Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:905

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
C-15-220097 - KG ZA 15-8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad van de vrouw jegens de man: Rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen waarin is bepaald dat het saldo van de Turkse bankrekening aan de man toekomt. De vrouw heeft vervolgens een procedure gestart in Turkije waarin zij de helft van het saldo van de bankrekening heeft gevorderd. De vrouw heeft de man en zijn advocaat hiervan niet op de hoogte gesteld. Ook heeft zij de Turkse rechtbank niet geïnformeerd dat hierover al een Nederlands vonnis was gewezen. De vrouw heeft de dagvaarding laten betekenen op het adres van haar broer in Izmir. De vordering is bij verstek toegewezen en de vrouw heeft de helft van het saldo van de bankrekening gehaald. Vordering van de man tot betaling van de helft van het saldo (44.000 euro) wordt toegewezen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/220097 / KG ZA 15-8

Vonnis in kort geding van 5 februari 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Amsterdam,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. P.H. Visser,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Zaandam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P. Wieringa.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de eis in reconventie.

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 15 mei 1985 in Turkije gehuwd. Het huwelijk is op 25 oktober 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 4 oktober 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het verzoek met betrekking tot de verdeling van de huwelijkse goederen wordt beheerst door het Turkse recht, wat inhoudt dat voor 1 januari 2002 sprake was van een scheiding van goederen en nadien van – kort gezegd – een gemeenschap van aanwas. Partijen zijn veroordeeld om over te gaan tot verdeling van de goederen die hun gemeenschappelijk eigendom zijn. Hierop is een verdelingsprocedure gevolgd.

2.3.

In de verdelingsprocedure was tussen partijen onder meer in geschil of het saldo van een rekening met nummer 458388 bij de Centrale Bank van de Republiek Turkije hen gezamenlijk toekomt, dan wel toekomt aan de man. Deze rekening stond op 1 januari 2002 uitsluitend op naam van de man. De bankrekening is op 7 april 2003 een gezamenlijke rekening geworden.

2.4.

Bij tussenvonnis van 23 juli 2014 heeft de rechtbank overwogen dat in de periode van 1 januari 2002 tot en met 28 maart 2011 geen sprake was van aanwas en dat het saldo van de rekening toekomt aan de man. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de door de man gevorderde medewerking van de vrouw aan de wijziging van de tenaamstelling van de rekening voor toewijzing gereed ligt. De rechtbank heeft de zaak aangehouden om partijen een akte te laten nemen over een ander geschilpunt betreffende de verdeling.

2.5.

Bij eindvonnis van 19 november 2014 heeft de rechtbank onder meer het volgende beslist:

[…]

3.5.

verklaart voor recht dat het saldo van rekeningnummer 458388 bij de Centrale Bank van de Republiek Turkije toekomt aan [eiser] en bepaalt dat het over de periode 1 januari 2010 tot 25 oktober 2011 (te) ontvangen rentedeel gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld,

3.6.

beveelt dat [gedaagde] eraan zal meewerken dat de onder 3.5. genoemde bankrekening op naam van [eiser] wordt gesteld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat zij steeds na tien dagen nadat in dit kader een concrete handeling van haar is gevraagd daaraan niet haar medewerking verleent, met een maximum van € 5.000,--,

3.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

[…]

2.6.

Het vonnis is op 26 november in persoon aan de vrouw betekend. Daarbij is de vrouw gesommeerd om, op straffe van de in het vonnis genoemde dwangsom, zich binnen 10 dagen met haar Turkse identiteitsbewijs te wenden tot het Turkse consulaat te Rotterdam en daar een verklaring te ondertekenen dat zij opdracht geeft aan de Turkiye Cumhuriye Merkez Bankasi A.S., filiaal te Istanbul, om de Super Deviezen rekening, nummer 4583888 zo spoedig mogelijk enkel op naam van de man te stellen. De vrouw heeft niet aan deze sommatie voldaan.

2.7.

