Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:8793

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
3881400 / CV EXPL 15- 1663
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu aan de voorwaarden van artikel 3:329 BW niet is voldaan kan van een rechtsgeldige verpanding van de vordering (die ziet op een aantal facturen) geen sprake zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 3881400 / CV EXPL 15- 1663

datum uitspraak: 4 november 2015

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de maatschap naar burgerlijk recht
Maatschap [X.] Accountants en Adviseurs

te Arnhem

eiseres

hierna te noemen [Maatschap X.]

gemachtigde [Y.]

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Aja Holding B.V.

te Haarlem

gedaagde

hierna te noemen Aja

gemachtigde mr. A.J.W. van Elk

De procedure

[Maatschap X.] heeft Aja gedagvaard op 11 februari 2015. Aja heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een incident opgeworpen tot voeging.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 23 juli 2015 de zaken met de rolnummers 3834099 / CV EXPL 15-973 en 3797729 CV EXPL 15- 6163 gevoegd in de zin van artikel 217 juncto 222 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij de kantonrechter een comparitie van partijen heeft gelast. De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 28 september 2015. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. Vonnis is bepaald op heden.

De feiten

a.

Bij overeenkomst van 6 november 2007 is er ten behoeve van [Maatschap X.] een (stil) pandrecht (hierna: het pandrecht) gevestigd op de activa – bestaande en toekomstige vorderingen – van [Maatschap A.] Accountants en Fiscalisten (hierna: [Maatschap A.] ).

b.

[Maatschap A.] heeft accountancywerkzaamheden verricht voor Aja.

c.

Bij aangetekende brief van 5 september 2012 heeft [Maatschap X.] aan Aja mededeling gedaan van de verpanding van de vorderingen van [Maatschap A.] en is het stil pandrecht overgegaan in een openbaar pandrecht. In deze brief heeft [Maatschap X.] het volgende vermeld:

“Bij overeenkomst d.d. 6 november 2007 heeft [Maatschap A.] ons een pandrecht verleend op al haar activa, en dus ook al haar bestaande en toekomstige vorderingen. Dit pandrecht strekt mede tot de vorderingen) die [Maatschap A.] op u heeft of zal krijgen. (…)

Inmiddels heeft de gerechtsdeurwaarder bij proces-verbaal d.d. 24 augustus jl namens (…) [Maatschap A.] de pandlijst aan ons overhandigd (..). De pandlijst is geregistreerd op 29 augustus jl. (…) Hierbij verzoeken wij u zorg te dragen voor tijdige betaling van in de bijlage opgenomen facturen (…)

De pandlijst is bijgevoegd en vermeldt bovenaan:

“Openstaande posten debiteuren (peildatum 24-08-2012)”

d.

Aja heeft de betreffende facturen in de loop van 2012 voldaan aan [Maatschap A.] . Zij heeft geen betalingen gedaan aan [Maatschap X.] .

e.

[Maatschap A.] is op 2 april 2013 in staat van faillissement verklaard.

f.

In een vonnis van 28 mei 2014 van de rechtbank Gelderland, gewezen tussen onder meer [Maatschap X.] en onder meer [Maatschap A.] , heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen:

“(…) 7.22 Ten aanzien van de (…) stelling van de curator (…) dat het pandrecht teniet is gegaan door betaling wordt het volgende overwogen. (…) Wordt rekening gehouden met de betwisting door ( [Maatschap A.] ) van de haar in rekening gebrachte werkzaamheden door [Maatschap X.] , dan moet toch ervan uitgegaan worden dat na afboeking van een bedrag van € 750.000,-- van de rekening van [Maatschap A.] omstreeks 11 augustus 2011 nog een (aanzienlijke) vordering van ( [Maatschap X.] ) op ( [Maatschap A.] ) resteert. (…)

De stelling van de curator dat de schuld uit rekening-courant door [Maatschap A.] geheel is afgelost wordt daarom als na betwisting onvoldoende onderbouwd verworpen.”

Deze uitspraak bevat onder meer de volgende beslissingen in het dictum:

(…)

8.2

verklaart voor recht dat door de maatschap [X.] op 8 december 2010 een rechtsgeldig pandrecht is gevestigd, onder andere op vorderingen op debiteuren van de maatschap [Maatschap A.] Accountants en Fiscalisten;

8.3

verklaart voor recht dat alle vorderingen van de maatschap [Maatschap A.] Accountants en Fiscalisten op de debiteuren die staan vermeld op de volgende pandlijsten rechtsgeldig aan de maatschap [X.] Accountants en Adviseurs zijn verpand :

a. 1 februari 2011 (…)

b.31 augustus 2011 (…)

c.29 augustus 2012 (…)

(…)

8.4

verklaart voor recht dat de maatschap [X.] accountants en Adviseurs na openbaarmaking van haar pandrechten inningsbevoegd is geworden ten aanzien van de door de maatschap [Maatschap A.] Accountants en Fiscalisten verpande debiteuren en dat deze debiteuren uitsluitend bevrijdend kunnen betalen aan de maatschap [X.] Accountants en Adviseurs;

(…)

8.6

Verklaart voor recht dat het pandrecht ook betreft onderhanden werk, zijnde die werkzaamheden die wel door de maatschap [Maatschap A.] Accountants en Fiscalisten zijn uitgevoerd maar per datum faillissement nog niet waren gefactureerd.”

