Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:8872

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
C/15/224765/FA RK 15-2092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het primaire verzoek tot erkenning van de Gambiaanse adoptiebeslissing is afgewezen, omdat niet is voldaan aan de bepalingen van de Wobka.

Het subsidiaire verzoek de adoptie uit te spreken door verzoekers (waarvan de man de biologische vader is van de minderjarige) is toegewezen, omdat is voldaan aan de in artikel 1:227 BW vermelde gronden voor adoptie en aan de in artikel 1:228 BW vermelde voorwaarden voor adoptie. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat noch op grond van de geboorteakte van de minderjarige, noch op grond van de Gambiaanse adoptiebeslissing, tussen de biologische vader en de minderjarige een familierechtelijke betrekking is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/72.27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/224765 / FA RK 15-2092

beschikking van de meervoudige kamer van 14 oktober 2015 inzake adoptie

gegeven op het verzoek van:

1 [naam verzoekster], wonende te Alkmaar,

2. [naam verzoeker], wonende te Alkmaar,

hierna te noemen: verzoekster respectievelijk de man,

advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs, kantoorhoudende te Alkmaar,

na wijziging van het verzoek strekkende tot:

primair: het uitspreken van de erkenning van de Gambiaanse adoptiebeslissing van (naar de rechtbank begrijpt) 17 februari 2010;

subsidiair: het uitspreken van de adoptie door verzoekster en de man van de minderjarige [naam kind], geboren op [geboortedatum] te Tabokoto, Gambia (verder: [het kind]);

meer subsidiair: het bepalen dat verzoekster en de man gezamenlijk worden belast met het gezag over [het kind].

1 Verloop van de procedure

1.1

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 7 april 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van verzoekster en de man van 20 april 2015;

- de brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage van 2 juli 2015;

- de brief van de advocaat van verzoekster en de man van 14 september 2015.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 september 2015 in aanwezigheid van verzoekster en de man, bijgestaan door mr. Warmerdam-Wolfs.

1.3 [

[het kind] heeft, gelet op haar leeftijd, in een kinderverhoor op 5 juni 2015 haar mening kenbaar gemaakt.

2 De vaststaande feiten

2.1 [

het kind] is geboren uit de relatie van de man en [naam moeder] (verder: de moeder). De man en de moeder zijn niet gehuwd geweest. De moeder woont/verblijft in Gambia.

2.2

Bij de stukken bevindt zich een op 5 augustus 2009 afgegeven extract van een geboorteakte (No.[aktenummer]), waaruit blijkt dat die geboorteakte is geregistreerd op 25 september 2003 en dat [het kind] is geboren op [geboortedatum] te Tabokoto, Gambia. Op deze geboorteakte is de man vermeld als vader en de moeder als moeder.

2.3

Uit een zich bij de stukken bevindende “Affidavit of Consent” van 8 september 2009 (AB3) blijkt dat de man de biologische vader en dat de moeder de biologische moeder is van [het kind]. Voorts blijkt uit dit stuk dat de man verantwoordelijk is voor de gehele verzorging en opvoeding van [het kind] en dat de moeder onvoorwaardelijk ermee heeft ingestemd dat de man met het gezag (“custody”) wordt belast en dat de man met [het kind] naar Nederland mag reizen.

2.4

Verzoekster en de man zijn gehuwd op [datum huwelijk] te Banjul, Gambia. Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [naam kind 2], geboren op [geboortedatum 2] in de gemeente Alkmaar.

2.5

Blijkens uittreksels uit de Basisregistratie Personen van de gemeente Alkmaar van 24 maart 2015 hebben de man en [het kind] zich op 18 november 2009 respectievelijk 22 juli 2010 in Nederland gevestigd. In het uittreksel BRP staat dat verzoekster en inmiddels ook de man en [het kind] de Nederlandse nationaliteit hebben. Naar de stelling van de man ter zitting hebben hij en [het kind] de Nederlandse nationaliteit verkregen op 4 juli 2015.