Na het tussenvonnis van 23 juli 2014 heeft de vrouw een procedure aanhangig gemaakt bij de Tweede Vredesrechtbank in Karsiyaka, Turkije. De vrouw heeft daarin van de man gevorderd om zijn medewerking te verlenen aan de omzetting van de gezamenlijke Turkse bankrekening in een individuele bankrekening, waarbij ieder de beschikking krijgt over de helft van het spaartegoed. De dagvaarding dan wel uitnodiging voor de zitting is betekend op een adres in Izmir, Turkije, en wel op het adres dat de vrouw bij de Turkse rechtbank als het adres van beide partijen heeft opgegeven. Op 19 augustus 2014 heeft een zitting plaatsgevonden. De man is niet ter zitting verschenen. Bij beschikking van 27 november 2014 heeft de Turkse rechtbank de vordering van de vrouw toegewezen. De beschikking is op 28 november 2014 op het bij de Turkse rechtbank bekende adres aan de man betekend. De beschikking is op 11 december 2014 in kracht van gewijsde gegaan.

2.8.

Bij brief van 15 december 2014 heeft de Turkse Centrale Bank de man geschreven dat de bank de helft van het bedrag van € 89.226,06, zijnde € 44.613,02 aan de vrouw heeft uitbetaald op grond van de Turkse beschikking.

2.9.

Bij exploot van 9 januari 2015 heeft de deurwaarder van de man de vrouw aangeschreven dat zij in gebreke is gebleven om de concrete handeling zoals bedoeld in het sub 2.6 omschreven exploot van 26 november 2014 te verrichten en dat daardoor een bedrag van € 1.700,-- aan dwangsommen is verbeurd. In het exploot wordt bevel gedaan om het bedrag aan verbeurde dwangsommen, vermeerderd met de kosten van het exploot binnen twee dagen te voldoen. De vrouw heeft de dwangsommen tot op heden niet aan de man betaald.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De man vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- de vrouw te veroordelen het bedrag van € 44.613,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 2014 tot aan de datum van voldoening, binnen twee dagen na betekening van het vonnis over te maken op derdengeldrekening van de advocaat van de man,

- de man verlof te verlenen om het vonnis ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang,

- met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

De vrouw vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man te verbieden om het vonnis van 19 november 2014 te executeren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,--, voor elke dag of gedeelte daarvan dat de man in de nakoming van het vonnis in gebreke blijft,

II. met veroordeling van de man in de proceskosten.

4.2.

De man voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

De man stelt dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij in strijd met het vonnis van 19 november 2014 een bedrag van € 44.613,02 heeft opgenomen van de Turkse bankrekening. De vrouw heeft achter de rug van de man om een procedure in Turkije aanhangig gemaakt, waarin zij de Turkse rechtbank niet heeft geïnformeerd over de Nederlandse procedure en de inhoud van het tussenvonnis van 23 juli 2014. Voorts heeft zij in die procedure valselijk voorgewend dat zowel de vrouw als de man hun hoofdverblijf hadden in Izmir. Op dit adres woont een broer van de vrouw. De vrouw heeft de man en zijn advocaat niet van de Turkse procedure op de hoogte gebracht.

Volgens de man weigert de vrouw om het in Turkije opgenomen bedrag aan de man te voldoen. De man heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering. Hij heeft de gezamenlijke woning toebedeeld gekregen en heeft het geld nodig om het tekort van € 43.000,-- in de hypotheekschuld te dekken. Gezien de persoon van de vrouw en haar gedragingen acht de man aannemelijk dat zij al het mogelijke zal doen om de gelden aan verhaal door de man onttrokken te houden.

De gevorderde lijfsdwang moet worden toegewezen, omdat de vrouw geen althans weinig mogelijkheden biedt tot verhaal. Zij heeft geen eigen vermogen en is aangewezen op een uitkering. De man vermoedt dat de vrouw de gelden via haar huidige partner en familie aan het zicht van de man heeft onttrokken.

5.2.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.3.

