het recht van voordracht heeft.

(…)

4.2

REDACTIEVERGADERING

4.2.1

De leden van de redactie komen tenminste eenmaal per jaar bijeen in een redactievergadering. Voorts dient op verzoek van de hoofdredactie, redactieraad of op schriftelijk verzoek van tenminste eenvijfde van het totaal aantal stemgerechtigde leden een redactievergadering te worden bijeengeroepen.

(…)

4.3

REDACTIERAAD

4.3.1

De redactieraad bestaat uit één lid van de hoofdredactie en ten minste vijf leden, gekozen door en uit de stemgerechtigde journalisten als omschreven in artikel 4.2.4.

(…)

5. BEVOEGDHEDEN ORGANEN

5.1

HOOFDREDACTIE

5.1.1.

Met inachtneming van de bevoegdheden van de redactieraad en de redactievergadering heeft de hoofdredactie, aan wie de leiding van de redactie en van de journalistieke productie is toevertrouwd, als zodanig binnen het geheel van de dagbladonderneming een eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid voor de redactionele inhoud van de dagbladen. Zij regelt de taakverdeling van de redactie.

5.1.2

De hoofdredacteur is voor het handhaven van de beginselen van het redactionele beleid verantwoordelijk tegenover de directie van HDC (…).

Degenen aan wie de hoofdredacteur verantwoording schuldig is voor het handhaven van de beginselen van het redactionele beleid zullen bij het vormen van een oordeel hierover zowel de hoofdredacteur als de redactieraad horen.

(…)

5.1.6

Beslissingen ten aanzien van de redactie en van de journalistieke productie, die belangrijke invloed kunnen hebben op de bedrijfsvoering van HDC Media, kan de hoofdredactie slechts nemen na overleg met de directie.

(…)

5.1.10

De hoofdredacteur wordt uitgenodigd tot het bijwonen van vergaderingen van de directie of andere statutair bevoegde organen voor zover het behandelde rechtstreeks van invloed kan zijn op het redactionele beleid.

(…)

5.2.2

Over besluiten van de directie of hoofdredactie betreffende wijziging van karakter en verschijningsvorm van (een van) de kranten, de locatie van de redactie(s), wijziging van de positie van de redactie en hoofdredactie of aangaan respectievelijk wijziging van samenwerkingsverbanden die van fundamenteel belang zijn voor de taak en functie van de redactie, wordt de redactieraad advies gevraagd overeenkomstig het in artikel 3.7 bepaalde.

5.3

REDACTIERAAD

5.3.1

De redactieraad is het orgaan van wederzijdse informatie en onderling beraad tussen hoofdredactie en redactie en bespreekt in die functie onder meer het algemene, politieke, maatschappelijke en levensbeschouwelijke beleid in het kader van de uitgangspunten van het redactionele beleid en/of beginselen van de dagbladen, de samenstelling, de inhoud en presentatie van de kranten, de columnisten die in de krant(en) schrijven, alsmede de in de artikelen 6, 7.3, 8, 9.6 en 10 genoemde onderwerpen.

(…)

6. PERSONEELSBELEID

Binnen het kader van het in de onderneming op grond van het overleg tussen directie en ondernemingsraad te voeren personeelsbeleid dienen hoofdredactie en redactieraad tot overeenstemming te komen over de hoofdlijnen van het redactionele personeelsbeleid. (…)

7 REDACTIEBUDGET

7.1

De hoofdredactie heeft de beschikking over een bepaald budget, eventueel gespecificeerd naar hoofdstukken. Dit beschikbare bedrag voor redactionele kosten wordt door de directie jaarlijks vastgesteld na overleg met de hoofdredactie die tot overleg door regelmatige berichtgeving vanwege de directie omtrent het verloop van die kosten gedurende de voorafgaande periode in staat zal zijn gesteld. Beslissingen over de begroting van de redactie en over investeringen die het functioneren van de redactie beïnvloeden, worden pas genomen nadat de hoofdredacteur in de gelegenheid is gesteld daarover van gedachten te wisselen met de directie, op een tijdstip waarop de beslissing dienaangaande nog niet is genomen.

7.2

De hoofdredactie bepaalt de besteding van het aan de redactie toegewezen budget binnen de haar gegeven richtlijnen en is tegenover de directie verantwoording verschuldigd voor de kostenbewaking.

7.3

De hoofdredactie pleegt met de redactieraad overleg over de hoogte en de hoofdlijnen van de verdeling van de verschillende posten van het redactiebudget, alsmede over ingrijpende wijzigingen in de besteding. De hoofdredactie verschaft de redactieraad de hiertoe noodzakelijke informatie. (…)

8. STRUCTUURWIJZIGING

8.1

De hoofdredacteur wordt van de aanvang af betrokken bij eventuele plannen tot reorganisatie, fusie, verkoop of liquidatie van de dagbladuitgeverij of een of meer van de dagbladuitgaven, tot wijziging van het concernverband en/of verbindingen van andere aard, zoals samenwerking met andere dagbladuitgeverijen met behoud van zelfstandigheid.

(…)

8.3

De hoofdredactie wordt door de directie vertrouwelijk ingelicht over een voorgenomen ingrijpende wijziging in de samenstelling in de kring der eigenaren en van directie van HDC Media. Zo spoedig mogelijk na de hoofdredactie wordt ook de redactieraad vertrouwelijk ingelicht.

2.3

Bij de benoeming van een hoofdredacteur heeft de directie ingevolge het statuut de leiding over de benoemingsprocedure. Nadat er is vastgesteld dat er een vacature is voor een (algemeen) hoofdredacteur wordt de sollicitatieprocedure opgestart en in die procedure heeft een commissie van advies onder voorzitterschap van de statutaire directie waarin door de redactieraad aan te wijzen leden participeren een adviserende rol. Bij de benoemingsprocedure voor een adjunct-hoofdredacteur is het de algemeen hoofdredacteur die in die procedure de leiding heeft. De hoofdredacteur stelt vast dat er een vacature is en doet daarvan mededeling aan de directie en de redactieraad. In de commissie van advies die in deze procedure een adviserende taak heeft hebben geen leden van de directie zitting.

2.4

De financiële positie van HMC is zorgelijk; zij dreigt zonder ingrijpen in 2017 verlieslatend te worden. De directie heeft daarom het besluit genomen te komen tot een nieuwe inrichting van de organisatie, met als leidende gedachte: meer focus op de regio’s en de regionale dagbladen.