2.6

Bij de stukken bevindt zich het stuk “In the Kanifing Children’s Court in the Republic of the Gambia” van 17 februari 2010 (KCC/CS/030/10), waaruit blijkt dat [het kind] is geadopteerd door de man en verzoekster en waarbij aan de man en verzoekster toestemming is gegeven om met [het kind] naar Nederland te vertrekken.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1

Op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht omdat verzoekster en de man woonplaats hebben in Nederland.

3.2

Op grond van artikel 10:105, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht van toepassing op het verzoek, behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel. Artikel 10:105, tweede lid, BW bepaalt dat op de toestemming dan wel de raadpleging of de voorlichting van de ouders van het kind of van andere personen of instellingen het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit, toepasselijk is. In dit geval is dus thans op het toestemmingsvereiste het Nederlandse recht van toepassing.

3.3

Gambia is geen verdragsstaat bij het Adoptieverdrag 1993. Daarom is op grond van artikel 10:107 BW afdeling drie van titel zes van Boek 10 BW van toepassing.

Het primaire verzoek

3.4

Op grond van artikel 10:109, eerste lid, BW wordt een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, erkend indien:

a. de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) in acht zijn genomen,

b. de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, en

c. erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 10:108 lid 2 of lid 3 BW zou worden onthouden.

3.5

De opneming in Nederland van een buitenlands kind met het oog op adoptie is op grond van artikel 2 Wobka uitsluitend toegestaan, indien van Onze Minister een voorafgaande schriftelijke mededeling is verkregen, dat deze in beginsel voor zodanige opneming toestemming verleent.

3.6

Uit de toelichting op deze wet ten aanzien van het werkingsbereik van de wet blijkt dat het vereiste van een krachtens de Wobka te verlenen beginseltoestemming niet alleen geldt voor het overbrengen van een kind naar Nederland met het oog op adoptie in Nederland, maar ook voor het overbrengen naar Nederland van een reeds in het buitenland geadopteerd kind. Het vereiste van de beginseltoestemming wordt niet voor niets gesteld, omdat het een belangrijke stap is in de administratieve fase, die voorafgaat aan de rechterlijke beoordeling. Voor de verkrijging van de beginseltoestemming wordt onder meer onderzoek gedaan naar de achtergrond van de aspirant-adoptiefouders. Zij zijn voorts verplicht cursussen te volgen over de medische en sociaalpsychologische gevolgen van adoptie. Van belang is namelijk dat duidelijk moet zijn dat het adoptiekind de beste kansen krijgt in het nieuwe gezin in het nieuwe land. Voorts stelt de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) een gezinsonderzoek in naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders. Van dit onderzoek wordt een rapport opgemaakt, dat aan de minister wordt toegestuurd. Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad beslist de minister over het al dan niet verstrekken van de beginseltoestemming.

3.7

Vast is komen te staan dat een dergelijke procedure niet door verzoekster en de man is doorlopen en dat de vereiste beginseltoestemming dus ontbreekt. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat evenmin sprake is geweest van de in de Wobka genoemde volledige dan wel deelbemiddeling. Op het tijdstip dat [het kind] in Nederland is aangekomen (22 juli 2010) was [het kind] bovendien ouder dan zes jaar. Artikel 8 van de Wobka vermeldt diverse voorwaarden waaraan in dat geval voldaan dient te zijn. Er is gesteld noch gebleken dat verzoekster en de man aan de in artikel 8 van de Wobka vermelde voorwaarden hebben voldaan.

Verzoekster en de man hebben erkend dat niet alle bepalingen van de Wobka in acht zijn genomen. Desondanks wordt verzocht in de onderhavige zaak een uitzondering te maken, omdat een weigering om de Gambiaanse adoptie-uitspraak in Nederland te erkennen zou leiden tot een onaanvaardbare schending van het bij verzoekster en de man levende gerechtvaardigde vertrouwen of van de rechtszekerheid. Ook kan een uitzondering worden gemaakt als erkenning in het belang van het kind mag worden geacht.

De rechtbank is echter van oordeel dat onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat in de onderhavige zaak sprake is van een dermate uitzonderlijke situatie dat aan het bepaalde in de Wobka voorbij gegaan kan worden.