De vrouw voert als meest verstrekkend verweer aan dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Dat verweer wordt verworpen. Niet betwist is dat de man geld nodig heeft om zijn hypotheekschuld terug te brengen. Indien zou moeten worden geoordeeld dat de vrouw zich onrechtmatig de beschikking heeft verschaft over gelden die volgens een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis van de Nederlandse rechter aan de man toekomen, is er een spoedeisend belang in gelegen dat dit wordt geredresseerd.

Dat belang is mede daarin gelegen dat de vrouw in dat geval met haar handelwijze heeft gedemonstreerd dat zij er op uit is goederen die aan de man toekomen weg te sluizen.

5.4.

Volgens de vrouw moet de vordering van de man worden afgewezen omdat de vrouw heeft gehandeld zoals in het Turkse vonnis is bepaald. De vrouw is gerechtigd tot de helft van het saldo. De rechtbank Noord-Holland heeft in haar vonnis van 19 november 2014 een misslag begaan. De Turkse bankrekening stond op beider naam en het was de bedoeling van partijen om het saldo van deze rekening gemeenschappelijk eigendom te laten zijn. De Turkse rechter is bij uitstek in staat om het Turkse recht toe te passen en er is geen enkele aanleiding om het Turkse vonnis, dat onherroepelijk is, te passeren. De gevorderde lijfsdwang kan niet worden opgelegd, omdat sprake is van een veroordeling tot betaling van een geldsom. De vrouw is niet in staat om het geldbedrag terug te betalen. Met het opgenomen geld zijn volgens de vrouw uitstaande leningen afgelost.

5.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw onrechtmatig de beschikking heeft gekregen over een aan de man toekomend geldbedrag en overweegt ter motivering van dat oordeel het volgende.

Vast staat dat De vrouw is in Turkije een procedure gestart over het saldo op de Turkse bankrekening, terwijl deze rechtbank reeds bij tussenvonnis had geoordeeld dat de man recht heeft op dit saldo. De vrouw heeft erkend dat zij de Turkse rechtbank niet heeft geïnformeerd over dit Nederlandse vonnis. Voorts heeft de vrouw niet weersproken dat zij de dagvaarding heeft laten uitbrengen op het adres van haar broer in Izmir en dat zij de man en zijn advocaat niet over de Turkse procedure heeft geïnformeerd waardoor de man niet de mogelijkheid heeft gehad om zich tegen de vordering te verweren. De vrouw heeft de Turkse rechtbank op deze wijze bewust op het verkeerde been gezet en heeft aldus bewerkstelligd dat de in Nederland gevoerde procedure op tegenspraak werd doorkruist door een voorzienbaar ten gunste van de vrouw uitvallende uitspraak bij verstek, welke titel vervolgens door de vrouw onmiddellijk is gebruikt om zich toegang te verschaffen tot gelden waarvan de Nederlandse rechter had geoordeeld dat die aan de man toekomen.

Het lijdt geen twijfel dat de vrouw aldus onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld. Daarvoor is niet relevant of het Nederlandse vonnis wel of niet op een misslag berust en evenmin dat de Turkse rechter bij uitstek in staat is om het Turkse recht toe te passen.

5.6.

Als gevolg van dit onrechtmatig handelen van de vrouw heeft de man schade geleden. Die schade beloopt minimaal het bedrag van de onrechtmatige onttrekking. Gelet op het voorgaande is het bestaan van de geldvordering van de man op de vrouw voldoende aannemelijk en is deze voor toewijzing vatbaar.

5.7.

De vrouw heeft een beroep gedaan op verrekening met nog te betalen partner- en kinderalimentatie door de man over de periode van april tot en met oktober 2011.

Dit beroep wordt verworpen. De vrouw heeft haar vordering niet met stukken onderbouwd. De man heeft de verrekening betwist en stelt dat de alimentatie reeds is verrekend met de hypotheeklasten. Gelet op deze betwisting is deze in verrekening gebrachte vordering niet processueel liquide.

5.8.

De door de man gevorderde lijfsdwang zal worden afgewezen, nu lijfsdwang op grond van artikel 585 aanhef en sub a Rv niet kan worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldbedrag.

5.9.