2.5

Op 6 februari 2015 heeft de directie zowel aan de ondernemingsraad als aan de redactieraad gevraagd te adviseren over voormelde nieuwe inrichting. Deze adviesaanvraag houdt onder meer het volgende in:

(…)

4. Uitgangspunten Reorganisatie

(…)

b. Uitgangspunten organisatie inrichting

De huidige organisatiestructuur is complex. Medewerkers zijn onvoldoende beloonbaar en afrekenbaar op hun prestaties, hebben onduidelijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden en daarmee onvoldoende ruimte om ondernemerschap en creativiteit tot bloei te laten komen. (…) Wij willen nu toe naar de situatie waar verantwoordelijkheden en bevoegdheden laag in de regio komen te liggen. We willen hiermee het regionaal ondernemen nog meer stimuleren. De in M20 benoemde regio’s worden gewijzigd in titelgebieden c.q. clusters en uitgeefactiviteiten, bestaande uit het dagbladmerk met daarbij de huis aan huistitels in het betreffende gebied. In de regio ligt dan ook de journalistieke en commerciële verantwoordelijkheid voor titels en merken. In de regio ligt ook de verlies- en winstverantwoordelijkheid voor dat specifieke uitgeefcluster. In de nieuwe organisatiestructuur is de verlies- en winstverantwoordelijkheid per cluster een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regionale hoofdredacteur en de Commercieel Manager. Beide functionarissen rapporteren direct aan de directie van HMC. De algemeen hoofdredacteur en de Commercieel Manager van de grootste regio NHD zijn de primi inter pares bij de vertegenwoordigende overleggen. De algemeen hoofdredacteur is verantwoordelijk voor de inhoudelijke kwaliteit van alle clusters en stuurt daarnaast de centrale redactie aan. (…)

Hij heeft een functionele lijn naar de regionale hoofdredacteuren, die hiërarchisch worden aangestuurd door de directie. De algemeen hoofdredacteur is onder meer eindverantwoordelijk voor de redactionele inhoud van het eerste katern. De nieuws- en informatieregie per titelcluster is in handen van de regionale hoofdredacteur. De regie door de regionale hoofdredacteur omvat het nieuws- en informatiemanagement per merk (dag/weekblad) en mediumtype (print/online/mobile). Daarnaast is de regionale hoofdredacteur verantwoordelijk voor de personele invulling binnen het cluster.

(…)

2.6

Naar aanleiding van gesprekken met de redactieraad en de ondernemingsraad heeft HMC haar adviesaanvraag enigszins bijgesteld. In een bericht van 4 maart 2015 aan de ondernemingsraad en de redactieraad heeft zij het volgende meegedeeld:

(…)

Wij zijn er weliswaar van overtuigd dat onze formulering recht doet aan letter en geest van het redactiestatuut maar beseffen dat de woordkeuze gevoelig is.

(…)

De zin: ‘Hij heeft een functionele lijn naar de regionale hoofdredacteuren, die hiërarchisch worden aangestuurd door de directie.’ Kunt u vervangen door de zin: ‘De verhouding tussen hoofdredacteuren (algemeen en regionaal) en directie wordt geregeld conform het redactiestatuut en staande praktijk zoals die nu ook al geldt voor de algemeen hoofdredacteur.’ (…)

2.7

Na uitvoerig overleg over de adviesaanvraag met de redactie heeft de redactieraad bij brief van 4 maart 2015 een negatief advies uitgebracht. De brief houdt onder meer het volgende in:

Dank voor het tonen van de bereidheid de adviesaanvraag van 6 februari jl. aan te passen (…) De redactie is evenwel (van mening), dat de aanpassing weliswaar lijkt op overnemen van het telkenmale door de redactieraad herhaalde voorstel de verhoudingen tussen directie en hoofdredactie te regelen conform het redactiestatuut, doch dit niet is. Immers, u komt niet terug van uw overtuiging dat uw plannen recht doen aan letter en geest van het redactiestatuut, doch meent dat het verschil van inzicht is gebaseerd op gevoeligheid onzerzijds voor een bepaalde woordkeuze. De gevoeligheid vormt echter niet de basis, maar is een gevolg van waar ons geschil werkelijk op is gebaseerd, namelijk de onverenigbaarheid van een begrip als aansturing met de statutaire instrumenten als overleg, samenwerking en wederzijdse informatie.(…) Onze negatieve reactie betreft de wijze waarop u de verhouding tussen directie en hoofdredactie wilt gaan regelen, plus de omvang van de nieuwe hoofdredactie. Die wenst de redactieraad te beperken tot een algemeen hoofdredacteur en daaronder twee regionale hoofdredacteuren, een voor Noord en een voor Zuid.(…)

2.8

Bij brief van 2 april 2015 heeft ook de Nederlandse Vereniging van Journalisten (hierna NVJ) zich gewend tot HMC. Deze brief houdt onder meer het volgende in:

(…)

Momenteel is de dagbladredactie van Holland Media Combinatie, op grond van het vigerende redactiestatuut, één geheel met aan de top een hoofdredacteur en daaronder adjuncts. Taken en bevoegdheden liggen in het statuut vast.

U kiest in de nieuwe structuur voor een algemeen hoofdredacteur met beperkte bevoegdheid en per titel eigen hoofdredacteuren die rechtstreeks onder u als directie vallen. De nieuwe regionale hoofdredacteuren dragen blijkens een toelichting op het organogram samen met een nieuw te benoemen commercieel manager “een P&L-verantwoordelijkheid voor hun regio en rapporteren gezamenlijk hiërarchisch” aan de directie.

(…)

Het is voor de NVJ evident dat de tekst van het huidige redactiestatuut op diverse plaatsen zou moeten worden aangepast om de door u bedoelde organisatorische wijzigingen mogelijk te maken.(…)

2.9

De directie heeft vervolgens besloten advies te vragen aan een extern deskundige. Op 19 mei 2015 heeft de aangezochte adviseur, [adviseur], zijn advies uitgebracht. Dit houdt onder meer het volgende in:

(…)

1. Het door de directie voorgestelde onderscheid tussen ‘hiërarchisch en functioneel verantwoordelijk’ vormt in formele zin een inbreuk op de tekst van het Statuut en doet afbreuk aan de duidelijkheid die het Statuut inzake de complexe omgangsregeling schept.

2. Het Redactiestatuut laat de mogelijkheid open de hoofdredactie uit meerdere personen te laten bestaan. Mijn advies is een hoofdredactie samen te stellen die wordt gevormd door een algemeen hoofdredacteur die tevens voorzitter is en drie of vier hoofdredacteuren die een directe(re) verantwoordelijkheid hebben voor de regio/clusters.

(…)

2.10

In een e-mail van 26 mei 2015 heeft [eiser] namens de redactieraad aan HMC een reactie gegeven op de presentatie van het rapport van De Jong. Deze e-mail houdt in:

(…)

[adviseur] doet voorstellen voor een oplossing: benoem vier of vijf hoofdredacteuren in de hoofdredactie, van wie er één algemeen hoofdredacteur is en tevens voorzitter van dit team.

De redactieraad heeft geen bezwaar tegen een hoofdredactie die uit louter hoofdredacteuren bestaat, mits evident is dat de algemeen hoofdredacteur er de baas van is. Dat [adviseur] de algemeen hoofdredacteur de voorzittersrol toekent is op dit punt van hiërarchie te vaag. Voor de redactieraad is dit model uitsluitend acceptabel als de hoofdredacteuren rapporteren aan de algemeen hoofdredacteur, conform algemene bepaling c van het redactiestatuut.

(...)

2.11

Op 11 juni 2015 heeft HMC een wijziging op haar eerdere adviesaanvraag aan de ondernemingsraad en de redactieraad gezonden. Deze houdt als toelichting het volgende in:

(…)

Tijdens de gesprekken heeft u aangegeven de noodzaak te onderschrijven van het voornemen om de focus te leggen op de regionaliteit en lokaliteit van de dagbladen en de weekbladen, maar zorgen te hebben over de waarborging van de journalistieke onafhankelijkheid in het kader van de voorgenomen organisatie-inrichting en meer expliciet de positionering van de hoofdredacteuren ten opzichte van de directie. Daarnaast hebben wij begrepen dat de expliciet genoemde winst- en verliesverantwoordelijkheid op problemen stuitte, zo ook het feit dat het te veel decentraliseren van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tot inefficiency in het redactionele domein zou leiden.