3.8

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat zowel ten aanzien van verzoekster als ten aanzien van de man niet is voldaan aan de bepalingen van de Wobka, een en ander zoals genoemd in artikel 10:109, eerste lid, onder a, BW en dat evenmin sprake is van een uitzonderingssituatie. Het primaire verzoek wordt dan ook afgewezen.

Het subsidiaire verzoek

3.9

Verzoekster heeft aanvankelijk verzocht de adoptie door haar uit te spreken van [het kind]. Nadien is het verzoek voor zover nodig aangevuld in die zin dat aanvullend wordt verzocht tevens de adoptie uit te spreken door de man van [het kind]. Dit laatste subsidiair, omdat de man ervan uitgaat dat er tussen hem en [het kind] al sprake is van een familierechtelijke betrekking. Derhalve zal de rechtbank thans eerst de vraag beantwoorden of tussen de man en [het kind] op enig moment al een familierechtelijk betrekking tot stand is gekomen.

3.10

Gezien de afwijzing van het primaire verzoek, inhoudende dat de Gambiaanse adoptie van [het kind] naar Nederlands recht niet voor erkenning in aanmerking komt, gaat de rechtbank ervan uit dat die adoptie, anders dan verzoekster en de man hebben betoogd, evenmin tot gevolg heeft gehad dat daardoor naar Nederlands recht een familierechtelijke betrekking tussen de man en [het kind] is ontstaan.

3.11

Verzoekster en de man stellen zich voorts op het standpunt dat de man [het kind] in Gambia heeft erkend en dat als gevolg daarvan de man op de geboorteakte van [het kind] is vermeld als vader. [het kind] heeft toen ook meteen de achternaam van de man gekregen. Naar de stelling van verzoekster en de man staat daarmee vast dat er tussen de man en [het kind] een familierechtelijke betrekking is ontstaan. Daarbij wordt verwezen naar het gewoonterecht van Gambia, op grond waarvan erkenning van het vaderschap van een buiten huwelijk geboren kind mogelijk is, evenals de verkrijging van een wettelijke status voor een kind dat buiten huwelijk geboren is. Het registreren van een vader in een Gambiaanse geboorteakte regelt op grond van dat gewoonterecht het juridische vaderschap van een onwettig kind.

3.12

De rechtbank volgt verzoekster en de man echter niet in voormeld - niet nader met stukken onderbouwde - betoog dat uit de vermelding van de naam van de man op de geboorteakte van [het kind] blijkt dat er sprake is geweest van een erkenning die een familierechtelijke betrekking heeft doen ontstaan. Uit de bekende naslagwerken blijkt dat er weinig informatie beschikbaar is met betrekking tot het Gambiaanse familie- en kinderrecht. Uit de informatie van de Kennisbank Burgerzaken blijkt dat de erkenning door de vader (en/of de moeder) in het islamitische recht een geheel andere functie en inhoud heeft dan de erkenning in het Nederlandse recht. In Nederland kennen we geboorte buiten het huwelijk. In het islamitische recht geldt het principe dat geboorte buiten het huwelijk niet voorkomt. In deze optiek is een erkenning zoals Nederland die kent dan ook niet nodig. Toch wordt in het islamitische recht over erkenning gesproken, maar dat geldt uitsluitend voor die situaties dat de wettige afstamming van een kind, dus dat het uit een huwelijk stamt, niet geheel met bewijsstukken is te staven. In een dergelijke situatie zal men overgaan tot “erkenning” om op deze manier de onduidelijkheid over de wettige afstamming uit te sluiten. Dit geldt ook voor de moeder die eveneens tot erkenning van haar kind kan overgaan, alles aldus de Kennisbank Burgerzaken.

3.13

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat erkenning naar Gambiaans recht wel bestaat, maar dat dit niet tot gevolg heeft dat een familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen de man en [het kind], zoals dat naar Nederlands recht het geval zou zijn.

3.14

De rechtbank gaat er hierna dan ook vanuit dat het subsidiaire verzoek ziet op zowel het verzoek van verzoekster als dat van de man.

