Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:9032

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 148
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting woning op grond van artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet wegens verstoring van de openbare orde. Uitleg artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet.

De rechtbank gaat er van uit dat verweerder bevoegd was toepassing te geven aan artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat toepassing van de sluitingsbevoegdheid in dit geval niet onevenredig is. De rechtbank is verder – met verweerder – van oordeel dat het vierde lid van artikel 174a van de Gemeentewet zo moet worden uitgelegd dat betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld binnen een bepaalde termijn de tenuitvoerlegging van het bevel, zijnde de daadwerkelijke sluiting van overheidswege, te voorkomen door zelf tot sluiting over te gaan. Voor de door eiser voorgestane uitleg van het vierde lid, welke uitleg inhoudt dat verweerder eiser in de gelegenheid had moeten stellen om herstelmaatregelen te treffen om verstoring van de openbare orde te beëindigen, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.P. Groot),

en

de burgemeester van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigden: mr. E.C.W. van der Poel, mr. M. Blom en M. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de woning aan de [adres] (hierna: de woning) met ingang van 17 juli 2014 om 10.00 uur voor de duur van drie maanden te sluiten.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij tussenbeslissing van 12 augustus 2014 heeft de voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder het nummer 14/1341, onder toepassing van het derde lid van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), beslist dat de verzochte beperking in de kennisneming van de bij brief van 6 augustus 2014 toegezonden stukken, voor zover dit ziet op de in een exemplaar van een bestuurlijke rapportage [adres] van 17 april 2014 van de politie Noord-Holland aangegeven delen, gerechtvaardigd is. Eiser heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Bij uitspraak van 12 augustus 2014 heeft de voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder het nummer 14/1341 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot een dag na de verzending van het te nemen besluit op het bezwaar.

Bij besluit van 3 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, het in het primaire besluit vervatte bevel tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden gehandhaafd en eiser in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van zes weken na verzending van het besluit zelf tot sluiting van de woning over te gaan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij besluit van 12 januari 2015 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

Bij tussenbeslissing van 4 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder het nummer 15/147, onder toepassing van het derde lid van artikel 8:29 van de Awb, beslist dat de verzochte beperking in de kennisneming van de bij brief van 3 februari 2015 toegezonden stukken, voor zover dit ziet op de in een exemplaar van 4 februari 2015 van die stukken onleesbare delen, gerechtvaardigd is. Eiser heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Bij uitspraak van 5 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder het nummer 15/147 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak op het beroep.

Bij tussenbeslissing van 1 september 2015 heeft de rechtbank in de zaak geregistreerd onder het nummer 15/148 het verzoek van verweerder om geheimhouding, dan wel beperking in de kennisneming, op grond van artikel 8:29 van de Awb van bij brief van 28 augustus 2015 toegezonden stukken afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts is verschenen de partner van eiser, mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder de sluiting van de woning gegrond op artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag van zijn beslissing gewijzigd, in die zin dat hij de sluiting van de woning heeft gegrond op artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet.

1.2

De rechtbank ziet zich gelet hierop allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of het bestreden besluit is aan te merken als een voor beroep vatbaar besluit op bezwaar of als een primair besluit, waartegen eerst bezwaar moest worden gemaakt, alvorens beroep kon worden ingesteld.

1.3

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit is aan te merken als een besluit op bezwaar. De rechtbank acht in dit verband van doorslaggevende betekenis dat verweerder bij het bestreden besluit het in het primaire besluit vervatte bevel tot sluiting van de woning heeft gehandhaafd en het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde feitencomplex niet wezenlijk afwijkt van het feitencomplex dat verweerder aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank zal het beroep dan ook inhoudelijk beoordelen.

2.1

Bij brieven van 26 augustus 2015 en 1 september 2015, door de rechtbank diezelfde dagen en daarmee minder dan tien dagen voor de zitting ontvangen, heeft verweerder een schriftelijke toelichting en een geanonimiseerde bestuurlijke rapportage van
24 augustus 2015 ingediend. Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing dient te laten, omdat deze in strijd met het bepaalde in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb te laat zijn ingediend.