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

g.

Ter zitting heeft [Maatschap X.] aangegeven dat op dat moment ca € 280.000 was geïncasseerd bij de verschillende debiteuren van [Maatschap A.] .

De vordering

[Maatschap X.] vordert (samengevat) veroordeling van Aja tot betaling van € 1.628,89. Het totale gevorderde bedrag bestaat uit € 1.202,78 aan hoofdsom, € 213,65 aan rente en € 212,46 aan buitengerechtelijke incassokosten.

De vordering ziet op de volgende facturen:

-factuurnummer 20112688 van 9 augustus 2012, ten bedrage van € 214,44;

-factuurnummer 20112805 van 5 oktober 2012, ten bedrage van € 975,26

-factuurnummer 20113000 van 17 januari 2013 te bedrage van € 13,08.

Aja is in haar betalingsverplichting tekortgeschoten en heeft ondanks herhaalde aanmaningen van [Maatschap X.] de openstaande facturen onbetaald gelaten. Als gevolg hiervan heeft [Maatschap X.] schade geleden in de vorm van rente en buitengerechtelijke incassokosten. Aja dient deze schade aan [Maatschap X.] te voldoen.

Het verweer

Aja voert meerdere verweren die zich als volgt laten samenvatten:

1.

[Maatschap X.] heeft geen vordering (meer) op [Maatschap A.] , althans niet tot het beloop van de vordering zoals ingesteld in deze procedure;

2.

Er is sprake van een ouder pandrecht van Barracuda IJsselstein B.V.;

3.

Als al sprake is van een pandrecht, dan geldt dit alleen indien en voor zover de betreffende vordering is opgenomen in de (geregistreerde) debiteurenlijsten. Alleen ten aanzien van die vorderingen heeft de rechtbank Gelderland bij uitspraak van 28 mei 2014 overwogen dat sprake is van een rechtsgeldig pandrecht. Voor de overige, niet in de debiteurenlijsten genoemde vorderingen geldt dat het gaat om toekomstige vorderingen die krachtens artikel 3:239 BW hun grondslag moeten vinden in een op het moment van vestiging van het pandrecht reeds bestaande rechtsverhouding. Gesteld noch gebleken dat de rechtsverhouding tussen Aja en [Maatschap A.] hetzij in 2007, hetzij in 2010 (op het moment van registratie van de pandakte) reeds bestond.

4.

Voor zover al moet worden aangenomen dat alle vorderingen waarvan betaling wordt gevorderd, rechtsgeldig zijn verpand, zijn alleen de pandrechten die op de debiteurenlijsten voorkomen openbaar gemaakt nu deze lijsten gevoegd waren bij de openbaarmakingsbrief.

5.

Er is geen wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW verschuldigd.

De beoordeling

Ad 1: pandrecht teniet gegaan door betaling vordering?

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Gelet op het karakter van een pandrecht zijnde een “accessoir recht” dat onlosmakelijk is verbonden met een vorderingsrecht, moet voor uitwinning van het pandrecht vast staan, dat [Maatschap X.] een vordering heeft op [Maatschap A.] .

Noch uit de door partijen overgelegde stukken, noch uit uitspraken van andere kantonsectoren in procedures tegen andere debiteuren, kan een minimale hoogte van de vordering van [Maatschap X.] op [Maatschap A.] worden afgeleid. Op dit punt heeft de rechtbank Gelderland in de hiervoor geciteerde uitspraak van 28 mei onder 7.23.3 het volgende overwogen:

“Ten aanzien van de vordering bij 3.2 onder D geldt dat in deze procedure de hoogte van de vordering van de maatschap [X.] op NGN niet (meer) aan de orde is. Nu uit de door partijen in het geding gebrachte stukken blijkt dat NGN bezwaar heeft gemaakt tegen de door maatschap [X.] en de B.V. [X.] gestelde stand van de rekening courant verhoudingen de onderhavige procedure niet geëigend is om de omvang van de schuld van NGN aan de maatschap [X.] vast te stellen, kan niet voor recht verklaard dat de maatschap [X.] zich kan verhalen op de door NGN aan haar verpande debiteuren conform het saldo van de rekening courant per datum faillissement (…).”

Uit hetgeen echter in deze uitspraak onder rechtsoverweging 7.22 in samenhang met hetgeen in het dictum onder 8.3 tot en met 8.6 is overwogen volgt dat de rechter de omvang van de vordering van [Maatschap X.] (in elk geval) van een zodanige omvang achtte, dat uitwinning van de pandrechten ten aanzien van de op de debiteurenlijsten genoemde vorderingen gerechtvaardigd werd geacht.