Wij hebben uw opmerkingen en het advies van [adviseur] hieromtrent ter harte genomen en naar aanleiding daarvan in deze adviesaanvraag de inrichting van de redactionele organisatie zodanig ingestoken dat wij menen dat uw zorgen daarmee voldoende zouden moeten zijn weggenomen.

Uitgangspunten herinrichting

(…)

Uitgangspunten organisatie inrichting

(…) Wij willen nu toe naar de situatie waar journalistieke en commerciële verantwoordelijkheden en bevoegdheden in de regio komen te liggen. (…)

In de nieuwe organisatiestructuur zijn de Hoofdredacteur en Commercieel Manager verantwoordelijk voor een cluster, ieder op zijn eigen gebied. De Commercieel Manager komt in de organisatiestructuur direct onder de directie te staan (waarvoor inmiddels positief advies is gegeven door de ondernemingsraad) en de verhouding tussen de directie en de hoofdredacteur wordt ingericht conform het redactiestatuut. De directie en de hoofdredacteur(en) behouden daarbij hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden zoals die in het redactiestatuut zijn opgenomen. De hoofdredacteuren van de verschillende uitgeefclusters behouden een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid voor de regionale redactionele inhoud van de dagbladen binnen dat cluster.

De algemeen hoofdredacteur die tevens de functie van hoofdredacteur Noordhollands Dagblad heeft, is de voorzitter bij de vertegenwoordigende overleggen. De algemeen hoofdredacteur is naast iedere hoofdredacteur verantwoordelijk voor de inhoudelijke journalistieke kwaliteit van alle clusters en stuurt daarnaast de centrale redactie (verantwoordelijk voor alle niet regionale content) aan. De hoofdredacteur voert de nieuws- en informatieregie binnen het cluster op basis van het mediumtype. (…)

(…)

Toelichting redactie

(…)

De lijn tussen directie en hoofdredacteuren betreft conform het redactiestatuut een rechtstreekse lijn voor onderwerpen, zoals het ontwikkelen van jaarplannen (incl. begroting en bezetting), het monitoren van de voortgang in de regio (middels periodiek overleg) en indien nodig het bijsturen hiervan. Hierbij wordt de rol en verantwoordelijkheid van de directie enerzijds en van de hoofdredacteuren anderzijds, ieder voor zijn eigen gebied zoals vastgelegd in het redactiestatuut, volledig gerespecteerd.

(…)

De lijn tussen de algemeen hoofdredacteur (als voorzitter van het College van Hoofdredacteuren) en de hoofdredacteuren betreft een rechtstreekse lijn voor journalistieke onderwerpen, verdeling redactionele taken (als internet, bijlagen, etc.). Verder voert de algemeen hoofdredacteur de Performance Management gesprekken van de hoofdredacteuren in overleg met en in aanwezigheid van de directie. De algemeen hoofdredacteur is verantwoordelijk voor het algehele personeelsbeleid binnen alle clusters, in lijn met artikel 6 van het redactiestatuut, de hoofdredacteur vult dit vervolgens per cluster verder in. (…)

2.12

In een reactie van 9 juli 2015 heeft de redactieraad gereageerd op de aangepaste adviesaanvraag:

(…)

Uw adviesaanvraag kent twee facetten, die bij weglating van alle nuances en details zijn te typeren als elan en structuuraanpassing. Alle aspecten waaruit dit elan spreekt, worden door de redactieraad onderschreven. Naar onze stellige overtuiging zijn zij realiseerbaar ook zonder de door u gewenste structuuraanpassing. Zoals u in overleggen met ons op 18 juni, 1 juli en 2 juli is gebleken, is de redactieraad mordicus tegen het inperken van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de algemeen hoofdredacteur ten faveure van een intensere lijn tussen directie en regionale hoofdredacteuren, kortom de structuuraanpassing. De motivering ligt in de strijdigheid van uw model met letter en geest van het redactiestatuut. (…)

Dit betekent dat wij wederom negatief adviseren inzake uw voorstellen tot aanpassen van de hoofdredactionele structuur.(…)

2.13

In een brief van 10 juli 2015 heeft HMC gereageerd naar de redactieraad. Zij heeft het volgende aangevoerd:

(…)

Wij hebben de motie tot afwijzing van de voorgestelde herinrichting als opgenomen in de adviesaanvraag van 11 juni 2015 in goede orde ontvangen. (…) De aan de motie ten grondslag gelegde overwegingen en constateringen leiden tot de conclusie dat van een aanpassing van de in de adviesaanvraag beschreven organisatieaanpassing geen sprake kan zijn.

(…)

Het redactiestatuut bepaalt in de algemene bepalingen dat meerdere hoofdredacteuren kunnen worden benoemd. Wanneer dat aan de orde is, draagt iedere hoofdredacteur de eigen verantwoordelijkheid voor de inhoud van de eigen titel binnen het geheel van de dagbladonderneming. Tezamen vormen zij de hoofdredactie: het team van hoofdredacteuren (en adjunct-hoofdredacteuren) onder leiding van een of meer benoemde (algemeen) hoofdredacteuren.

Op grond van het statuut, kunnen voor de verschillende dagbladen van Holland Media Combinatie dus hoofdredacteuren worden benoemd, die in die hoedanigheid de volle eindverantwoordelijkheid hebben voor de redactionele inhoud van het dagblad waarvoor zij benoemd zijn. Anders dan in de motie gesteld, kan in ieder geval op grond van het statuut niet worden aangenomen dat de redactie nu of in de toekomst als integrale eenheid onder leiding moet blijven of komen te staan van één (algemeen) hoofdredacteur die tevens verantwoordelijk zou zijn voor alle uitingen van de redactie.

(…)

2.14

In een e-mailbericht van 20 juli 2015 heeft Schat namens de redactieraad het volgende meegedeeld aan HMC:

(…)

(…). De redactieraad vindt (…) nog steeds dat gepoogd moet worden om te kijken of er een oplossing in overleg mogelijk is. (…)

Voor de redactieraad is het noodzakelijk dat er erkenning komt in de plannen dat er sprake is van:

- Één dagbladredactie voor de gehele Holland Media Combinatie onder leiding van een algemeen hoofdredacteur, met één redactiestatuut, één plenaire vergadering, één redactieraad en één redactiecommissie;

- De algemeen hoofdredacteur zou met name vanuit zijn/haar eindverantwoordelijkheid de leiding aan de redactie inhoud moeten geven, waarbij met delegatie van taken het wel mogelijk is om binnen die kaders de doelstellingen zoals geformuleerd in de adviesaanvraag het overleg per regionale titel verder inhoud te geven, gerealiseerd kan worden;

- Van belang is dan echter wel dat de directie de algemeen hoofdredacteur ook ziet als zijn evenknie op redactioneel vlak, waarmee het gesprek gevoerd moet worden zoals ook bedoeld wordt in artikel 3.6 van het redactiestatuut en niet dat een team van hoofdredacteuren die positie inneemt;

- Geborgd zou moeten worden dat de algemeen hoofdredacteur een rol speelt bij de selectie van de regionale hoofdredacteuren.