2.2

De rechtbank zal de schriftelijke toelichting van 26 augustus 2015 bij de beoordeling betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, hoewel hij de toelichting gelet op de hiervoor genoemde termijn te laat heeft ontvangen, voldoende tijd gehad om adequaat op het stuk te reageren, mede gelet op de beperkte omvang ervan. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de gemachtigde van eiser ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat hij de schriftelijke toelichting heeft kunnen bestuderen en met eiser heeft kunnen bespreken voorafgaand aan de zitting. Niet gezegd kan dan ook worden dat verweerder met betrekking tot de schriftelijke toelichting in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde.

2.3

De geanonimiseerde bestuurlijke rapportage van 24 augustus 2015, ontvangen op 1 september 2015, zal de rechtbank niet bij de beoordeling betrekken, omdat de goede procesorde zich daartegen verzet. De rechtbank neemt bij haar beslissing in aanmerking dat de bestuurlijke rapportage van een redelijke omvang is, zeer kort voor de zitting is ingediend, terwijl niet gebleken is dat dat niet eerder kon en de gemachtigde van eiser ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dit stuk niet meer met eiser te hebben kunnen bespreken voorafgaand aan de zitting. Bovendien bevat de rapportage ook gegevens die dateren van na het bestreden besluit, welke gegevens, gelet op het onder 4.3 overwogene, niet bij de beoordeling zijn en kunnen worden betrokken door respectievelijk verweerder en de rechtbank.

3.1

Verweerder heeft in het bestreden besluit aan de aan eiser opgelegde last onder bestuursdwang tot sluiting van zijn woning ten grondslag gelegd dat in de periode van augustus 2010 tot en met 6 oktober 2014 tientallen meldingen zijn binnengekomen ten aanzien van eisers woning. Het betreft ernstige overlast, onder meer bestaande uit drugsgerelateerde overlast, geluidsoverlast, stankoverlast en agressief optreden van eiser en [naam] .

3.2

Op grond van artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord.

3.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4697, was in het oorspronkelijke wetsvoorstel inzake de invoeging van artikel 174a in de Gemeentewet (Kamerstukken II 1995/96, 24 699, nr. 2) de in dat artikel neergelegde sluitingsbevoegdheid, naar ook bevestigd werd in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1995/96, 24 699, nr. 3), uitsluitend voorzien om te kunnen optreden tegen verstoring van de openbare orde als gevolg van drugshandel in een woning. Mede naar aanleiding van de opmerkingen van leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal is de reikwijdte van het wetsvoorstel bij nota van wijziging (Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nr. 6) verruimd tot niet drugsgerelateerde verstoringen van de openbare orde. In de nota naar aanleiding van het verslag over het wetsvoorstel (Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nr. 5) is daarover echter tevens opgemerkt dat sluiting van een woning slechts gerechtvaardigd kan zijn bij overlast die wat betreft de risico's voor de omgeving te vergelijken is met drugsoverlast. Het moet gaan om overlast die maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen en die niet met andere, minder ingrijpende middelen kan worden bestreden, aldus de nota. Bij de totstandkoming van artikel 174a van de Gemeentewet is voorts benadrukt dat de wetgever met "verstoring van de openbare orde" een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning voor ogen heeft gestaan.

3.4

Zoals de Afdeling voorts in voormelde uitspraak in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 174a van de Gemeentewet, als hiervoor beschreven, heeft overwogen, vergt verstoring van de openbare orde in de zin van artikel 174a van de Gemeentewet overlast waardoor de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd. Aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens moet aannemelijk worden gemaakt dat zich in de woning of op het daarbij behorende erf ernstige gedragingen voordoen en dat, zoals bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel inzake de invoeging van artikel 174a in de Gemeentewet is opgemerkt (Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nr. 13, blz. 20), daardoor verschillende soorten ernstige overlast zich met grote regelmaat en langdurig voordoen.