Ad 2 : ouder pandrecht

Ten aanzien van de vraag of sprake is van een ouder pandrecht heeft het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden in een uitspraak tussen (onder meer) NGN enerzijds, en (onder meer) [Maatschap X.] anderzijds, gewezen onder zaaknummer 200.098.611) onder 4.10 tot en met 4.12 - samengevat - overwogen dat het pandrecht van [Maatschap X.] een ouder pandrecht betreft dan dat van Barracuda en Account, nu de pandakte van laatstgenoemde pas kort vóór 5 oktober 2011 is geregistreerd, terwijl de pandakte van [Maatschap X.] reeds was geregistreerd op 8 december 2010. Dit verweer zal derhalve worden gepasseerd.

Ad 3: pandrecht geldig gevestigd ten aanzien van welke vorderingen?

Ten aanzien van de vraag ten aanzien van welke vorderingen het pandrecht rechtsgeldig is gevestigd, wordt het volgende overwogen. Rechtbank Gelderland heeft in het eerdergenoemde vonnis van 28 mei 2014 voor recht verklaard – samengevat – dat alle vorderingen van [Maatschap A.] op debiteuren die staan vermeld op de in het vonnis genoemde pandlijsten, rechtsgeldig zijn verpand. Alleen factuurnummer 20112688 d.d. 9 augustus 2012, is vermeld op de geregistreerde pandlijst van 29 augustus 2012.

De vraag is derhalve, of de andere twee vorderingen (factuurnummers 20112805 en 20113000) rechtsgeldig zijn verpand. Vast staat dat deze vorderingen zijn ontstaan ná inschrijving van de pandakte, en dat het derhalve gaat om een stil pandrecht op toekomstige vorderingen. Ingevolge artikel 3:239 BW is hiertoe vereist dat de vordering op het tijdstip van vestiging reeds bestond of rechtstreeks is verkregen uit een dan al (in 2010) bestaande rechtsverhouding. Gesteld noch gebleken is dat de rechtsverhouding tussen [Maatschap A.] en Aja in 2007 en/of 2010 reeds bestond, zodat in beginsel niet aan de eisen van artikel 3:239 BW is voldaan. Evenmin zijn lijsten van debiteuren overgelegd, behorend bij de pandakte die in 2010 is geregistreerd, waaruit eventueel afgeleid zou kunnen worden dat de debiteurenrelatie toen al bestond.

Teneinde de vereisten van artikel 3:239 BW te omzeilen wordt in de praktijk wel gebruik gemaakt van de zogeheten “verzamelpandakte-constructie”.

Om vorderingen die niet aan één van beide criteria genoemd in artikel 3:239 BW voldoen (de zogeheten absoluut toekomstige vorderingen) rechtsgeldig stil te kunnen verpanden, dienen per kredietnemer additionele pandakten te worden getekend en geregistreerd bij de belastingdienst. Dit brengt voor zowel de pandgever als de financier een onnodige financiële last mee. Deze additionele akte wordt bij gebruikmaking van de verzamelpandakte-constructie vervangen door één verzamelpandakte, in combinatie met een door elke kredietnemer verstrekte onherroepelijke volmacht aan de financier. Deze volmacht is essentieel voor de geldigheid van een dergelijke constructie.

Blijkens de gedeeltelijke weergave in het vonnis van 28 mei 2014 (onder 2.7) van de kredietovereenkomst van 6 november 2007 waarbij [Maatschap X.] als kredietgever en NGN als één van de kredietnemers optraden, was de bedoeling van partijen om een dergelijke “verzamelpandakte-constructie” te hanteren: “kredietnemers geven al hun activa aan kredietgever in pand”. Onder dit pandrecht op deze activa wordt in ieder geval verstaan pandrechten “op alle huidige en toekomstige (bedrijfs)vorderingen op derden”. De bedoeling lijkt te zijn geweest, om óók de vorderingen die Aja mocht krijgen op ten tijde van vestiging van het pandrecht nog niet bekende crediteuren, stil te verpanden. Nu echter verder niets is gesteld of gebleken ten aanzien van deze verzamelpandakte en de eventueel bijbehorende volmachten, kan niet worden aangenomen dat sprake is van een geldige verzamelpandakte.

Hiervoor is reeds overwogen dat niet is voldaan aan de eisen van artikel 3:239 BW, zodat de vorderingen met factuurnummers 20112805 en 20113000 niet rechtsgeldig zijn verpand, en de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Ad 4: openbaarmaking

Hierop hoeft, gelet op het voorgaande niet meer te worden ingegaan omdat ten aanzien van de niet op de debiteurenlijsten vermelde vorderingen reeds is overwogen dat geen sprake is van een geldig pandrecht.

Rente en buitengerechtelijke incassokosten

[Maatschap X.] vordert wettelijke handelsrente over de facturen vanaf de vervaldatum van de facturen. De kantonrechter is van oordeel dat eventuele rente pas verschuldigd is vanaf de datum van openbaarmaking (5 september 2012). Aangezien Aja vanaf dat moment een beroep had kunnen doen op opschorting, zal de rente pas worden toegewezen vanaf 28 mei 2014, zijnde de datum waarop (in ieder geval) duidelijk was dat Aja bevrijdend kon (en moest) betalen aan [Maatschap X.] .

Proceskosten
Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Aja tot betaling aan [Maatschap X.] van € 214,44, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 mei 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.S. Pieters en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.