In het onrechtmatige handelen van de vrouw ziet de voorzieningenrechter aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke compensatie van kosten in zaken tussen ex-echtgenoten. De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de man worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht 78,00

- salaris advocaat 1.788,00

Totaal € 1.960,19

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De vrouw legt aan het verbod tot executie ten grondslag dat de man haar niet heeft gevraagd een concrete handeling te verrichten, zoals bedoeld in het vonnis van 19 november 2014. Daarom heeft ze ook geen dwangsommen verbeurd. Volgens de vrouw kan haar geen verplichting worden opgelegd om naar het Turkse Consulaat te gaan om een verklaring te ondertekenen waarbij zij opdracht geeft aan een filiaal van de Centrale Bank om de rekening alleen op naam van de man te doen stellen. Het is onduidelijk wat het Turkse consulaat van doen heeft met een bankrekening in Turkije. De man heeft niet duidelijk gemaakt hoe die verklaring zou moeten luiden en of het ondertekenen van deze verklaring er wel toe zou leiden dat de rekening op naam van de man zou komen te staan. Het had volgens de vrouw op de weg van de man gelegen om een officiële machtiging met het exploot mee te betekenen en een verklaring van de bank mee te betekenen dat en onder welke voorwaarden de bank dat formulier zou accepteren. Nu de man onvoldoende concreet is geweest, zijn er volgens de vrouw geen dwangsommen verbeurd. Hier komt nog bij dat het vonnis van de Turkse rechtbank ertoe heeft geleid dat het saldo op de rekening is omgezet tot een individueel eigendom ter grootte van de helft van het saldo. Op grond hiervan is de vrouw sinds 27 november 2014 niet meer bevoegd over het saldo dat thans nog resteert te beschikken. Dit komt immers aan de man toe. De rekening is derhalve feitelijk al op naam van de man gesteld. De vrouw is niet verantwoordelijk voor de administratieve verwerking daarvan door de Turkse bank. Het doel dat de man met het exploot van 26 november 2014 nastreefde is derhalve al op 27 november 2014 bereikt en dat is ruim voor de termijn van 6 december 2014, aldus de vrouw.

6.2.

De man betwist dat de vrouw aan het vonnis heeft voldaan. Volgens de man staat de bankrekening nog steeds op beider naam. De Turkse bank heeft de man medegedeeld dat de vrouw naar het Turkse Consulaat moest om daar een verklaring af te leggen. De man heeft de vrouw vervolgens deze concrete handeling aangezegd. De vrouw heeft die handeling niet verricht. De vrouw is zelf bij de Turkse bank geweest en had daar kunnen regelen dat de rekening alleen op de naam van de man zou komen te staan. Ook dat heeft ze nagelaten. De dwangsommen zijn terecht verbeurd, aldus de man.

6.3.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Er is aan de vrouw een zeer specifieke concrete handeling aangezegd. De vrouw heeft deze handeling niet uitgevoerd, terwijl niet gebleken is dat zij daartoe niet in staat was. Het Turkse vonnis heeft er niet toe geleid dat de bankrekening thans alleen op naam staat van de man. Voorts staat in de brief van de Turkse bank van 15 december 2014 niet dat de man thans alleen gerechtigd is tot de rekening. In de brief worden slechts de voorwaarden opgesomd waaronder de andere helft van het bedrag aan de man kan worden uitbetaald. Die voorwaarden zijn van dien aard dat niet kan worden gezegd dat de man geen belang meer heeft bij de wijziging van de tenaamstelling van de rekening. De dwangsommen zijn derhalve terecht verbeurd.

De vordering in reconventie zal worden afgewezen.

6.4.

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 44.613,00 (vierenveertig duizendzeshonderddertien euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 11 december 2014 tot de dag van volledige betaling,

7.2.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 1.960,19, waarvan € 70,50 aan in debet gestelde explootkosten na ontvangst van een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie moet worden voldaan aan de griffier,

7.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

7.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.5.

wijst de vorderingen af,

7.6.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries op 5 februari 2015.1

1 Conc.: 934