Ingeval de burgemeester aldus aannemelijk maakt dat vanuit de woning of het bijbehorende erf de openbare orde rond de woning wordt verstoord, is hij ingevolge artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. Van toepassing van deze bevoegdheid dient de burgemeester echter af te zien indien sluiting van de woning onevenredig zou zijn. In dat verband dient de burgemeester aannemelijk te maken dat de verstoring van de openbare orde niet afdoende kan worden bestreden met minder ingrijpende maatregelen.

4.1

Eiser betoogt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gedragingen van na 15 juli 2014 niet zijn aan te merken als een verstoring van de openbare orde als bedoeld in artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet, omdat die gedragingen niet als overtredingen van wettelijke voorschriften zijn aan te merken en ook overigens geen overlast voor de omwonenden tot gevolg hebben gehad. Bovendien is een last onder bestuursdwang een herstelsanctie. Dit betekent volgens eiser dat een dergelijke last niet kan worden opgelegd voor iets dat in het verleden is gebeurd. Verweerder mag, aldus eiser, uitsluitend de in het bestreden besluit beschreven gedragingen van na het primaire besluit, te weten na 15 juli 2014, bij zijn beoordeling of sprake is van een verstoring van de openbare orde betrekken.

4.2

Verweerder heeft aan het bestreden besluit de door eiser genoemde gedragingen ten grondslag gelegd, alsmede gedragingen die zien op de periode van augustus 2010 tot 15 juli 2014. Verweerder stelt zich, naar hij ter zitting nader heeft toegelicht, op het standpunt dat laatstgenoemde gedragingen zowel op zichzelf beschouwd, als in samenhang bezien met de gedragingen van na 15 juli 2014, zijn te kwalificeren als een verstoring van de openbare orde, op grond waarvan hij bevoegd was tot sluiting van de woning over te gaan.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat bij een heroverweging in bezwaar, als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met alle ten tijde van het bestreden besluit bekende relevante feiten en omstandigheden. Voor het oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit slechts de gedragingen van na het primaire besluit, derhalve enkel die van na 15 juli 2014, had mogen betrekken bestaat, anders dan eiser heeft betoogd, dan ook geen grond. Verweerder heeft aldus terecht tevens de gedragingen die zien op de periode van augustus 2010 tot 15 juli 2014 bij zijn beoordeling of sprake is van een verstoring van de openbare orde betrokken. Het antwoord op de door eiser opgeworpen vraag of de gedragingen van na 15 juli 2014 op zichzelf beschouwd zijn te kwalificeren als een verstoring van de openbare orde, als bedoeld in artikel 174a, eerste lid, Gemeentewet, kan gelet hierop in het midden blijven. Ook eisers stelling dat het inmiddels beter gaat, laat de rechtbank onbesproken. Daartoe is redengevend dat die stelling betrekking heeft op eisers situatie na het bestreden besluit en verweerder, gelet op de hiervoor gegeven uitleg inzake artikel 7:11 van de Awb, daarmee geen rekening kon en dus behoefde te houden. De rechtbank kan deze stelling, gelet op de door haar te verrichten ex tunc-beoordeling, evenmin bij de beoordeling kan betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

4.4

De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn beroepschrift niet heeft aangevoerd dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gedragingen, al dan niet van vóór 15 juli 2014, zich niet hebben voorgedaan. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij alle gedragingen die de gemachtigde van verweerder ter zitting in de pleitnota heeft aangehaald betwist. In de pleitnota zijn gedragingen aangehaald die zien op de periode van 2010 tot en met 25 augustus 2015. Voor zover met de betwisting ter zitting al sprake is van een niet in strijd met de goede procesorde te achten beroepsgrond, vormt deze algemene betwisting, bij gebrek aan enige onderbouwing, onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder niet in overeenstemming met het onder 3.3 overwogene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gedragingen van vóór en na 15 juli 2014 zich hebben voorgedaan, zodat de rechtbank het ervoor dient te houden dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gedragingen zich hebben voorgedaan.

4.4.1

Nu eiser voorts, naar de rechtbank vaststelt, verweerders standpunt dat de gedragingen van vóór 15 juli 2014 op zichzelf beschouwd, dan wel in samenhang met de gedragingen van na 15 juli 2014, zijn te kwalificeren als een verstoring van de openbare orde, als bedoeld in artikel 174a, eerste lid, Gemeentewet, niet heeft bestreden, dient de rechtbank het er voorts voor te houden dat dat standpunt van verweerder juist is.