Als op deze punten het mogelijk is elkaar te vinden, zouden we er uit moeten kunnen komen. (…)

2.15

Op 23 juli 2015 heeft HMC gereageerd op het onder 2.12 aangehaalde e-mailbericht van de redactieraad en onder meer het volgende aangevoerd:

(…)

(Wij) herhalen (…) dat de motie van de plenaire redactievergadering niet kan leiden tot aanpassing van de voorgenomen organisatie-inrichting. Een zeer lange periode van overleg is voorafgegaan aan jullie motie van 8 juli, waarop wij op 10 juli hebben gereageerd. Met de motie en onze reactie is de overlegprocedure conform het redactiestatuut afgerond. Het voorgenomen besluit blijft daarmee ongewijzigd. Zoals eerder door ons aangegeven (…) staat de procedure volgens artikel 3.8 van het redactiestatuut met de bijbehorende tijdlijn thans open voor de redactieraad. Na afloop van de proceduretermijn als gesteld in het redactiestatuut, acht de directie zich alsdan vrij om – na het doorlopen van het OR-adviestraject – haar voorgenomen besluit te implementeren. (…)

2.16

In een e-mail van 23 juli 2015 heeft de redactieraad aan HMC laten weten dat zij nog niet zover is dat zij nu al concludeert dat er sprake is van een ernstig meningsverschil als bedoeld in artikel 3.8 van het redactiestatuut, te meer omdat het OR-traject nog loopt en dat nog kan leiden tot wijzigingen en er dus nog geen sprake is van een finaal besluit.

2.17

Op 1 september 2015 heeft HMC haar besluit inrichting redactionele organisatie kenbaar gemaakt aan de ondernemingsraad en dit besluit in afschrift verzonden aan onder andere de redactieraad. Dit besluit houdt onder meer in dat de directie heeft besloten conform het voornemen waarover zij advies had gevraagd, met uitzondering van een aantal punten. Voor zover in dit geding van belang vermeldt de brief het volgende.

De gehele redactie van Holland Media Combinatie, inclusief de weekbladredactie, is één en ondeelbaar en staat onder leiding van het college van hoofdredacteuren waarbij iedere hoofdredacteur, conform het statuut, verantwoordelijk is voor een specifieke titel en regio. De algemeen hoofdredacteur geeft conform het statuut leiding aan het college. De algemeen hoofdredacteur stuurt daarnaast de centrale redactie aan.

(…)

Er wordt als eerste een algemeen hoofdredacteur benoemd en daarna volgt de benoeming van de overige hoofdredacteuren. Daar er sprake moet zijn van een goed functionerend team van hoofdredacteuren zal de algemeen hoofdredacteur worden betrokken bij de benoeming van de overige hoofdredacteuren.

(…)

De functionele aansturing van de hoofdredacteuren berust bij de algemeen hoofdredacteur die met hen de KPI afspraken maakt en de performance management gesprekken voert. Eén en anders slechts voor zover conform redactiestatuut.

(…)

Uw wens om de taken en bevoegdheden van de algemeen hoofdredacteur uit te breiden tot de algehele leiding van de redactie inclusief het journalistieke beleid en het personeelsbeleid, de leiding van de centrale redactie en de leiding van alle digitale ontwikkelingen en het mogelijk maken van initiatieven van de diverse redacties is onzes inziens niet wenselijk noch mogelijk conform het redactiestatuut. Deze voorwaarde zullen (en kunnen) wij niet volgen. De taken en bevoegdheden van de algemeen hoofdredacteur staan omschreven in het redactiestatuut. Het benoemen van een algemeen hoofdredacteur kan geen inperking meebrengen van de hoofdredactionele rechten en bevoegdheden van de (overige) hoofdredacteuren. Het statuut laat de taakverdeling binnen de hoofdredactie uitdrukkelijk over aan de hoofdredactie zelf. De voorwaarde van de raad past daarmee niet binnen de kaders van het statuut. Zo is de hoofdredacteur op grond van het statuut verantwoordelijk voor de redactionele inhoud van zijn titel(s) en voor het handhaven van de beginselen van het redactionele beleid ten aanzien van die titel(s). Tegen de achtergrond van de doelstellingen van de wijzigingen van de redactionele organisatie, achten wij het ook los van de maatgevende kaders van het statuut niet wenselijk deze verantwoordelijkheden in te perken ten gunste van de algemeen hoofdredacteur.

(…)

De profielen van de twee functies van hoofdredacteur behoeven in het licht van het bovenstaande geen aanpassing.

2.18

De ondernemingsraad heeft een procedure aanhangig gemaakt tegen HMC bij de Ondernemingskamer. De mondelinge behandeling in die procedure zal plaatsvinden op 12 november 2015. Implementatie van het besluit is in verband daarmee opgeschort.

3 DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

De redactieraad vordert - verkort weergegeven - dat HMC veroordeeld wordt tot opschorting van de uitvoering van het besluit tot inrichting van de redactionele organisatie tot het moment dat in de nog op te starten bodemprocedure een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak voorhanden is, op straffe van een dwangsom van € 25.000,-- voor iedere overtreding van dit verbod.

3.2

De redactieraad legt aan haar vordering ten grondslag dat HMC jegens haar onrechtmatig handelt. Zij stelt dat het besluit van HMC in strijd is met de tekst en de strekking van het redactiestatuut en dat HMC onvoldoende zwaarwegende redenen heeft om dit besluit, voor zover het de inrichting van de redactionele organisatie betreft, te kunnen dragen. Zij benadrukt dat bij de toets of het besluit in strijd is met het redactiestatuut ook getoetst moet worden of de directie zwaarwegende redenen heeft om af te wijken van het advies van de redactieraad over de voorgenomen organisatiewijziging.

3.3

HMC heeft verweer gevoerd. In de eerste plaats heeft HMC zich op het standpunt gesteld dat de redactieraad niet in haar vorderingen kan worden ontvangen omdat de juridische procedure na het verstrijken van de 14 dagen termijn in de artikelen 3.7 en 3.8 van het redactiestatuut aanhangig is gemaakt. Op 10 juli, althans 23 juli 2015 heeft HMC immers al schriftelijk duidelijk laten weten aan de redactieraad dat zij de motie van de redactieraad naast zich neer zou leggen en haar voorgenomen besluit zou handhaven. Daarmee had op dat moment voor de redactieraad al duidelijk kunnen zijn dat er sprake was van een ernstig meningsverschil als bedoeld in genoemde artikelen, zodat de termijn van 14 dagen vanaf 10 juli doch uiterlijk vanaf 23 juli 2015 is gaan lopen, aldus HMC. Daarmee is de vordering die de redactieraad heeft ingesteld, te laat ingesteld en kan zij niet in haar vordering worden ontvangen.

3.4

Daarnaast heeft HMC betoogd dat de redactieraad geen natuurlijk of rechtspersoon is en om die reden niet in rechte kan optreden en ook om die reden

niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering.

3.5

Inhoudelijk heeft HMC eveneens verweer gevoerd.

3.6

Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna inhoudelijk worden ingegaan op de verschillende standpunten.

4 DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

Niet-ontvankelijkheid

4.1

Het meest verstrekkende verweer van HMC is dat de redactieraad niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vorderingen. Daartoe zijn twee gronden aangevoerd die hierna afzonderlijk zullen worden behandeld.

