Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:906

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
218912
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing dwangakkoord ondernemer. Aanbod circa 6,5%. Van de schuldeisers is circa 37% niet akkoord. Nu het aangeboden akkoord louter is gebaseerd op het door de gemeente ter beschikking gestelde Bbk-krediet, heeft de schuldenaar dus, onder de gegeven omstandigheden, niet het maximaal haalbare waartoe hij financieel in staat moet worden geacht aangeboden. De verwachting dat, indien op eiser de schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard, er meer zal kunnen worden gespaard om de schulden af te lossen is dus gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

Zaaknummer: C/15/ 218912

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 10 februari 2015

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

tegen

Electrotechniek [A.],

[adres]

,
verweerster,

Interieur- & Timmerwerken [B.],

[adres]

,
verweerster,

Vasco Stuc,

[adres]

,
verweerster,

Schildersbedrijf [C.],

[adres]

,
verweerster,

Silani B.V.,

[adres]

,
verweerster,

ING Bank,

gemachtigde Vesting Finance,

Postbus 2290,

1000 CG Amsterdam,
verweerster.

Partijen zullen hierna [verzoeker], [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft bij op 4 november 2014 ter griffie binnengekomen verzoekschrift de rechtbank verzocht [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).

1.2.

Ter terechtzitting van 26 januari 2015 is [verzoeker] hierover gehoord. [B.], [C.] en Silani zijn verschenen. [A.] en Vasco zijn niet verschenen. ING heeft schriftelijk verweer gevoerd. Het proces-verbaal van de terechtzitting dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

[verzoeker] heeft blijkens de verklaring ex artikel 285, eerste lid onder e, Fw een totale schuld van € 329.987,63 concurrent + 43.141,00 preferent aan 33 schuldeisers.

2.2.

De vordering van [A.] op [verzoeker] bedraagt € 20.766,09.

2.3.

De vordering van [B.] op [verzoeker] bedraagt € 3.034,77.

2.4.

De vordering van Vasco op [verzoeker] bedraagt € 15.029,05.

2.5.

De vordering van [C.] op [verzoeker] bedraagt € 11.059,25.

2.6.

De vordering van Silani op [verzoeker] bedraagt € 26.796,74.

2.7.

De vordering van ING op [verzoeker] bedraagt € 59.762,53.

2.8.

Het college van burgemeester en wethouders van de [gemeente] heeft aan [verzoeker] ten behoeve van een minnelijke regeling met de schuldeisers een Bbz-krediet ter beschikking gesteld tot een bedrag van € 30.000,00. De gemeente heeft het besluit gebaseerd op een Quickscan van het Instituut voor het Midden en Kleinbedrijf (IMK) inzake het bedrijf van [verzoeker], waarin vanaf 2014 een aflossingscapaciteit wordt geprognosticeerd van € 10.000,00 per jaar.

2.9.

Zuidweg & Partners heeft namens [verzoeker] bij brief van 6 augustus 2014 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan preferente en concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van respectievelijk 13% en 6,5% tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.

2.10.

De aangeboden schuldregeling is door de andere schuldeisers aanvaard.

2.11.

[A.] heeft geen reden voor het onthouden van instemming opgegeven.

2.12.

[B.], Vasco, [C.] en Silani hebben – samengevat – als reden voor het onthouden van instemming opgegeven dat het voorstel te laag is.

2.13.

ING heeft – samengevat – als reden voor het onthouden van instemming opgegeven dat [verzoeker] niet de maximale inspanning levert om een zo hoog mogelijke uitkering te genereren en dat [verzoeker], vlak na zijn faillissement, een nieuwe onderneming is gestart zonder af te lossen op oude schulden.

3 De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1.

Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

3.2.

Bij de beoordeling van de vraag of [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING in redelijkheid tot de weigering konden komen, moet worden gekeken naar de inhoud van het akkoord.

Aanvaarding van het akkoord zal tot gevolg hebben dat (op grond van de prognose van Zuidweg & Partners) [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING een betaling van 6,5% van hun vorderingen tegemoet kan zien. Dit zal (in beginsel) moeten worden vergeleken met de situatie dat op [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard zoals subsidiair verzocht.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat thans niet valt te voorzien of [verzoeker] in de (nabije) toekomst meer inkomen zal kunnen genereren. Evenmin heeft [verzoeker] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij het maximaal haalbare waartoe hij financieel in staat moet worden geacht heeft aangeboden, nu het aangeboden akkoord louter is gebaseerd op het door de gemeente ter beschikking gestelde Bbz-krediet. De verwachting van [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING dat, indien op [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard, er meer zal kunnen worden gespaard om de schulden af te lossen is dus gerechtvaardigd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de schuldsaneringsregeling betere waarborgen biedt voor de controle op de naleving van een mogelijke sollicitatie- en arbeidsverplichting dan de minnelijke regeling.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING gezamenlijk ongeveer 37% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen. De rechtbank is van oordeel dat het door [verzoeker] aangeboden bedrag niet in verhouding staat tot hetgeen [verzoeker] aan [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING is verschuldigd.

3.5.

Gelet op het voorgaande hebben [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling kunnen komen. Het verzoek om [A.], [B.], Vasco, [C.], Silani en ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zal daarom worden afgewezen.

3.6.

Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af,

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2015.