4.5

De rechtbank gaat er, gelet op het voorgaande, van uit dat verweerder bevoegd was toepassing te geven aan artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet.

5.1

Eiser betoogt verder dat verweerder van gebruikmaking van zijn bevoegdheid als neergelegd in artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet had behoren af te zien, omdat sluiting van de woning onevenredig is. Eiser acht het bestreden besluit in strijd met artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), omdat met het besluit inbreuk is gemaakt op zijn in die bepaling neergelegde woonrecht. Een ingrijpende beperking van eisers woonrecht is uitsluitend toegestaan indien de beperking beantwoordt aan een zwaarwegende maatschappelijke behoefte en daarnaast voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Aan die eisen is volgens eiser niet voldaan. Het doel kan in dit geval worden bereikt met een minder ingrijpend middel. Bovendien schiet sluiting voor de duur van drie maanden zijn doel voorbij. De sluiting van een woning voor een bepaalde duur is bedoeld om de loop uit het pand te halen. Dit geldt voor drugspanden. Eisers woning is echter geen drugspand, hetgeen verweerder heeft erkend door artikel 13b van de Opiumwet niet langer aan zijn besluit ten grondslag te leggen. Voorts is het zo dat, indien al sprake is van overlast, eiser aan het veroorzaken daarvan niet schuldig is. De overlast is grotendeels veroorzaakt door [naam] . Verweerder heeft ten onrechte niet beoordeeld of eiser als schuldig medebewoner kan worden aangemerkt.

5.2.1

Voor zover eiser met het voorgaande betoogt dat de sluitingsbevoegdheid neergelegd in artikel 174a, eerste lid, Gemeentewet in algemene zin in strijd is met artikel 8 EVRM, verwerpt de rechtbank dit betoog, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5108. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet een inmenging in de uitoefening van het recht van de bewoner op respect voor zijn woning als bedoeld in het eerste lid van artikel 8 EVRM betekent en voorts dat deze inmenging in algemene zin gerechtvaardigd is te achten ingevolge het tweede lid van artikel 8 EVRM.

5.2.2

Ten aanzien van eisers betoog dat de toepassing van de sluitingsbevoegdheid in zijn geval strijd oplevert met artikel 8 EVRM, omdat de toepassing onevenredig is, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 27 juni 2014 aan eiser heeft meegedeeld dat hij voornemens is diens woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet wegens een ernstige vorm van drugsgerelateerde overlast. In deze brief is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “U en uw partner hebben reeds jaren de tijd gehad om uw gedrag te keren en dat stelselmatig nagelaten. U heeft voor de door de gemeente opgerolde hennepkwekerij reeds een aantal brieven en aanschrijvingen ontvangen. Maar ook nadien zijn er overtredingen gesignaleerd die een directe relatie met drugshandel hebben (…).” In het primaire besluit heeft verweerder de voorgaande passage herhaald.

In het bestreden besluit is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “Daarnaast is het niet mogelijk om met minder ingrijpende maatregelen de overlast in voldoende mate te bestrijden. Er hebben gesprekken plaatsgevonden om dit doel te bereiken, maar deze gesprekken hebben helaas niet geleid tot het beëindigen van de ernstige overlast.” (…) Na de zitting bij de voorzieningenrechter (de rechtbank begrijpt: de zitting van 12 augustus 2014) is besloten om te bezien of er in deze zaak een oplossing kan worden bereikt. Aangezien er begin oktober 2014 weer een aantal meldingen van ernstige overlast zijn geweest, is besloten om de hoorzitting in te plannen.”