Tijdigheid aanhangig maken procedure

4.2

Door HMC is primair aangevoerd dat uit de e-mail van 10 juli 2015, waarin zij aangaf dat zij de motie van de redactieraad naast zich neer zou leggen, reeds duidelijk naar voren kwam dat zij niet van mening zou veranderen zodat de redactieraad op dat moment reeds had kunnen en moeten vaststellen dat er sprake was van een ernstig verschil van mening als bedoeld in de artikelen 3.7 en 3.8 van het redactiestatuut. De redactieraad had derhalve uiterlijk 24 juli 2015 de geschillenregeling van artikel 3.7 en 3.8 van het statuut in werking moeten stellen. Volgens HMC is er sprake van een contractuele vervaltermijn, hetgeen meebrengt dat het niet tijdig aanbrengen van de zaak tot niet-ontvankelijkheid leidt.

4.3

Voor zover zij in dit primaire standpunt niet wordt gevolgd heeft HMC aangevoerd dat ook uit de e-mail van 23 juli 2015 haar standpunt duidelijk naar voren gekomen is, zodat de redactieraad uiterlijk 14 dagen na die datum het ernstige meningsverschil aan de president van de rechtbank had moeten voorleggen.

4.4

De redactieraad heeft aangevoerd dat, omdat er ook na de motivering door HMC in de e-mail van 10 juli 2015, nog overleg is gevoerd en het adviestraject met de OR nog niet was afgerond, de mogelijkheid bleef bestaan dat HMC haar voorgenomen besluit zou heroverwegen en andersluidend zou beslissen. Zij heeft verklaard dat voor haar pas na de mededeling van het definitieve besluit op 1 september 2015 duidelijk was dat partijen niet meer tot een oplossing zouden komen en dat zij een beroep zou moeten doen op de geschillenregeling als bedoeld in artikel 3.7 en 3.8 van het statuut. Zij heeft benadrukt dat de termijn derhalve is gaan lopen bij het finale besluit van 1 september 2015. Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat genoemde termijn niet als een fatale termijn kan worden aangemerkt.

4.5

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De geschillenregeling van artikel 3.7 en 3.8 van het statuut is opgenomen in het hoofdstuk waarin de rol van de verschillende organen (hoofdredacteur, directie en redactieraad) is vastgelegd en waarin onder meer is bepaald dat in bepaalde gevallen de directie pas een beslissing neemt na diepgaand overleg met de redactieraad. In de artikelen 3.7 en 3.8 is vervolgens geregeld dat, als de directie en de redactieraad niet tot overeenstemming komen, er een geschillenregeling is die de meest gerede partij in de gelegenheid stelt binnen 14 dagen een ernstig meningsverschil over de uitvoering van het redactiestatuut aanhangig te maken bij de president van de rechtbank.

4.6

De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat de bodemrechter de onderhavige termijn zal opvatten als een vervaltermijn. Daarvoor is alleen al redengevend dat de termijn is gekoppeld aan een rechtsgang die er specifiek toe strekt een voorlopige maatregel te krijgen. Aannemelijk is dat de regeling slechts beoogt vast te leggen dat de directie de plicht heeft te wachten met de uitvoering van de bestreden besluiten, doch alleen indien daartegen binnen 14 dagen na de mededeling dat het advies niet wordt gevolgd een kort geding aanhangig wordt gemaakt.

4.7

Maar ook indien daarover anders moet worden gedacht, faalt het ontvankelijkheidsverweer. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.8

De regeling voor de onderhavige rechtsingang in het statuut, moet worden uitgelegd in de context van het geheel van dat statuut, waarin een sterk accent ligt op de wederzijdse plicht van de twee “bloedgroepen” binnen een dagbladorganisatie om met respect voor elkaars domein -en elkaars (relatieve) onafhankelijkheid van de ander binnen dat domein- eerst na “diepgaand overleg” tot besluiten te komen. Een redelijke uitleg van de regeling brengt onder die omstandigheden mee dat een beroep op het niet tijdig aanhangig maken van een kort geding in geval van het daarin genoemde ernstige meningsverschil pas kan worden gedaan indien beide partijen het inzicht hadden moeten hebben dat verder praten niet meer tot overeenstemming kon leiden.

4.9

Daarvan is hier geen sprake. Uit het hiervoor gegeven overzicht van de loop van de besluitvorming moet worden geconcludeerd dat de directie haar inzichten op belangrijke punten een aantal malen heeft gewijzigd of verduidelijkt. Zo laat de directie op 4 maart 2015 de gedachte aan hiërarchische aansturing van de regionale hoofdredacteuren door de directie varen (zie 2.6). Op 11 juni 2015 wordt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor inhoudelijke journalistieke kwaliteit van de algemeen hoofdredacteur naast de afzonderlijke regionale hoofdredacteuren en het begrip college van hoofdredacteuren geïntroduceerd, zonder dit echter uit te werken, anders dan de vermelding dat de algemeen hoofdredacteur de Performance Management gesprekken met de andere hoofdredacteuren voert (zie 2.11). Die uitwerking komt vervolgens (enigermate) in de toelichting op het besluit van 1 september 2015, waarin wordt vermeld dat de gehele redactie van HMC onder leiding staat van het college van hoofdredacteuren. Die brief bewijst daarmee dat de gedachtenvorming omtrent de uitwerking van het nieuwe organisatiemodel aan de zijde van de directie op belangrijke punten tot vlak voor de uitbrenging van de dagvaarding is doorgegaan. Onder die omstandigheden brengt een redelijke uitleg van artikel 3.8 mee dat de directie zich niet op het standpunt kan stellen dat de redactieraad het geschil eerder aanhangig had moeten maken.

Kan de redactieraad in rechte optreden?

4.10

Als tweede grond voor niet-ontvankelijkheid is door HMC aangevoerd dat de redactieraad geen natuurlijk persoon of rechtspersoon is en derhalve geen vordering in rechte kan instellen. Zij stelt dat een verwijzing naar de regeling met betrekking tot Ondernemingsraden miskent dat voor Ondernemingsraden in de Wet op de Ondernemingsraden een specifieke uitzondering is gemaakt.

4.11

De redactieraad heeft zich op het standpunt gesteld dat haar bevoegdheid om in rechte de onderhavige, op het redactiestatuut gebaseerde, vordering in te stellen kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat haar bestaan en bevoegdheden zijn geregeld in het redactiestatuut en in de CAO-regeling en dat het redactiestatuut onderdeel uitmaakt van de individuele arbeidsovereenkomsten van de redactieleden.

4.12

De voorzieningenrechter stelt bij de beslissing van dit geschilpunt voorop dat honorering van het hier aan de orde zijnde ontvankelijkheidsverweer erop neer zou komen dat de rechtsingang die óók HMC als partij bij het statuut heeft voorzien om een spoedvoorziening te krijgen wanneer die nodig is omdat partijen er in onderling overleg niet uitkomen, voor de partij die in het statuut is aangewezen voor de instigatie van die actie niet open staat. Dat zou dan ook gelden in een geval waarin de directie van HMC zich tot de kort geding rechter zou willen wenden, want zij ontbeert evenzeer rechtspersoonlijkheid. Honorering van het verweer zou de regeling in het statuut daarmee tot een dode letter maken.