3.15

De rechtbank dient in het kader van dit subsidiaire verzoek te beoordelen of ten aanzien van verzoekster en de man is voldaan aan de in artikel 1:227 BW vermelde gronden voor adoptie en de in artikel 1:228 BW vermelde voorwaarden voor adoptie.

3.16

De rechtbank komt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot het oordeel dat aan de in voormelde artikelen vermelde gronden en voorwaarden is voldaan en dat de adoptie in het kennelijke belang is van de minderjarige.

De stelling van de man dat hij in Gambia reeds verantwoordelijk was voor de gehele verzorging en opvoeding van [het kind], dat zij bij hem (en zijn ouders) woonde, dat de moeder slechts af en toe contact had met [het kind] en dat de moeder geen rol speelde bij haar opvoeding en verzorging, is aannemelijk.

Uit het stuk “Affidavit of Consent” van 8 september 2009 blijkt immers dat de moeder onvoorwaardelijk ermee heeft ingestemd dat de man met het gezag (“custody”) over [het kind] wordt belast. Uit het stuk “In the Kanifing Children’s Court in the Republic of the Gambia” van 17 februari 2010 blijkt dat [het kind] in Gambia is geadopteerd door de man en verzoekster, waarbij aan de man en verzoekster toestemming is gegeven om met [het kind] naar Nederland te vertrekken. De IND heeft blijkens de brief van 4 mei 2010 op grond van dit stuk geconcludeerd dat het gezag over [het kind] niet meer bij de moeder ligt. Uit het ten name van [het kind] overgelegde paspoort is voorts gebleken dat in Gambia geen bezwaar bestaat tegen de uitreis van [het kind].

Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, houden naar het oordeel van de rechtbank een voldoende bevestiging in van het feit dat in Gambia geen bezwaar bestaat tegen de thans in Nederland verzochte adoptie. Oproeping van de moeder kan derhalve achterwege blijven.

Voorts is gebleken dat [het kind] sinds haar aankomst in Nederland, medio 2010, door verzoekster en de man is verzorgd en opgevoed. Ten slotte heeft [het kind] bij gelegenheid van het kinderverhoor zelf verklaard dat het goed gaat met haar in Nederland, zij graag haar stiefmoeder als echte moeder heeft en zij de adoptie een goed idee vindt.

3.17

Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, waaronder hetgeen de rechtbank ten aanzien van het ontbreken van een familierechtelijke betrekking tussen de man en [het kind] heeft overwogen, zal het subsidiaire verzoek van verzoekster en de man worden toegewezen. Dit betekent dat [het kind] zowel door verzoekster als door de man wordt geadopteerd.

Het meer subsidiaire verzoek behoeft daarom geen bespreking meer.

3.18

Bij de stukken bevindt zich de hierboven onder 2.2 weergegeven geboorteakte van [het kind]. Dit document betreft echter geen voor inschrijving vatbare geboorteakte, zodat de rechtbank ambtshalve op grond van artikel 1:25c, derde lid, BW de voor het opmaken van een akte van geboorte noodzakelijke gegevens van [het kind] zal vaststellen als na te melden.

3.19

Op grond van artikel 1:25g, tweede lid, BW zal de rechtbank de toevoeging gelasten van een latere vermelding van de adoptie aan de geboorteakte in de registers van de burgerlijke stand te ‘s-Gravenhage.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1

stelt vast dat op [geboortedatum] te Tabokoto, Gambia uit [naam moeder] is geboren een kind van het vrouwelijk geslacht, genaamd: [naam kind];

4.2

spreekt uit de adoptie van de minderjarige van het vrouwelijk geslacht:

[naam kind], geboren op [geboortedatum] te Tabokoto, Gambia,

door verzoekster en de man voornoemd;

4.3

gelast de inschrijving van de hierboven vastgestelde geboortegegevens van [het kind] in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage;

4.4

gelast de toevoeging van een latere vermelding van de adoptie aan de geboorteakte van [het kind] in de registers van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage;

4.5

wijst af het meer of anders verzochte;

4.6

draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking - en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld - een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
‘s-Gravenhage.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, voorzitter, mr. W.P. van der Haak en mr. R. van der Heijden, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2015.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.