Ook ter zitting heeft verweerder gesteld dat eiser meerdere keren de kans heeft gekregen om de verstoring van de openbare orde te beëindigen en heeft verweerder verwezen naar gesprekken die eiser onder meer met wijkagenten heeft gevoerd. Verder heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de woning van eiser de enige woning is die in elk veiligheidsoverleg dat plaatsvindt tussen politie, burgemeester en de officier van justitie aan de orde komt, hetgeen de ernst van de situatie kenmerkt. Door de jaren heen is heel veel geïnvesteerd in het gedrag van eiser en [naam] met als doel de rust in de buurt te laten terugkeren, maar deze investeringen hebben, tot teleurstelling van verweerder, niet tot het gewenste resultaat geleid. Ook de vrees voor eigenrichting speelt een rol. Verweerder ziet sluiting van de woning als het laatste redmiddel.

5.2.3

De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar heeft gesteld dat verweerder in dit geval met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning had kunnen volstaan, maar eiser heeft, noch in de gronden van beroep noch ter zitting, kunnen aangeven met welk minder ingrijpend en reëel middel in dit geval volgens hem had kunnen worden volstaan. Eiser heeft bovendien niet betwist dat hij vanwege de geconstateerde overlast al geruime tijd brieven van verweerder ontvangt en dat er teneinde de overlast te beëindigen diverse gesprekken hebben plaatsgevonden tussen hem en onder meer wijkagenten. Uit de opsomming van de gedragingen in het bestreden besluit blijkt voorts dat sinds 2010 door de politie jaarlijks een groot aantal incidenten is geregistreerd met betrekking tot de woning van eiser. De aanschrijvingen en brieven die in dat verband zijn opgesteld en de gesprekken die hebben plaatsgevonden zijn zonder wezenlijk resultaat gebleven, nu, zo blijkt verder uit het bestreden besluit, ook vlak voor het bestreden besluit nog incidenten zijn geregistreerd. Gelet daarop, faalt eisers betoog dat verweerder had kunnen en moeten volstaan met een lichter middel.

5.3.1

In reactie op eisers stelling dat de sluiting van de woning zijn doel voorbij schiet, omdat sluiting van een woning vooral bedoeld is voor drugspanden, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat hij heeft gekozen voor een periode van sluiting van drie maanden, omdat verwacht wordt dat die periode afdoende is om de onrust die door eiser en [naam] in en rondom de woning is gecreëerd te laten verminderen en waar mogelijk te beëindigen. Verweerder wenst de rust in de buurt te laten terugkeren. Na drie maanden zal aan de hand van begeleiding getracht worden het gedrag van eiser te veranderen. Er kan dan vanuit een nieuwe situatie opbouw plaatsvinden. Onder de huidige condities slagen de pogingen om de rust te doen terugkeren volgens verweerder niet.

5.3.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met voorgaande motivering gevolgd kan worden in zijn standpunt dat geen sprake is disproportionele toepassing. Eiser heeft voorts niet concreet de duur van de sluiting betwist, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet het standpunt van verweerder voor onjuist te houden.

5.4

Met betrekking tot het schuldaandeel van eiser heeft verweerder ter zitting (onweersproken) gesteld dat [naam] weliswaar bij veel gedragingen betrokken is geweest, maar dat dit onverlet laat dat een groot aantal gedragingen ook aan eiser valt toe te rekenen. De rechtbank stelt vast dat het voorgaande blijkt uit de in het bestreden besluit opgesomde gedragingen, waarvan de rechtbank, zoals uit het onder 4.4 overwogene volgt, dient uit te gaan. Voor zover eiser in dit verband heeft bedoeld te betogen dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij als schuldig medebewoner als bedoeld in het door verweerder in het kader van de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet gehanteerde Damoclesbeleid kan worden aangemerkt, faalt dat betoog. Dit beleid is, nu verweerder de grondslag van zijn beslissing heeft gewijzigd, in dit geval immers niet (meer) van toepassing.

5.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onder de voornoemde omstandigheden op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat toepassing van de sluitingsbevoegdheid in dit geval niet onevenredig is. Eisers beroepsgrond dat sluiting van zijn woning in strijd met artikel 8 EVRM moet worden geacht faalt dan ook.

6.1

Eiser betoogt dat verweerder hem – in strijd met het bepaalde in artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet – bij de bekendmaking van het bestreden besluit geen termijn heeft gegeven om maatregelen te treffen. Voor zover verweerder hem bij het bestreden besluit wel een termijn heeft gesteld, heeft verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om herstelmaatregelen te treffen om verstoring van de openbare orde te beëindigen. Verweerder heeft hem ten onrechte enkel in de gelegenheid gesteld om zelf tot sluiting van de woning over te gaan.