4.13

Het verweer kan dan ook niet slagen. Hedendaagse opvattingen over een efficiënte organisatie van rechtsbescherming brengen mee dat in een geval als het onderhavige een contractuele grondslag voor de bevoegdheid om een in dat contract voorziene vordering tegen de contractuele wederpartij in te stellen, toereikend moet worden geacht. De omstandigheid dat een bij verlies van de procedure aan de verliezende opgelegde proceskostenveroordeling bij gebrek aan rechtspersoonlijkheid niet kan worden verhaald, is onvoldoende voor een andere opvatting.

Inhoudelijk

4.14

Inhoudelijk loopt het geschil over twee vragen:

o is het besluit van HMC in strijd met het redactiestatuut?

o heeft de directie voldoende zwaarwegende redenen om af te wijken van het advies van de redactieraad?

Beide vragen hangen in die zin met elkaar samen dat naarmate de spanning tussen het door de directie voorgestane organisatiemodel en de eisen die het statuut dienaangaande stelt duidelijker aan het licht treedt, hogere eisen moeten worden gesteld aan het gewicht van de redenen die daarvoor worden aangevoerd.

4.15

Bij de beantwoording van de beide vragen zal uitgegaan worden van de meest recente gedachten van de directie over de structuur en de daartegen door de redactieraad ingebrachte bezwaren.

4.16

HMC heeft nog opgemerkt dat een kort geding zich niet leent voor beantwoording van de vraag wat het statuut voorschrijft op het punt van de benoeming van hoofdredacteuren. Het komt de voorzieningenrechter evenwel voor dat partijen met de regeling in het statuut nu juist hebben beoogd om bij een onoverbrugbaar verschil van opvatting over die vraag de interventie van de kort geding rechter mogelijk te maken. Dat die interventie zich zou moeten beperken tot de vraag of de procedure correct is gevolgd, zoals HMC heeft verdedigd, is alleen al om die reden niet aannemelijk en wordt bovendien weerlegd door het criterium dat in artikel 3.7 is opgenomen voor de bevoegdheid van de directie om van het advies van de redactieraad af te wijken, dat immers een inhoudelijke toetsing veronderstelt.

4.17

Bij de beantwoording van de vraag wanneer er aanleiding is om inhoudelijk in te grijpen, moet, zoals altijd in kort geding, een afweging van belangen plaatsvinden. Daarbij moet er uiteraard rekening mee worden gehouden dat de reorganisatie bedoeld is om het ontstaan van een verlieslatende krantenonderneming te voorkomen. Maar daar staat tegenover dat het vrijwel uitgesloten is om een organisatiewijziging, eenmaal geïmplementeerd, terug te draaien, hetgeen meebrengt dat effectieve rechtsbescherming alleen in kort geding kan worden gegeven.

Strijd met het statuut?

4. 19 De kern van het geschil betreft de vraag of het statuut het toelaat om de redactionele organisatie vorm te geven als door de directie besloten.

Dat model bevat in ieder geval de volgende kenmerken:

 eenheid van redactie

 instelling van een college van hoofdredacteuren

 introductie van de functie algemeen hoofdredacteur en regionale

hoofdredacteuren

 aanstelling van een algemeen hoofdredacteur en vier regionale hoofdredacteuren

 verantwoordelijkheid van iedere hoofdredacteur voor de regio waarin hij is

aangesteld

 functionele aansturing van de hoofdredacteuren door de algemeen

hoofdredacteur.

4.20

De redactieraad wijst er op dat het redactiestatuut tot stand gekomen is in 2005 in het kader van een samenvoeging van de verschillende redacties, waarbij er (in eerste instantie) twee hoofdredacteuren zouden zijn, een hoofdredacteur Noord en een hoofdredacteur Zuid, met daaronder een aantal adjunct-hoofdredacteuren. De redactieraad stelt dat dat de reden is dat het statuut voorziet in de mogelijke aanwezigheid van meer dan één hoofdredacteur. Zij benadrukt dat destijds voor de -onduidelijke- redactie van de algemene bepaling sub c van het statuut is gekozen omdat het de bedoeling was dat één van de hoofdredacteuren zou afvloeien, hetgeen uiteindelijk ook is gebeurd, en dat er daarna slechts één hoofdredacteur zou zijn. Door thans te besluiten een vijftal hoofdredacteuren aan te stellen, welke hoofdredacteuren door de directie worden benoemd, en daarboven niet één algemeen hoofdredacteur aan te stellen die het aanspreekpunt is voor de directie, creëert de directie meer rechtstreekse en directe ingangen tot hoofdredacteuren, als gevolg waarvan de positie en de bevoegdheden van de algemeen hoofdredacteur worden verzwakt en de positie van de redactie als geheel zal worden aangetast.

4.21

Ook als naar de overige bepalingen van het statuut wordt gekeken kan volgens de redactieraad niet anders geconcludeerd worden dan dat er wordt uitgegaan van hiërarchie binnen de hoofdredactie, die onder leiding en verantwoordelijkheid van de algemeen hoofdredacteur staat. Zo is in art 5.1.10 bepaald dat de hoofdredacteur wordt uitgenodigd tot het bijwonen van de daarin omschreven vergaderingen van de directie. De door de directie voorgestane uitleg is dan ook volledig tegengesteld aan de uitleg zoals die tot nu toe aan het statuut is gegeven.

4.22

HMC heeft betoogd dat haar plannen niet in strijd zijn met het statuut. Zij heeft daarbij benadrukt dat het statuut objectief moet worden uitgelegd, zodat de intentie die partijen bij het opstellen daarvan voor ogen hadden geen rol kan spelen. Zij heeft opgemerkt dat in de tekst van het statuut wordt gesproken over ‘hoofdredacteur(en)’ zodat het voor haar mogelijk is om meerdere hoofdredacteuren aan te stellen. Zij heeft er op gewezen dat het statuut is opgesteld aan de hand van een modelstatuut, dat ook bij andere mediabedrijven, zoals bijvoorbeeld De Persgroep Nederland, wordt gebruikt. Ook in dat bedrijf wordt gewerkt met meerdere hoofdredacteuren en vindt het overleg tussen de hoofdredacteuren plaatst in een college van hoofdredacteuren. De voorgenomen inrichting is ook in de geest van het statuut, aldus HMC.

4.23

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het statuut, als een door een CAO voorgeschreven algemene regeling waaraan individuele werknemers rechten kunnen ontlenen, overeenkomstig de in de jurisprudentie ontwikkelde CAO-norm moet worden uitgelegd. Dat behelst een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Indien de bedoelingen van de partijen bij het statuut naar objectieve maatstaven volgen uit de bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus kenbaar zijn voor individuele werknemers die niet bij de totstandkoming betrokken zijn geweest, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden gehecht (HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493), maar niet kenbare partijbedoelingen spelen bij de uitleg (in beginsel) geen rol. (Vgl. conclusie A-G Spier voor HR 28 juni, NJ 2003, 111). Met inachtneming van dit een en ander wordt het volgende overwogen.