6.2

Op grond van artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet worden de belanghebbenden bij de bekendmaking van het besluit in de gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd. De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.

6.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser bij het bestreden besluit een termijn van zes weken heeft geboden, welke termijn hij naderhand bij het besluit van 12 januari 2015 met twee weken heeft verlengd, om maatregelen te treffen, te weten om zelf tot sluiting van de woning over te gaan. Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder hem bij het bestreden besluit ten onrechte in het geheel geen termijn heeft gesteld, mist dat betoog aldus feitelijke grondslag.

6.4

De rechtbank overweegt verder dat in de Memorie van Toelichting (MvT) behorende bij de Wijziging van de Gemeentewet, houdende opneming daarin van de bevoegdheid van de burgemeester om woningen, niet voor het publiek toegankelijke lokalen of bij die woningen of lokalen behorende erven te sluiten bij verstoring van de openbare orde als gevolg van gebruik van en handel in drugs (Kamerstukken II, 1995/1996, 24 699, nr. 3, p. 11) met betrekking tot artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet, voor zover van belang, het volgende is vermeld: “In het besluit moet een termijn worden gesteld waarbinnen belanghebbenden zelf maatregelen kunnen treffen om de tenuitvoerlegging van het besluit te voorkomen.”.

6.5

De rechtbank is – met verweerder – van oordeel dat het vierde lid van artikel 174a van de Gemeentewet zo moet worden uitgelegd dat betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld binnen een bepaalde termijn de tenuitvoerlegging van het bevel, zijnde de daadwerkelijke sluiting van overheidswege, te voorkomen door zelf tot sluiting over te gaan.

Voor de door eiser voorgestane uitleg van het vierde lid bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond. Zij overweegt hiertoe dat de hiervoor geciteerde passage uit de MvT overeenkomt met het bepaalde in artikel 5:24, vierde lid, van de Awb (oud), welke bepaling in acht moest worden genomen bij een sluiting op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. In artikel 5:24, vierde lid, van de Awb (oud) was bepaald dat in de beschikking tot toepassing van bestuursdwang een termijn moest worden gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. De Afdeling heeft artikel 5:24, vierde lid, van de Awb (oud) in haar uitspraken van
25 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ0849 en 11 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008: BD3623, in welke zaken een sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan de orde was, zo uitgelegd dat de belanghebbende binnen een door de burgemeester te stellen termijn in de gelegenheid moet worden gesteld de tenuitvoerlegging van het bevel, zijnde de daadwerkelijke sluiting van overheidswege, te voorkomen door zelf tot sluiting over te gaan.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding de door de Afdeling in voormelde uitspraken gegeven uitleg met betrekking tot artikel 5:24, vierde lid, van de Awb (oud) in een geval waarin sluiting op grond van artikel 174a van de Gemeentewet in plaats van artikel 13b van de Opiumwet aan de orde is niet te volgen. Dat artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet anders is geredigeerd dan artikel 5:24, vierde lid, van de Awb (oud), maakt dit niet anders.

Nu verweerder eiser in overeenstemming met het bepaalde in het vierde lid in de gelegenheid heeft gesteld om zelf maatregelen te treffen teneinde tot sluiting van de woning over te gaan, faalt het betoog van eiser dat verweerder in strijd met voormeld artikellid gehandeld heeft.

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond is.

8. Bij besluit van 12 januari 2015 heeft verweerder de begunstigingstermijn met twee weken verlengd. Dit besluit strekt tot wijziging van het (bestreden) besluit van 3 december 2014. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep van eiser geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit. Eiser heeft tegen dit besluit geen afzonderlijke gronden aangevoerd, zodat het beroep ook voor zover het is gericht tegen dit besluit ongegrond is.

9. Bij voornoemde beslissingen is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het (bestreden) besluit van 3 december 2014 en het besluit van 12 januari 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 oktober 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.