4.24

De diverse bepalingen in het statuut zijn niet consistent in het gebruik van de begrippen hoofdredacteur en hoofdredactie. Artikel 3.2 legt op “de hoofdredacteur” de leiding van de redactie en de verantwoordelijkheid voor de redactionele inhoud van het dagblad. In artikel 5.1.1 is bepaald dat “de hoofdredactie” de leiding heeft van de redactie en van de journalistieke productie en aldus een eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid voor de redactionele inhoud van de dagbladen heeft. Artikel 5.1.2 legt, niet in lijn daarmee, de plicht tot verantwoording tegenover de directie echter niet op de hoofdredactie maar op “de hoofdredacteur”. Een vergelijkbare differentiatie in de toedeling van taken en bevoegdheden aan de beide organen is op meer plaatsen in het statuut zichtbaar. Zo bepaalt artikel 7.2 dat “de hoofdredactie” aan de directie verantwoording verschuldigd is voor de kostenbewaking maar voert de directie blijkens artikel 7.1 overleg over belangrijke aangelegenheden de begroting betreffende met “de hoofdredacteur”. Het onderscheid lijkt gebaseerd te zijn op de wens om met een zekere slagvaardigheid te kunnen besturen. Artikel 8.1 schrijft voor dat “de hoofdredacteur” van aanvang af wordt betrokken bij de daarin genoemde plannen tot reorganisatie, fusie, verkoop of liquidatie, terwijl artikel 8.3 “de hoofdredactie” het recht geeft vertrouwelijk te worden ingelicht over een voorgenomen ingrijpende wijziging in de samenstelling van de kring der eigenaren of van de directie. Het onderscheid lijkt gebaseerd te zijn op een afweging van het belang van geheimhouding tegen dat van betrokkenheid.

4.25

Deze bepalingen en onderscheidingen komen begrijpelijk en aanvaardbaar voor, zolang zij strekken tot regeling van een organisatiemodel met één hoofdredacteur en een hoofdredactie die bestaat uit die hoofdredacteur en zijn adjuncten. In de algemene bepalingen onder c is het begrip “hoofdredacteur” echter omschreven als “een of meer hoofdredacteuren” die als zodanig zijn benoemd, en onder hoofdredactie het “team van hoofdredacteuren en adjunct-hoofdredacteuren”. Met die bepaling wordt aldus aan de begrijpelijkheid van het statuut ernstig afbreuk gedaan. (Immers, wat is nog de zin van beperking van de in artikel 8.1 genoemde betrokkenheid tot “de hoofdredacteur” wanneer de hele hoofdredactie hoofdredacteur wordt gemaakt.). Een louter taalkundige uitleg brengt daarom geen uitkomst.

4.26

De historische lezing van de redactieraad zou een verklaring kunnen zijn voor de inconsistentie in de redactie van het statuut, maar is door de directie betwist en blijkt op zichzelf onvoldoende uit het statuut (documenten met betrekking tot de totstandkomingsgeschiedenis als notulen, concepten, voorgaande versies, al aangenomen dat daarop acht zou mogen worden geslagen, zijn bovendien niet overgelegd).

4.27

De omstandigheid dat het HMC-statuut in het verleden een bepaalde inrichting van de organisatie heeft ondersteund verzet zich er niet tegen dat die inrichting wordt gewijzigd, indien die wijziging, los van de historie bezien, door het statuut kan worden gedragen. De omstandigheid dat het statuut een aantal jaren op een bepaalde wijze is uitgelegd en toegepast kan hier niet doorslaggevend zijn, aangezien uit de eigen stellingname van de redactieraad voortvloeit dat de aanwezigheid van meer dan een hoofdredacteur, zonder hiërarchische of functionele onderschikking van de een aan de ander, als overgangsmodel gedurende enkele jaren heeft bestaan en door partijen in die periode klaarblijkelijk is opgevat als een constructie die door het statuut werd toegelaten.

4.28

De strekking van een redactiestatuut -dus ook van het onderhavige statuut- is het borgen van de onafhankelijkheid van de redactie tegenover de directie, met als doel te verzekeren dat de redactie haar informatieverwervende en -verstrekkende taak kan uitvoeren zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook (statuut 3.1.). Het statuut kent daartoe een model waarin scherp wordt onderscheiden tussen het domein van de directie (bestuur van de onderneming, zorg voor middelen en rendement) en dat van de redactie (zorg voor inhoud). Het statuut focust met name op hoe op de belangrijkste raakvlakken van beide domeinen met elkaar moet worden omgegaan, waarbij facilitering (3.3), inlichting (8.1, 8.3) overleg (3.4, 3.6, 3.7, 5.1.6, 6, 7.1) en advies (3.7, 4.1.2, 5.2.1, 5.2.2, 9.6) sleutelwoorden zijn. Het statuut voorziet verder in belangrijke bevoegdheden voor de (hoofd)redactie wat betreft mensen en middelen, waaronder de bevoegdheid om zelf te beslissen over de besteding van haar budget. Respect voor het redactionele domein dient bij de toetsing van de herinrichting dan ook een belangrijk aandachtspunt te zijn.

4.29

Duidelijk - want niet weersproken - is verder dat het beleggen van de hoofdredactionele eindverantwoordelijkheid bij een college van hoofdredacteuren niet strijdig is met het NVJ-modelstatuut.

4.30

De voorzieningenrechter is al met al van oordeel dat een model waarin de zorg voor de redactionele afhankelijkheid als hiervoor bedoeld is belegd bij een college van hoofdredacteuren niet strijdig is met het statuut, maar alleen indien dit goed is uitgewerkt. Van een zodanige uitwerking is pas sprake indien de documenten die de inrichting regelen consistent met elkaar zijn en de daarin uitgewerkte beschrijving van de taken en bevoegdheden van het college van hoofdredacteuren en de wijze waarop die de in het statuut voorziene relaties met elkaar en met de directie onderhouden een voldoende borging van de door het statuut verlangde onafhankelijke positie ten opzichte van de directie bevat.

4.31

Te denken valt daarbij aan (verdere) uitwerking op de volgende punten:

 het college heeft functioneel sturende bevoegdheden ten opzichte van haar leden (en de redactie in al haar onderdelen) op alle terreinen waarop de collegiale eindverantwoordelijkheid voor het gehele (dus ook het regionale) redactionele beleid gestalte moet (kunnen) krijgen;

 het college gaat zelf over haar taakverdeling, met dien verstande dat de leiding van het college en de externe representatie inzake algemeen hoofdredactionele aangelegenheden berust bij de voorzitter;

 het college zorgt voor een mandaatregeling die slagvaardig optreden van het college en haar leden, in het bijzonder de voorzitter, mogelijk maakt en de voorzitter in staat stelt zijn leidinggevende taak ten volle te vervullen;

 de voorzitter is -krachtens mandaat- bevoegd de leden van het college namens het college op alle aspecten van hun functioneren aan te spreken;

 de functioneringsgesprekken met de regionaal hoofdredacteuren worden namens het college gevoerd door de voorzitter, al dan niet samen met een collega hoofdredacteur;

 bij het staken der stemmen beslist de voorzitter.

4.32

De directie heeft in haar brief van 1 september 2015 aan de ondernemingsraad bevestigd dat binnen HDC Media niet is gekozen voor een redactie en een eindverantwoordelijke hoofdredactie per dagblad, maar voor één redactie en één hoofdredactie voor het geheel. Tegen die achtergrond verdraagt de aanstelling van regionale hoofdredacteuren “die in die hoedanigheid de volle eindverantwoordelijkheid hebben voor de redactionele inhoud van het dagblad waarvoor zij benoemd zijn” zich niet met de hiervoor omschreven strekking van het statuut. In een dergelijke constructie is het immers niet mogelijk om de redactionele eindverantwoordelijkheid van het college van hoofdredacteuren voor het geheel en voor de samenhang in het redactionele beleid waar te maken.

4.33

De directie lijkt in de brief van 1 september 2015 terug te komen van de eerder gemaakte keuze voor rechtstreekse sturingsrelaties tussen directie en de regionale hoofdredacteuren "voor onderwerpen als het ontwikkelen van jaarplannen". Ter zitting is bevestigd dat de functionele aansturing van de regionale hoofdredacteuren is belegd bij de algemeen hoofdredacteur die "conform het statuut" leiding geeft aan het college van hoofdredacteuren. Op pagina 3 van de zojuist genoemde brief wordt echter de indruk gewekt dat die leiding sterk begrensd is, want niet omvat "het journalistieke beleid, het personeelsbeleid, de leiding van de centrale redactie en de leiding van alle digitale ontwikkelingen en het mogelijk maken van initiatieven van de diverse redacties". Daarvoor wordt als reden gegeven dat het benoemen van een algemeen hoofdredacteur geen inperking kan meebrengen van de hoofdredactionele rechten en bevoegdheden van de (overige) hoofdredacteuren. Die redengeving miskent echter dat het statuut de aanwezigheid veronderstelt van een orgaan dat de redactionele eindverantwoordelijkheid voor het geheel heeft. Indien dat de hoofdredactie als college is, zal moeten worden voorzien in uitwerking van een functionele sturingsrelatie van het college aan de individuele leden-hoofdredacteur daarvan en een verantwoordingsrelatie van die leden-hoofdredacteuren aan het college. De door de directie beschreven beperking van de bevoegdheden van de algemeen hoofdredacteur is dan ook alleen begrijpelijk, indien die opmerking wordt gemaakt vanuit het gezichtspunt dat van de bedoelde inperking alleen in de relatie tot het college van hoofdredacteuren sprake kan zijn. Niet duidelijk is of de directie dit voor ogen heeft. Ook overigens dringen zich belangrijke vragen op, zoals: bij wie berust de redactionele bevoegdheid aangaande de genoemde regio-overstijgende onderwerpen? Waarover mogen de performance management gesprekken gaan die de algemeen hoofdredacteur geacht wordt met zijn regio-collega’s te voeren? Uit hoofde van welke bevoegdheid mag de algemeen hoofdredacteur de regionaal hoofdredacteur aanspreken op diens hoofdredactioneel functioneren in de regio?

4.34

Een toereikende uitwerking dient op deze en alle overige sub 4.31 genoemde punten uitsluitsel te verschaffen. De voorzieningenrechter stelt vast dat die ontbreekt. De slotsom is dan ook dat het organisatieplan als voorgelegd en toegelicht onvoldoende eenduidig is om de in de opzet aanwezige spanning met doel en strekking van het statuut te voorkomen. Aldus bezien is het plan in strijd met het statuut.

Voldoende zwaarwegende redenen?

4.35

De voorzieningenrechter is van oordeel dat tot op heden niet is toegelicht waarom de doelen die met de reorganisatie worden nagestreefd, gegeven de randvoorwaarden die door het statuut worden gesteld, met de door de directie voorgestane inrichting van de in het statuut voorziene functies beter worden gediend dan met de in 2.14 genoemde regeling die de redactieraad voorstaat.

4.36

Resteert bespreking van de klacht dat in het door de directie gewenste model de vijf regionaal begrensde hoofdredactionele functies niet langer worden belegd bij in het statuut voorziene adjunct-hoofdredacteuren, maar bij evenzovele hoofdredacteuren. De redactieraad heeft aangevoerd dat de directie, door te kiezen voor een college van vijf hoofdredacteuren (en, naar de voorzieningenrechter begrijpt, de functies van adjunct-hoofdredacteur ongebruikt te laten) de bepalende rol vervult bij de benoeming van de hele hoofdredactie. De voorzieningenrechter oordeelt daaromtrent als volgt.

4.37

Voor zover de omstandigheid dat de hoofdredacteur in het model van de directie geen zeggenschap heeft over de invulling van de functies waarop nu regionale hoofdredacteuren worden geplaatst de belangrijkste drijfveer is achter het model, kan dat geen zwaarwegende reden vormen om aan het advies van de redactieraad voorbij te gaan. Het gevolg van deze wijziging is immers dat het hoofdredactionele domein daarmee een belangrijk middel verliest om zijn hoofdredactionele onafhankelijkheid gestalte te geven en zijn hoofdredactionele verantwoordelijkheid waar te maken. Daar moet een zwaarwegend bedrijfsbelang tegenover staan. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat daarvan sprake is, maar acht dit tot op heden onvoldoende toegelicht. De voorzieningenrechter begrijpt overigens uit het in 2.14 vermelde standpunt van de redactieraad dat hier wel ruimte voor tussenoplossingen is.

4.38

De slotsom is dat vooralsnog niet kan worden gesproken van een voldoende zwaarwegende reden voor het niet volgen van het door de redactieraad gegeven advies.

Consequenties voor de vordering

4.39

Gegeven het voorgaande is er aanleiding voor het treffen van een voorziening.

De voorzieningenrechter zal bepalen dat HMC de uitvoering van het besluit tot inrichting van de redactionele organisatie moet opschorten totdat de directie een nieuw besluit heeft genomen waarin aan de hiervoor vermelde overwegingen recht wordt gedaan, en, indien binnen 14 dagen na dagtekening van dit besluit een kort geding wordt aangespannen, totdat in dat kort geding is beslist.

4.40

De voorzieningenrechter benadrukt dat partijen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben om via overleg naar een oplossing voor het geschil te zoeken. Partijen hebben een overduidelijk gemeenschappelijk belang: zorgen dat de door beiden onderschreven visie op een levensvatbaar businessmodel in de praktijk gaat werken. Verder lijkt tijdverlies een luxe te zijn die partijen zich maar beperkt kunnen veroorloven. De voorzieningenrechter geeft partijen dan ook in overweging om een of meer deskundige derden in wie zij beide vertrouwen hebben de opdracht te geven hen te begeleiden naar een spoedige afronding van de reorganisatie.

De opdracht zou mede kunnen inhouden het vastleggen van de resultaten van het overleg in een uitgewerkt plan, met mandaatregeling, protocollen voor het in het statuut voorziene overleg en andere documenten die voor de werkbaarheid van het geheel van belang kunnen zijn.

4.41

Gelet op het vorenstaande kan de vordering van de redactieraad gedeeltelijk worden toegewezen. De gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming wordt afgewezen. Gegeven het in 4.40 geschetste gemeenschappelijk belang gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat HMC haar medewerking zal verlenen aan de hierna te vermelden veroordeling.

4.42

HMC zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt HMC de uitvoering van het besluit tot inrichting van de redactionele organisatie op te schorten totdat de directie een nieuw besluit heeft genomen waarin aan de hiervoor vermelde overwegingen recht wordt gedaan, en, indien binnen 14 dagen na dagtekening van dat besluit een kort geding wordt aangespannen, totdat in dat kort geding is beslist;

- veroordeelt HMC in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de redactieraad begroot op € 613,-- aan verschotten en op € 816,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2015 in tegenwoordigheid van

C. Vis-van Zanden, griffier.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist